DOSSIER NOUGHTIES :: De 25 beste platen van het decennium

Hoezo de noughties leverden geen klassiekers af? Wie al eens geprobeerd heeft een top twintig samen te stellen met onvergetelijke platen van de afgelopen tien jaar, weet dat ook dit decennium meer dan zijn deel eeuwigheidswaarde heeft afgeleverd. De goddeaumedewerkers legden al hun lijstjes samen en kwamen tot deze vijfentwintig platen die ze aan het eind van de twenties nog altijd met plezier zullen draaien.

25. Beth Gibbons & Rustin Man :: Out Of Season (2002)

Al vijf jaar was het stil rond Portishead, en niemand rekende er nog op om ooit nieuw werk uit de mond van Beth Gibbons te horen. In 2002 liet de mysterieuze zangeres eeuwig twijfelend Portishead-brein Geoff Barrow dan toch maar alleen in zijn studio achter, om samen met Paul ‘Rustin Man’ Webb (ex-Talk Talk) het tijdloze Out Of Season te maken. Ja, er was nog leven na(ast) Portishead, en het was wondermooi.

Geen spoor van de machines die bij die triphop zo vaak aan de haal gingen met Gibbons’ stem; Out Of Season is de plaat waarop het instrument zich helemaal mag ontplooien, van de zachte opener “Mysteries” tot de duiveluitdrijving “Funny Time Of Year”. Een plaat die geschikt is voor elk seizoen. (mvs)

24. Mauro And The Grooms :: Black Europa (2004)

Het afgelopen decennium bracht Mauro Pawlowski zowat dertig platen uit. Uit zo’n stapel is het vrijwel onmogelijk om dé klassieker te selecteren. Maar als we ons beperken tot de platen die de voormalige Evil Superstar onder eigen naam uitbracht, dan komt bijna automatisch Black Europa bovendrijven als hét album waarmee we ooit ons nageslacht grote ogen zullen laten opzetten. Toegankelijke experimentele rock volgens de ene, metal met een hoek af volgens een andere. Wat er ook van zij, de muziek van Mauro & The Grooms is niet zomaar in een hoekje te duwen. Het enige etiket dat zonder enig voorbehoud op Black Europa kan worden gekleefd, is dat van “onweerstaanbaar.” (jvdb)

23. Bloc Party :: A Weekend In The City (2007)

Het zijn verwarrende tijden, en niemand wist dat het afgelopen decennium beter te vatten dan Bloc Party. Op A Weekend In The City slaagt frontman Kele Okereke erin om het rusteloze leven van de opgejaagde twentysomething in de grootstad — vastgeroest in een kutjob zonder toekomst en met als enige horizon dan maar de door drugs opgepepte feestjes in het weekend — treffend te verwoorden, terwijl hij en passant ook zijn eigen positie als tweedegeneratie-immigrant in vraag stelt.

Het machtigste moment is die donderende gitaarriff, één minuut ver, die de luisteraar langs de snelweg op de hoes mee de nachtelijke stad intrekt. “Disappear here”, leest het bordje net voor we verdwijnen in een maalstroom van verhalen over cocaïneverslaving (“The Prayer”, met zijn daverende beats, het echte drugsgebed “On” … ), jong kuddegedrag (het genadeloze “Uniform”) en racisme (het verscheurende “Where Is Home”). Samen met producer Jacknife Lee zoekt de band de grenzen van een rockgeluid op met sterke elektronische interventies.

Urgent, innovatief, opwindend; beter is Bloc Party nog niet geweest. (mvs)

22. Portishead :: Third (2008)

In de jaren negentig was er geen enkele band als Portishead: nachtkost, verleidelijk, koortsig en een beetje donker. Na een stilte van meer dan een decennium staat de band er plots opnieuw. Niets is veranderd en tegelijkertijd bijna alles. De zwoele vibe heeft plaats geruimd voor een koude, soms sinistere sfeer. Beklemmend, tegendraads, compromisloos, afstandelijk. Keizerlijk ook. Geen enkele band wist zich het voorbije decennium op zo’n schokkende én overtuigende manier opnieuw uit te vinden zonder ook maar een jota aan geloofwaardigheid en overtuigingskracht in te boeten. Meer nog, en we durven dit amper luidop te zeggen: deze Portishead is nog beter dan de oude. (gp)

