John Hiatt & Lyle Lovett :: 10 februari 2010, AB

Twee knakkers stappen een podium op en zetten het vervolgens op een ongegeneerd ouwehoeren terwijl ze elk om beurt wat liedjes uit hun mouw schudden. Zo zou je het concert van deze twee klasbakken kunnen omschrijven. Je mag meteen ook de positieve als negatieve bijklank erbij nemen. Het had immers iets van een joviaal, ongedwongen onderonsje, maar je zou net zo goed kunnen stellen dat er niet al te veel moeite gedaan werd om meer te bieden dan nonchalante klasse.

Nu ja, van heren van dit kaliber, die dan wel geen status als Neil Young of Bob Dylan hebben, maar wel centrale figuren zijn binnen de Amerikaanse rootsmuziek van de voorbij decennia, moeten ook geen groots opgezette, hedendaagse projecten en uit hun voegen barstende demonstraties verwacht worden. Bovenal zijn dit immers vakmannen die de edele kunst van het songschrijven heel wat klassiekers en mooie toevoegingen bezorgd hebben. Hiatt was al ruim een decennium vóór zijn kompaan platen aan het opnemen, hun doorbraak maakten de heren echter ongeveer op hetzelfde moment: in de tweede helft van de jaren tachtig, toen het genre al te vaak synoniem stond voor het pijnlijk gepolijste zootje countrypap dat via Nashville de wereld ingestuurd werd.

Enkele evoluties (alt country, een ’back to the roots’-beweging en een doorgevoerde verjonging en revitalisatie van de Americana) zetten het genre de voorbije twintig jaar weer op de kaart. Misschien allemaal één pot nat voor zij die zweren bij bleeps, gietijzeren riffs en abstracte geluidscomposities, maar in de wereld van de twang wordt een variatie geherbergd die het schier onmogelijk maakt om het allemaal op te volgen. Deze variatie zorgt er tegelijkertijd voor dat songs van de ene artiest nooit verward kunnen worden met die van een andere. Net zoals bij Lovett en Hiatt.

Is Hiatt de blue-collar man die via onder andere wave, rock en blues terecht kwam bij het singer-songwriterschap met een forse scheut C&W-invloeden, dan is Lovett een Southern gentlemen, een dandy haast, die grossiert in old school country swing, gospel, bluegrass en de Texaanse school van onder meer Townes Van Zandt en Rodney Crowell die, misschien niet toevallig, ook Houston als thuisbasis hadden. Zijn Hiatts songs regelmatig robuuste brokken die een verrassende fijngevoeligheid verbergen, dan zijn Lovetts schijnbaar eenvoudige frivoliteiten vaak een pak donkerder of tegendraadser dan je zou vermoeden. En humor is nog zoiets waar beide heren zich aan bezondigen.

Het werkte wel, die schijnbaar spontane lulpartijen, waarbij Lovett doorgaans fungeerde als gortdroge aangever, al had je soms ook wel het gevoel dat het ten koste ging van het ritme van het concert. Nochtans werd er een aardige dwarsdoorsnede gegeven van het oeuvre van beide heren. Hiatt liet zijn oude werk (van vóór doorbraakplaat Bring The Family (1987) dan wel achterwege, maar daarover hoeft niet geklaagd te worden. Om de beurt speelden de heren een song: het zorgde voor een constante afwisseling en liet elke keer opnieuw horen hoezeer hun aanpak en stijl verschilt.

Hiatt mocht de spits afbijten met een gejaagde versie van "Perfectly Good Guitar", dat snel daarna gevolgd werd door "Buffalo River Home" uit hetzelfde album. Hoewel de man het voorbije decennium niet minder dan zes albums uitbracht, lag de nadruk vooral bij Master Of Disaster (2005), waar drie songs uit geplukt werden: "Ain’t Ever Goin’ Back", een sterk "Thunderbird" en de oersterk uitgevoerde titeltrack, opgedragen aan wijlen Jim Dickinson. Wilde het aanvankelijk niet écht vlotten, dan ging zijn performance in stijgende lijn, waardoor "Memphis In The Meantime" een hoogtepunt werd. Voordien had "Tennessee Plates", oer-Amerikaanse songsmederij op z’n best, ons ook al over de streep getrokken.

Lovett wist z’n podiumpartner aanvankelijk te overklassen met zijn korte, puntige songs, geplukt uit bijna 25 jaar superieure songschrijverij: oudjes als "Farther Down The Line" en "Cowboy Man" koppelen het beste van Guy Clark aan dat van John Prine, terwijl meer ingetogen recent werk als "I Will Rise Up" en "Natural Forces" een iets minder frivool, maar daarom niet minder geslaagd, geluid liet horen. Ook hij bracht een eerbetoon, met een mooie interpretatie van Vince Bells "The Sun & Moon & Stars". Zijn elastische alt vormde een mooi tegengewicht voor Hiatts schurende stemgeluid, zijn subtiele, melodische gitaarspel een mooie aanvulling bij het akkoordengeweld en de bluesloopjes van zijn collega.

We moesten verstek geven voor het laatste half uur (sneeuwellende en vervoersproblemen, weet u wel), maar wat we zagen, 100 minuten jongens-onder-elkaar-plagerijen en zo’n anderhalf dozijn songs, was vooral aanstekelijk. Het nadeel was dat het iets gratuits had dat ervoor zorgde dat je nu en dan focus miste, waardoor het aantal écht beklijvende momenten op een hand te tellen was. Fijn om dit duo eens aan het werk te zien (je krijgt zo’n verzamelde staat van dienst niet zo vaak gepresenteerd), maar volgende keer graag apart, met eigen band (hoe groter, hoe beter in het geval van Lovett) en iets meer schwung, graag.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in