Dave Rempis (The Engines) :: ”Keuzes die altijd succes hebben werken de groei tegen”

Als Ken Vandermark in Chicago de koning van de hedendaagse jazz-met-een-hoek-af is, dan is Dave Rempis ongetwijfeld de kroonprins. Rempis, een van de centrale spelers in een circuit dat actiever dan ooit is, strijkt eind deze maand neer in KC België (Hasselt) met The Engines, waarmee hij net een nieuw album uitbracht (Wire and Brass). Tijd om de man uit te horen over de stad, de muziek en de methodes die z’n kunst bepalen.

enola: Chicago is momenteel vruchtbare grond voor de avant-jazz: er lijken steeds meer jonge talenten op te duiken, er verschijnen steeds meer albums. En dan heb je een label als 482 Music, dat recent onder de lofbetuigingen bedolven wordt. Is er ook sprake van een gemeenschapsgevoel bij de muzikanten? En meer sceptisch: is er geen gevaar voor verzadiging met zoveel vissen in de vijver?
Rempis:
"Je kan zeker spreken van een samenwerkingsverbond tussen de vele muzikanten die er nu werken. Er zijn heel wat sub-scenes, maar de grootte van de stad (1/3e van New York), maakt het best makkelijk om andere muzikanten te ontmoeten. Dit heeft geleid tot een heel comfortabele situatie waarbij heel verschillende muzikanten en uiteenlopende stijlen met elkaar in contact komen. Zelf vind ik die uitwisseling een gezonde situatie, veel boeiender dan constant bij je subcultuur te blijven, omdat het je ook een completer beeld geeft van het tijdsbeeld dat zich de voorbij twee decennia gevormd heeft in de stad.
Wat die verzadiging betreft: dat is zeker een gevaar, maar tegelijkertijd ook een gezond risico. Het is inderdaad minder eenvoudig om een optreden te versieren op sommige plaatsen in vergelijking met zeven à acht jaar geleden. Dat heeft dan weer als voordeel dat je als muzikant verplicht wordt om de lat hoog te leggen: een goede situatie voor jezelf en de organisatoren. Het is een uitdaging voor alle partijen en dat betekent dat de gemiddelde kwaliteit nog omhoog gaat."

enola: Het voorbije jaar was je te horen op erg uiteenlopende platen: een duo-album met Frank Rosaly, een album van je eigen Percussion Quartet, een nieuwe plaat van The Vandermark 5, het ambitieuze Resonance-project van Vandermark en tenslotte het tweede album van The Engines. Kan je iets vertellen over hoe al die bands/projecten verschillen, of welke je voor een grote uitdaging stelt of comfortabeler is?
Rempis:
"Elk van die bands heeft een heel eigen persoonlijkheid, zelfs met de overlappende bezettingen. De meest duidelijke manier waarop ze verschillen is de verhouding tussen compositie en improvisatie. Bij The Vandermark 5 werken we bijvoorbeeld met heel complexe arrangementen, terwijl het Percussion Quartet net volledig draait om vrije improvisatie. The Engines werkt ook met gecomponeerd materiaal, maar dan minder strikt als bij The Vandermark 5. De persoonlijkheden van de leden speelt ook een enorme rol: vervang een persoon en je hebt vaak een totaal andere band.
Ik voel me doorgaans het meest op m’n gemak in bands die ik zelf leid of waar ik co-leider ben, eenvoudigweg omdat het vertrekpunt dan komt van mijn eigen ideeën en muzikale instincten en niet die van een ander. Maar beide situaties zijn eigenlijk heel boeiend. Ik heb zeker evenveel over potentiële mogelijkheden geleerd in de bands van anderen dan in die van mezelf."

Mijn eerste indruk bij Wire and Brass was dat het materiaal meer ’open’ leek dan dat op het eerste album, alsof het subtieler en afwachtend benaderd werd. Kan je je daar in vinden en zo ja, kan je dan iets over die evolutie vertellen?
Rempis:
"Het houdt wel steek, ook al is het niet eenvoudig om je eigen werk te beoordelen na een heleboel repetities en opnamesessies. Het is veel makkelijker om twee documenten (i.c. onze twee albums) te vergelijken, dan het werkproces van twee jaar dat ertussen zat, want dat voelt aan als een lang, vloeiend proces. Maar ik ga zeker akkoord met je opmerking dat we als groep naar een meer open aanpak gewerkt hebben. Nu staan we trouwens nog een heel stuk verder [Wire and Brass werd al in 2008 opgenomen, gp]. Dat heeft ongetwijfeld te maken met het feit dat we nog maar een maand of vier samen speelden toen het eerste album opgenomen werd. De eerste plaat was daardoor veel meer afhankelijk van duidelijke melodieën en arrangementen, terwijl we bij het nieuwe werk minder aandacht besteedden en arrangementen en de spontaniteit het werk lieten doen."