21. Editors :: An End Has A Start (2007)

“Geruisloos treffender, dieper rakend, en verslavender dan eender welke opflakkerende hype in 2005”, zo beschreef (pn) de komst van Editors met The Back Room in 2005. Daarmee had hij zijn beste kruit al verschoten, want opvolger An End Has A Start was dat twee jaar later allemaal nog eens dubbel. Samen met producer Jacknife Lee (alweer hij) gaf de groep zijn geluid een weidse update, een zin voor epiek die op zijn best resoluut voor het kippenvel ging, en op zijn slechtst nog altijd verschrikkelijk urgent klonk.

Coldplay de nieuwe U2? Als An End Has A Start één ding bewees, dan dat het niet lang zal duren eer Editors die titel met recht zal claimen. (mvs)

20. Gojira :: From Mars To Sirius

De milieuminnende fransozen van Gojira hebben hun legendarische status te danken aan de virtuoze en unieke sound van From Mars To Sirius. “Backbone” en “The Heaviest Matter Of The Universe” klinken als een perfect muzikaal triumviraat van het zwaarste van Meshuggah, het meest technische van Morbid Angel en Death en het meest complexe van Tool. Reken daarbij dat het kwartet nooit verstikkend, stoer of pseudo-intellectueel overkomt.

Het gitaristenduo Joe Duplantier en Christian Andreu heeft bovendien de epische melodieën van good ol’ Metallica en de Gothenburg metal in de vingers en klinkt nog steeds way more boeiender dan de hele Gothenburgscene tesamen. Het meeslepende “Ocean Planet”, geniale “Flying Whales” en wondermooie — een adjectief dat wat onwennig klinkt in metalmiddens — “Global Warming” vormden het breedste muzikale palet. De force de frappe is compleet dankzij de krachtpatserij van bassist Jean-Michel Labadie, de kleine Duplantier op drums en een nineties groove afkomstig van Pantera en Machine Head. Bovendien schreeuwde Gojira een scherpe milieu-aanklacht uit, evenwel zonder de hippiementaliteit. U hebt het waarschijnlijk al gehoord: met From Mars To Sirius doorbraken ze een resem stereotypen.

19. Damien Rice :: O (2003)

Nadat Damien Rice in 1998 genoeg had van zijn bandje Juniper (het huidige Bell X1) en voor hij in 2002 met O zijn eerste soloplaat uitbracht, leefde hij als boer in Toscane en als reizende straatmuzikant in de rest van Europa. Het leverde de mens duidelijk heel wat perspectief op, want O blinkt uit in hopeloze, poëtische schoonheid. Met onder meer een soort dronkemansballad (“Cheers Darlin’”), het hallucinant uitzichtloze, uit de hemel neergedaalde “Cold Water” (“And all I’ve got / Is your hand”) en het niet minder dan epische “Eskimo” bouwde Rice meteen een fanbase op van hardnekkige romantici én gillende pubergrietjes. Dat hij die laatste categorie al eens voor het hoofd durft te stoten met waanzinnige live-arrangementen van zijn doorgaans zo stille songs, spreekt alleen nog meer in ’s mans voordeel. Niemand zong het afgelopen decennium zo doeltreffend over de allesverterende liefde. (md)

18. Sonic Youth :: Sonic Nurse (2004)

Hoeveel bands zorgen met hun veertiende studioplaat voor eenzelfde gevoel van opwinding als tijdens hun begindagen? Weinig. Te weinig, eigenlijk. Hoewel we nog nooit ontgoocheld geweest zijn door een plaat van Sonic Youth, hadden we op die junidag in 2004 niet verwacht dat Sonic Nurse ons zo omver zou blazen. Op die plaat vinden de New Yorkers, met behulp van Jim O’Rourke, de gulden middenweg tussen de aloude gitaaruitbarstingen en subtiele klanktapijten. Voor het eerst sinds Washing Machine uit 1995 heeft Sonic Youth zichzelf overtroffen. We rekenen erop dat dat ook in het nieuwe decennium minstens eenmaal zal gebeuren.

