Goldfrapp :: Head First

Het voorbije decennium rees een nieuwe lading popnimfjes op als ging het om een kring paddenstoelen in een sprookjesbos. Dat er maar een de giftigste kan zijn, bewijst Alison Goldfrapp op haar nieuwe plaat Head First. De excentrieke blondine klinkt joliger en uitdagender dan ooit en geeft al haar epigonen het nakijken.

De titel van deze vijfde langspeler doet denken aan een geboorte, wat in dit geval gerust als een wedergeboorte mag worden gezien. Sinds het debuut Felt Mountain vindt de Britse zangeres zichzelf immers plaat na plaat opnieuw uit. Die eersteling liet door de akelige, ijle zang op de filmische begeleiding een benauwende, veeleer geheimzinnige indruk na. Opvolger Black Cherry lonkte voorzichtig richting disco, een genre dat op Supernature gesublimeerd werd. Seventh Tree greep dan weer terug naar de fragiele folk uit de jaren zeventig en liet een veeleer zachtaardige Goldfrapp horen. Een resem geslaagde incarnaties passeerden al de revue, waar nu dus een nieuwe aan toegevoegd wordt. Want Head First trekt alle registers open en richt haar pijlen op de synthesizerpop uit de jaren tachtig. Schijnbaar speels en soms met een listige ondertoon is dit opnieuw een proeve van de veelzijdigheid van de flamboyante zangeres.

Afgaande op de hoes en op de eerste tonen van opener “Rocket” doet Head First aan als een protserige pastiche. Tot je twee minuten ver zit, vrolijk meeneuriet, moeite hebt om te blijven stilzitten en finaal wel moet toegeven dat het hier om een prima popnummer gaat. Van dat soort telt de plaat er negen, die behoren tot het beste dat ze samen met haar muzikale kompaan Will Gregory al neerpende. De tracks herinneren aan de kwikzilveren melodieën van The Human League (“Head First”), de larger than life-refreinen van ABBA (“I Wanna Life”) en de verkilde melancholie van Eurythmics (“Dreaming”). In afsluiter “Voicething” komt het eigenwijze kantje van Goldfrapp naar boven: de zangeres verlaat het synthpoppad en zoekt andere invloeden op. Verschillende stemlagen worden over elkaar gezet en wie aandachtig luistert, hoort in de verte echo’s klinken van de stijloefeningen van Steve Reich.

Een constante doorheen Head First is Alisons heldere en toonvaste stem die album na album aan kracht en zuiverheid wint. Wij herinneren ons een Pukkelpop of vijf geleden, toen Goldfrapp bij het opkomen gedurfd “Utopia” a capella inzette en het — nochtans al flink aangeschoten — publiek in de dancehall muisstil kreeg. Met eenzelfde bezieling als toen brengt ze een meer ingetogen nummer als “Hunt”. Hier wordt duidelijk dat haar straffe stem nog steeds het allerbelangrijkste is. En wie La Roux onlangs in de Ancienne Belgique meemaakte, weet dat het op dat punt al eens kan mislopen bij de jonge generatie popzangeresjes.

Misschien moet Alison maar eens een akoestische versie van Head First inblikken en zo de criticasters — “synthesizerpop is pure kitsch”– lik op stuk geven. Al was het maar om te bewijzen wat voor puike popsongs dit zijn. Als ze het zelf niet doet, neemt pakweg Bonnie “Prince” Billy of Mark Lanegan hier binnen de kortste keren een herwerkte versie van op en vinden we dat zonder uitzondering allemaal even geweldig.

Alison Goldfrapp profileert zich steeds duidelijker als de Madonna van de eenentwintigste eeuw. De Britse zangeres wisselt al even moeiteloos tussen uiteenlopende gedaantes, waarbij ze ditmaal kiest voor de synthpopdiva die verleidelijk knipoogt naar de jaren tachtig. Met de spontaneïteit en de frisheid van een debuut is Head First bovenal een uitstekende popplaat die ook de poort kan openen naar het brede publiek van La Ciccone.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

vier × 1 =