enola: Kan je vertellen of de werkmethodes van je kwartetten — The Engines en het Percussion Quartet — verschillen?
Rempis:
"Beide bands gebruiken zeer verschillende tactieken en dat is net wat het fris houdt om tegelijk met deze twee bands te werken. Ze bieden heel andere mogelijkheden tot muzikale expressie. Aangezien het Percussion Quartet echt ’mijn’ band is, voel ik me ook goed bij het bepalen van onze koers, de manier waarop we spelen en waar we naartoe willen gaan. Dat betekent niet dat ik me opstel als een dirigent, omdat het bij onze vrije improvisatie ook afhangt van de keuzes die Tim, Frank en Ingebrigt maken. Als er al een ’thuis’ voor me is, dan is het die band. In vergelijking daarmee is bij The Engines het samenwerkingsverband belangrijker, omdat iedereen composities bijdraagt en ik zeker meer aandacht moet besteden aan de gevoeligheden van een band."

enola: Je hebt al een paar keer meegewerkt aan een aantal grootschalige projecten van Ken Vandermark, zoals zijn Territory Band en het Resonance-project. Begint het dan niet te kriebelen om ook eens zoiets op stapel te zetten?
Rempis:
"Dat is zeker een interessant idee, maar ik probeer mijn ambitie onder controle te houden, zeker omdat het zo moeilijk is om ervoor te zorgen dat alle betrokkenen fatsoenlijk vergoed kunnen worden voor hun tijdsinvestering. Het werk dat erbij komt kijken — het samenstellen van zo’n ensemble, muziek schrijven, voldoende repetitietijd voorzien — is onwaarschijnlijk intensief. Het komt er op neer dat je een stuk of tien mensen 1 of 2 weken werk moet bezorgen. Momenteel zit ik helaas niet in de positie dat ik concertmogelijkheden kan vinden om dat te financieren. Ik zou het natuurlijk wel kunnen doen met muzikanten uit de stad en dan enkel in Chicago spelen om de reiskosten te drukken. Maar ik ben net iets te vaak betrokken geweest bij grote projecten waarbij te weinig repetitie voor problemen zorgde en ik heb geen zin om zoiets op gang te brengen. Als het er ooit van komt, dan enkel op een manier die eerlijk is voor de betrokken muzikanten en waarbij de muziek ruim tijd krijgt om ontwikkeld te worden."

enola: Veel luisteraars leren je kennen via Vandermark en zijn herkenbare manier van spelen en componeren. Hoe zie je jezelf in vergelijking met hem?
Rempis:
"In het algemeen denk ik dat ik iets meer op instinct en gevoel speel dan Ken, want dat is een ongelooflijk analytisch persoon. Hij beheerst de kunst om het proces van muziek maken volledig te ontmantelen en te achterhalen wat een genre of stijl zo bijzonder maakt. Ik ben helemaal niet zo goed in dat analyseren, laat staan om dat ook nog eens te kunnen verwoorden, maar ik denk wel dat ik er in slaag om het uit te drukken in m’n eigen schrijf- en speelstijl, maar dan op een minder rigide en methodische manier. Wat het componeren betreft: Ken is vooral geïnteresseerd in het schrijven van stukken die de improvisaties bepalen en de muzikanten uitdagen om keuzes te maken die ze normaal niet uit zichzelf zouden maken. In mijn eigen stijl ben ik doorgaans vaker op zoek naar composities die op verschillende manieren geïnterpreteerd kunnen worden, waardoor ze eigenlijk ondergeschikt worden aan de improvisatie en kunnen veranderen naargelang de context waarin ze terechtkomen."

enola: Voor mij is free jazz/improvisatie bij uitstek iets om live mee te maken. Het is muziek van het hier en nu, niet enkel voor de muzikant, maar ook voor de luisteraar. Dergelijke muziek gecreëerd zien worden is vaak een pak boeiender dan een album beluisteren, want vaak voelt dat aan als werken. Geldt dat ook voor jou als muzikant?
Rempis:
"Zeker weten! Als ik kan kiezen tussen een muzikant aan het werk zien of een cd beluisteren van de artiest in kwestie, dan kies ik steeds voor het eerste. Het is steeds tastbaarder als je het live kan zien. Ik ben er ook van overtuigd dat iemand die niet eerder in aanraking kwam met het genre veel sneller een begrip krijgt van het onmiddellijke en fysieke karakter van de muziek door het live mee te maken. Het is zonder twijfel een kunstvorm die het moet hebben van de live performance, iets dat vaak fout begrepen wordt omdat de media vooral focust op albums."

