Legion






Eigenlijk had ik hoegenaamd geen zin om naar ‘Legion’ te gaan
kijken. De premisse beloofde hetzelfde soort van neo-conservatieve,
religieus geïnspireerde onzin waar we de laatste tijd net iets te
vaak mee om de oren worden geslagen (nog ‘The Book of Eli’,
iemand?), Paul Bettany is een goede acteur maar géén actieheld en
de Amerikaanse kritieken spraken van één van de slechtste films van
de voorbije jaren. Maar kijk, soms zit het mee: ‘Legion’ een goede
film noemen zou fel overdreven zijn, maar I’ll be damned
als ik niet smakelijk heb zitten lachen met de zelfbewust campy
fun
die de prent biedt. Klasseer deze gerust onder de
categorie guilty pleasures: in feite weet je dat het niet
deugt, maar je moet al een enorm grote zuurpruim zijn om je er niet
mee te amuseren.

Het verhaal: God is het eeuwige gehannes van de menselijke soort
onderhand behoorlijk beu en besluit de mensheid te straffen. Omdat
zondvloeden al een tijdje passé zijn, stuurt hij een horde engelen
naar de aarde, die van de mensen bloeddorstige zombies maken (God
is een fan van George Romero, blijkbaar). Aartsengel Michael (Paul
Bettany) vindt dat hele plan niet oké, snijdt zijn eigen vleugels
af en werpt zich – gewapend met een behoorlijk arsenaal aan
machinegeweren – in de strijd voor het menselijke ras. Meerbepaald
het deeltje van het menselijke ras dat zich op het moment van de
Apocalyps schuilhoudt in een luizig wegcafé, Paradise Falls (snapt
u ‘m?). Hier ontmoeten we zowat alle typische personages die
evenzeer thuishoren in dit soort film als een Woestijnvisprogramma
op een Humo-cover (ja, we zijn hip met onze vergelijkingen, hoor):
de knorrige cafébaas (Dennis Quaid), zijn nobele zoon (Lucas
Black), de geile nymphette (Willa Holland), haar bekrompen ouders,
de hoogzwangere heldin (Adrianne Palicki), de mysterieuze
vreemdeling (Tyrese Gibson) en ga zo maar door. Blijkt dat het
ongeboren kind van Palicki nog een belangrijke rol zal spelen voor
de toekomst van de mensheid (hoewel het nooit echt duidelijk wordt
op welke manier – allicht komen we dat te weten in de sequel).

Die structuur is zo oud als de straat: steek een paar mensen op
een afgesloten locatie, laat ze belegerd worden door een overmacht
van buitenaf en zie de vonken vliegen. De invloeden zijn dan ook
makkelijk te spotten. Regisseur Scott Stewart gaat gretig
leentjebuur spelen bij ‘Night of the Living Dead’, ‘Assault on
Precinct 13’, ‘From Dusk Till Dawn’ en ga zo maar door. Hier en
daar zat er zelfs een tikkel ‘Terminator’ tussen, met de plotlijn
rond een moeder wiens foetus beschermd moet worden.

Wil dat zeggen dat ‘Legion’ alleen maar een rip-off is van al
die andere “snel, leg een kast voor de deur”-films? Wel, nee.
‘Legion’ ontwikkelt zich namelijk als een deeply silly
B-filmpje dat zich zeer bewust is van zijn eigen onnozelheid.
Passeren onder andere de revue: een oud dametje dat plots stukken
uit de andere personages begint te bijten en over het plafond
kruipt (haar naam is Gladys). Iemand wiens rug wordt weggebrand
door bijtend zuur (dat opspat uit een in pulserende zweren
samengetrokken lijk, uiteraard). Engelen met kogelvrije vleugels.
En als kers op de taart: een spelletje rugby met een baby als bal.
Dolletjes! Het is volstrekt onmogelijk om dat allemaal serieus te
nemen, maar dat is dan ook duidelijk niet de bedoeling. Stewart
heeft hier een kitscherige horrorkomedie gemaakt die qua toon nog
het meest doet denken aan de onvolprezen remake van ‘The Blob’
(checken, die handel!) en natuurlijk ‘From Dusk Till Dawn’. Wie de
film op die voorwaarden kan benaderen, beleeft er vast nog wel wat
lol aan. Dit is een prent die gemaakt is om met een groepje
venten-onder-elkaar te bekijken, ergens lang na middernacht, als
iedereen al een stevige pint achterover heeft geslagen.

De koning van dit genre is eigenlijk Sam Raimi – zie ook het fel
onderschatte ‘Drag Me To Hell’ – maar hoewel Scott Stewart
genietbare crap weet te maken van ‘Legion’, haalt hij
nergens dat niveau. Raimi’s gevoel voor timing, ziekelijke humor en
snelle, maar effectieve karaktertekening zijn hier nergens terug te
vinden. Tijdens de tweede akte laat Stewart de boel te veel
slabakken, met obligate, ongeïnspireerde dialoogscènes waarin de
personages keurig op enkele seconden tijd hun diepste ziel
blootleggen (“Zoon, ik hou van je, bega toch niet dezelfde fouten
als ik!”). En dat terwijl het publiek enkel zit te wachten op de
volgende actiescène met badass engelen en moordzuchtige
ijsjesverkopers. Overigens zijn ook de speciale effecten niet
altijd wat je mag verwachten in dit soort productie – zo blijkt een
zombie-engel te beschikken over een haast komisch uitgerekt gezicht
waarmee het moeilijk articuleren is (let op de openingsscène,
waarin een “bezeten” flik kan praten zonder zijn mond te
bewegen).

Als acteur kun je zo’n B-film op twee manieren benaderen: ofwel
doe je alsof je neus bloedt en speel je alles met een ongenaakbaar
sérieux, ofwel speel je het spelletje mee en ga je met je
vertolking al even ver over de top als het scenario. Over het
algemeen is dat een beslissing die de regisseur moet nemen – hij
moet zijn acteurs allemaal dezelfde richting in stuwen, afhankelijk
van hoe nadrukkelijk ironisch hij zijn film wil maken. En dat
gebeurt hier dus niet: een aantal van de hoofdpersonages lijken wel
in een andere film te zitten. Paul Bettany speelt Michael als
stille geweldenaar – een beetje Mad Michael – terwijl
Dennis Quaid vrolijk schmiert alsof zijn leven er van afhangt. Op
zichzelf genomen kunnen allebei die acteerprestaties er best mee
door, maar steek ze in één film en je krijgt plots een vreemde
clash van verschillende stijlen.

Niet dat dit alles echt afdoet aan het fungehalte van ‘Legion’,
een film die is opgebouwd als één lange knipoog. Grote kunst zal
dit nooit worden, maar wat kan ik zeggen? Ik heb me geamuseerd.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

5 × 4 =