17. Johnny Cash :: American V: A Hundred Highways (2006)

Elke keer dat we deze plaat opleggen, hebben we het gevoel dat het de nummer 1 moet zijn. Hadden de voorgaande volumes soms iets te veel de neiging om krampachtig de hippe regionen op te zoeken, dan laat V een artiest horen die duidelijk op zijn gemak is en zijn ding kan doen zonder belemmeringen. En meer dan “If You Could Read My Mind” hebben we echt niet nodig om opnieuw overtuigd te zijn, achterover gekwakt te worden, het janken nabij. Dit is muziek zo puur als ze kan zijn: emotioneel, naakt, met een Bijbelse grootsheid en waardigheid waar het aanstormende grut nog niet eens aan denkt. Leven en dood verpakt in een van de beste platen van een van de allergrootsten. Monumentaal.(gp)

16. Elbow :: The Seldom Seen Kid (2008)

Na drie niet minder dan uitstekende albums was het dan eindelijk tijd voor Elbows grote doorbraak. Geholpen door de vertwijfelde levenslust van “One Day Like This” werd het clubje fans van Elbows virtuoze songschrijverij in 2008 gestaag groter. Na jaren ploeteren in de marge en aangedaan door de dood van een goede vriend, lijkt de band zich gelaten doorheen de songs te spelen en klinkt The Seldom Seen Kid aanvankelijk als een welkome verzameling nieuwe Elbow-songs zonder echte uitschieters. Twee jaar na de release is echter duidelijk dat het een meesterwerk is. (mvm)

15. Death Cab For Cutie :: Transatlanticism (2003)

Als Death Cab For Cutie vandaag de roerganger van de indiepop is, dan heeft de groep dat te danken aan dit doorbraakalbum, dat we in een onbewaakt moment zelfs het Nevermind van zijn genre zouden durven te noemen. Hoe Ben Gibbard in de titeltrack, een tragische parabel over uit elkaar groeien, eerst een keer of acht “I need you so much closer” zingt, gitaar en drum stil sluipend naar een climax, en daarna losbarst in “So come on”: het katapulteerde Death Cab in een klap naar de immens populaire The OC-regionen, waardoor er tegenwoordig bakvissen op het AB-podium kruipen tijdens een Death Cab-concert en Gibbard met Zooey Deschanel mag trouwen. Lucky bastard. (md)

14. Sigur Rós :: Takk… (2005)

Nu de natuurpracht van IJsland dreigt te verdwijnen in de schaduw van schadelijke aluminiumsmelterijen, komen uithangborden als Björk en Sigur Rós in actie, want “onze natuur is al wat we hebben hier.” Niet zo bescheiden, de muziek mag er ook zijn, niet in het minst de verzameling moois op Takk…, uiteraard geïnspireerd door de weidse landschappen vol watervallen en geisers.

De plaat bewijst ook dat schoonheid niet moet worden opgeofferd voor toegankelijkheid. In “Glósóli” (“Gloeiende Ondergrond”) wordt de strijkstok bovengehaald en een episch geluid uitgespreid dat als prille liefde maar toch vertrouwd aanvoelt. De band onderdrukt zijn uitbundigheid niet langer, een gevoel dat zich verder doorzet op Med Sud I Eyrum Vid Spilum Endalaust. Een bedankje is hier wel op zijn plaats! (jp)

13. The Strokes :: Is This It (2001)

ZEIKPLAAT! Over het paard getilde designrock! Platte adolescentenpap! Weinig platen hebben het in onze omgeving zo hard te verduren gekregen als Is This It van The Strokes. Maar hey, het is wat flauw om dit kwintet verantwoordelijk te stellen voor de duizenden bandjes met minder talent die ze in hun zog meesleepten. Want dat is uiteindelijk ook het enige dat hen te verwijten viel (die flauwe tweede en derde plaat buiten beschouwing gelaten). De looks van Johnny Thunders, de cool van Lou Reed en een voorliefde voor vetvrije songs die rechtstreeks van bij The Ramones komt. Goede songs bovendien, spits en sexy, met een kop, staart en gewoonlijk ook een knoert van een refrein. Is This It kan nog even mee. (gp)

