The Morning Benders :: Big Echo

Een smeltend bolletje vanille-ijs is, naast een wel heel erg ongebruikelijke, vooral ook een weinig hoopgevende gedachte bij het beluisteren van een plaat. Adjectieven als saai, voorspelbaar en eentonig dringen zich in een context als deze maar al te makkelijk op de voorgrond. Gelukkig is eentonig niet altijd saai en kunnen voorspelbaarheid en spanning in enkele zeldzame gevallen ongehinderd samengaan, zo getuigt ook Big Echo.

Creativiteit, originaliteit en vernieuwing. Het zijn drie waarden die steevast hoog in het vaandel worden gedragen. De drang naar innovatieve ideeën is bij vele bands zelfs zodanig onstuitbaar dat men zich maar al te vaak vergaloppeert met oeverloos experiment. Niets van dat alles bij The Morning Benders. Christopher Chu en co schuwen angstvallig elke vorm van vernieuwing, maar bewandelen trots en zelfzeker de reeds gebaande wegen van hun voorgangers. En ze komen er nog mee weg ook.

Toch is het Californische viertal niet zo behoudsgezind als men wel zou denken. Hun in 2008 verschenen debuut Talking Through Tin Cans, een resem afgeborstelde en op de leest van de jaren zestig geschoeide popsongs die vooral Christopher Chu’s verdienste waren, werd door iTunes als beste indie-album van het jaar 2008 getipt. En alsof dat nog niet volstond, werden ze met passages in het voorprogramma van ondermeer Grizzly Bear, The Kooks, MGMT, Death Cab for Cutie en Yeasayer plotsklaps gebombardeerd tot heel wat meer dan zomáár een belofte voor de toekomst. Het mag dan ook een verrassing heten dat er zo hard gesleuteld werd aan de succesformule van hun debuut. Het soloproject dat Talking Through Tin Cans in feite was, wordt op deze Big Echo enigszins naar de achtergrond verdrongen om zo plaats te maken voor een veel rijker muzikaal palet.

De plaat gaat, met achtereenvolgens “Excuses” en “Promises”, erg veelbelovend van start. Het overweldigende instrumentarium springt meteen in het oor. Melancholische strijkers, een achtergrondkoor, piano, afgemeten slagwerk … Alle ingrediënten voor een uitstekende plaat lijken aanwezig. Hoewel The Morning Benders de afgelopen twee jaar van een eenmansproject naar een volwaardige band ontwikkelde, is het overduidelijk dat Christopher Chu de touwtjes nog steeds stevig in handen heeft. Minder orkestrale nummers als “Wet Cement”, “Cold War” en “Pleasure Sighs” zet hij dan ook helemaal naar zijn hand.

Ere wie ere toekomt. Naast Christopher Chu heeft Chris Taylor — ja, die van Grizzly Bear — minstens evenveel recht op die woorden van lof. Taylor nam de productie van de plaat voor zijn rekening en had blijkbaar heel wat in de pap te brokken. De sound van The Morning Benders is, voornamelijk op het tweede deel van Big Echo, erg chaotisch en orkestraal, waardoor het geheel bij tijden gevaarlijk dicht bij een zomerse Grizzly Bear aanleunt.

Zonder echt te gaan vervelen zakt de plaat naar het einde toe toch wat weg in de grijze middenmoot. Het gebrek aan een eigen identiteit speelt de band hier en daar duidelijk parten. “Mason Jar” bijvoorbeeld weet op geen enkel moment de aandacht vast te houden en schuifelt dan ook ongemerkt voorbij. Gelukkig wordt op “Stitches” het vuur nog een laatste maal aangewakkerd.

Zoals we in de inleiding al vermeldden is Big Echo een enorm voorspelbare collectie songs geworden. The Morning Benders ontpoppen zich tot de reïncarnatie van pakweg Vampire Weekend of Grizzly Bear, al kunnen ze het niveau van die bands niet altijd evenaren. Op zich een uitstekend album, helaas is de creativiteit vaak erg ver te zoeken, waardoor de op tromgeroffel onthaalde grote echo in werkelijkheid niet veel meer dan een gesmoorde kreet blijkt te zijn.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

twee × vijf =