enola: Er is natuurlijk ook een groot risico verbonden aan improvisatie: soms werkt het gewoon niet, ondanks voorbereiding en vertrouwdheid van de muzikanten. Gebeurt dat vaak? En hoe ga je daar mee om?
Rempis:
"Het is altijd een risico, elke keer als je op een podium stapt. Zelfs met de beste band kan je niet vermijden dat je af en toe op je gezicht gaat en het is zeer frustrerend als zoiets gebeurt. Maar dat is het risico van het vak. Soms vallen daar net de beste lessen uit te trekken en vandaar dat ik ook vermijd om keuzes te maken die gegarandeerd succes opleveren, maar de groei van de muziek tegenwerken. Dat brengt het gevaar met zich mee dat het publiek wat teleurgesteld is, maar uiteindelijk komt het op langere termijn wel het leerproces en de muziek ten goede."

enola: Gisteren ging ik naar een optreden van Joe McPhee en Chris Corsano. Joe is 70, maar na een paar minuten was je dat als toeschouwer gewoonweg vergeten. Zie je jezelf ook nog zo actief op die leeftijd?
Rempis:
"Dat is alleszins de bedoeling! Als ik nog steeds creatief en productief kan zijn op m’n zeventigste, zoals Joe, of zoals Peter Brötzmann of Fred Anderson, die tachtig is, dan zal ik een gelukkig mens zijn. De kennis en het begrip dat je op die leeftijd kan hebben, wat duidelijk is in de muziek die die drie muzikanten nu nog maken, is wonderbaarlijk. Ik prijs mezelf gelukkig dat ik met alle drie heb mogen werken en dat ik ze vaak aan het werk zag. Het is onwaarschijnlijk inspirerend dat ze blijven verkennen, leren en steeds beter spelen. Als het leven en de muziek een doel hebben, dan is het dat wel."

enola: Je werkte met veel oudere muzikanten. Soms moet dat toch ook intimiderend geweest zijn? Joe McPhee vertelde zo eens dat hij amper durfde luisteren naar een opname van hem en Steve Lacy, omdat hij zich zou schamen over zijn prestatie naast zo’n meester. Klinkt dat vertrouwd?
Rempis:
"Ja, het klinkt bekend, ook al was ik het snel gewoon om overklast te worden door muzikanten toen ik op m’n 22e bij The Vandermark 5 kon spelen. Heel snel besefte ik dat ik nooit het niveau van die andere kerels zou bereiken, of toch zeker niet op korte termijn. Ik kon enkel maar blijven werken en grenzen verleggen. Die onaflatende zoektocht naar de piek is belangrijk en kunnen werken met mensen die je beïnvloeden is een belangrijke manier om dat gevoel brandend te houden. Natuurlijk deed dit besef m’n hart niet minder snel kloppen, m’n mond niet minder droog worden en m’n knieën niet minder knikken toen ik voor het eerst op een podium stond met Hamid Drake, Paul Lytton of Peter Brötzmann."

enola: Zijn er muzikanten met wie je graag zou samenwerken en waartoe je nog niet de kans had?
Rempis:
"Ik heb het geluk gehad om op jonge leeftijd al met fantastische muzikanten te werken, maar er zijn er zo veel die ik op zo’n lijst zou zetten. Paul Lovens staat waarschijnlijk bovenaan. Verder ook Han Bennink, Nasheet Waits, Rudi Mahall, Peter Evans… Ik kan blijven doorgaan, maar dit zijn namen die meteen in me opkomen."

enola: Kan je wat albums (of artiesten) delen die cruciaal waren in je ontwikkeling als muzikant?
Rempis:
"Ook daar is de lijst eindeloos, maar ik kan je wel een lijst van albums bezorgen waar ik keer op keer naar teruggrijp: Olé en Meditations (John Coltrane), Out To Lunch en Iron Man (Eric Dolphy), New Tijuana Moods en Ah Um (Charles Mingus), Interstellar Low Ways (Sun Ra), Reflections (Julius Hemphill), Turning Point (Paul Bley), Live At Winterland (Jimi Hendrix), Song For Biko (Johnny Dyani), Symphony For Improvisers (Don Cherry), Percussion Bittersweet (Max Roach), Misterioso (Thelonious Monk), New York Is Now (Ornette Coleman), Blue Serge (Serge Chaloff), Live In San Francisco (Archie Shepp), Fresh (Sly And The Family Stone), Live At The Vilage Vanguard (Sonny Rollins), Motherlode (James Brown), Money Jungle (Duke Ellington), Dali (Coleman Hawkins), Vibrations (Albert Ayler) en Elf Bagatellen (Schlippenbach trio)."
enola: Kan je wat artiesten aanbevelen van wie we nog gaan horen?
Rempis:
"In Chicago denk ik vooral aan Greg Ward en Nick Mazzarella, beide moordend goeie altsaxofonisten. Ik heb ook geweldige dingen gehoord van Peter Evans, al is die intussen al wat bekender."

enola: Er bestaat een beeld van de jazz- of avant-gardemuzikant als een gortdroge, oersaaie intellectueel. Ik heb intussen echter mogen ondervinden dat ook de artiesten die de meest ontoegankelijke muziek denkbaar maken, vaak heel triviale hobby’s hebben of zot zijn van punk, c&w of Memphis soul. Wat is jouw ’guilty pleasure’?
Rempis:
"Ha! Mijn vrienden in de scène zijn doorgaans slimme kerels waarvan sommigen een aardig boompje kunnen opzetten over Francis Bacon of John Cage, maar de meesten doen vaak ook niet liever dan tooghangen en leuteren over alledaagse nonsens. Het leven zit natuurlijk vol met dergelijke dingen. Recent heb ik me vooral geamuseerd met de historische romans van Patrick O’Brian over de Britse zeemacht tijdens de napoleontische oorlogen en de Amerikaanse tv-serie The Wire."

enola: Iets minder positief: op je blog had je het recent over de crisis in muziekland. Kan je de situaties in Amerika en Europa vergelijken? Wat met de gevolgen?
Rempis:
"De situatie in Amerika is allang rotslecht! Er zijn geen subsidies voor organisatoren, tenzij het gaat om het Symfonisch Orkest van Chicago of het Lincoln Center [peperduur complex onder artistieke leiding van Wynton Marsalis dat vaak bekritiseerd wordt omwille van z’n conservatieve visie op jazz(geschiedenis), gp]. Het is echt deprimerend om te zien hoe de voorbije 4-5 jaar de ene club na de andere verdween. Ik denk dat de muzikanten ook niet anders verwachten. De grootste verandering vindt nu echter plaats in Europa, waar het lang mogelijk was om werk te vinden en betaald te worden. Nu krijg je steeds vaker de situatie dat subsidies verdwijnen en privé-sponsors zich terugtrekken. Dit is, zoals je aangaf, live muziek, en als de mogelijkheden verdwijnen, dan betekent dat voor een stuk ook het einde van de kunst, hoeveel platen je ook maakt in je kelderstudio. De situatie ziet er zeker niet goed uit, maar de enige resterende optie is blijven spelen nu het nog mogelijk is."

enola: In de liner notes van The Disappointment of Parsley (Percussion Quartet) zit er een sneer naar jazzcritici die een tenor niet van een alt kunnen onderscheiden. Is dat iets dat je vaak overkomt?
Rempis:
"Die vraag heb ik al een paar keer gehad. Zonder al te cru te willen klinken wil ik toch meegeven dat heel wat schrijvers niet over de journalistieke verantwoordelijkheid beschikken om hun feiten juist te hebben. Meningen over de muziek zijn heel subjectief, maar hoe kan ik iemands mening serieus nemen als hij z’n basisverantwoordelijkheden niet onder de knie heeft? Als ik een foute noot speel in een melodie, dan mag iedereen me dat zeggen, want ze hebben gelijk. Het is niet subjectief.
Ruw geschat denk ik dat in 80% van de teksten over albums waarop ik speel de recensent niet eens weet welk instrument ik speel. Ik garandeer je dat het zo’n hoog getal is! En terwijl ik schrijvers alle recht gun om te schrijven wat ze voelen bij een plaat, trek ik wel de streep bij onnozele fouten, feiten die een student zou kennen en die de schrijvers vaak hadden kunnen nagaan via de info op de cd, waar vermeld wordt wie wat speelt. Ik ben het beu om te lezen over mijn sopraanspel (ik heb nooit sopraansax gespeeld op een plaat en neem het instrument zelden vast!) of te horen hoe mijn ’altsax het tenorregister opzoekt’ — een fysieke onmogelijkheid die de schrijver had kunnen vermijden als hij in het cd-boekje had gelezen dat ik alt én tenor speel. Ik zou willen dat dit beperkt bleef tot amateurblogs, maar het geldt ook voor ’geloofwaardige’ en welbekende jazzbronnen."

enola: In Hasselt staan jullie samen op de affiche met Digital Primitives. Wat verwacht je daarvan?
Rempis:
"Ik heb ze nooit eerder gezien, maar ik ken de muzikanten wel, en dan vooral drummer Chad Taylor, die van Chicago is. Ik kijk er naar uit om ze aan het werk te zien. Dergelijke combinaties laten heel verschillende aspecten van de muziek horen. Het is een buitenkans voor het publiek om een idee te krijgen van de diversiteit en voor de bands om zich van hun beste kant te laten zien."

The Engines (Dave Rempis, Jeb Bishop, Nate McBride & Tim Daisy) speelt op 28 maart in Kunstencentrum België (Hasselt), samen met Digital Primitives (Cooper-Moore, Assif Tsahar & Chad Taylor). Meer info + tickets via de website van KC België.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

drie × vier =