12. Joanna Newsom :: Ys (2006)

5 Songs, 55 Minuten, 4000 woorden: het langs alle kanten overdonderende Ys heeft alle allures van een levenswerk. Enkel Joanna Newsoms jeugdige leeftijd (ze was 24 toen ze het album opnam) spreekt het tegen. Ys is een plaat voor de eeuwigheid: niet enkel omdat Newsom de edele kunst van het songschrijven hier op een razend doeltreffende manier combineert met een onmiskenbaar vakmanschap, evengoed omdat je er waarschijnlijk letterlijk eindeloos lang nieuwe dingen in kan ontdekken. Case in point: “Only Skin”, het nummer dat 17 minuten lang speelde terwijl we op dit stukje aan het broeden waren en zo’n keer of 5, 6 van ritme, intensiteit en vocale aanpak veranderde. En dan hebben we het nog niet gehad over het rijke vocabularium waarmee Newsom haar epische verhalen vertelt. In tegenstelling tot de mythische Bretoense stad waar de plaat naar vernoemd is, zal Ys nooit verzuipen. (md)

11. Radiohead :: In Rainbows (2007)

Toen Radiohead midden jaren negentig doorbrak met het anthem “Creep”, dacht iedereen dat het om een lucky shot ging. Drie jaar later gaven de vijf Britten de criticasters lik op stuk. OK Computer werd een mijlpaal in de hedendaagse popmuziek. Toen werkelijk iedereen uit de handen van Yorke en co at, hing de groep de gitaren aan de haak en experimenteerde hij volop met elektronica. Het tweeluik Kid A en Amnesiac werd stuk geanalyseerd, keutelachtige redekavelingen over de vorm werden tot in de eindigheid gevoerd, maar de inhoud werd al te vaak vergeten. De groep zelf diende met het makke Hail To The Thief van repliek. De Radiohead-storm ging voor het eerst sinds lang liggen, maar twee jaar geleden — alweer wanneer net niemand het nog verwachtte — was daar plots In Rainbows. Onaangekondigd, helemaal gratis. Zonder anthems, zonder dwarsdoenerij. Er moest maar weer eens worden geluisterd in plaats van geluld. En wie dat deed, ontdekte tien beangstigend perfecte nummers van de beste groep van deze tijd. (mb)

10. Godspeed You Black Emperor! :: Lift Your Skinny Fists Like Antennas To Heaven (2000)

“There was a playground here. They called it the playground of the world. But they don’t sleep anymore on the beach”, schudt de oude man mistroostig het hoofd en een gitaar begint een klaaglied dat strijkers dra overnemen. Weemoedig bouwt alles op naar een versnelling die weer uitloopt in echo en een tweede beweging. Op het netvlies passeren zwart-grijze beelden van eenzame landschappen, de muziek vertelt het verhaal van onzichtbare ruïnes. Lift Your Skinny Fists Like Antennas To Heaven schetste, kort voor twee vliegtuigen dat eventjes heel duidelijk maakten, een wereld die moreel failliet was, waarin woorden per definitie corrupt waren en enkel instrumentale muziek met een eventueel crescendo een moment van troost kon brengen.

Nog geen twee jaar later was zelfs dat niet meer mogelijk en moest frontman Efrim Menuck toch naar het woord grijpen om zijn machteloosheid uit te drukken met A Silver Mount Zion. Lift Your Skinny Fists is echter het definitieve magnum opus; de slotsom van tien jaar “einde van de geschiedenis en overwinning van het kapitalisme”: een symfonie voor een gefaalde maatschappij, voor de mensen aan de onderkant die van de zegeningen niets merkten. Het was Cassandra’s onheilsvoorspelling die wees op de onvermijdelijke toekomst. (mvs)

9. Sufjan Stevens :: Illinois (2005)

Sufjan Stevens is een Man Met Een Missie: in 2003 vatte de man met de Perzische voornaam het even cunning als crazy plan op aan ieder van de vijftig staten van de U.S. of A. een plaat te wijden. Vandaag staat Sufjans statenplaat-teller op twee: na home state Michigan kwam al ras Obama’s Illinois. Sindsdien is het wachten op de volgende aflevering in dit fascinerende vervolgverhaal.

We hebben de voorbije jaren geen plaat méér gekoesterd en geprezen dan deze Illinois en hebben daar vier jaar verder nog geen greintje spijt van. In afwisselend jubelende, extatische opussen — stelt u zich de weelderige orchestraties van Van Dyke Parks met het minimalisme van Steve Reich als sparring partner voor — en kleine, haast aan hun eigen broosheid ten onder gaande liedjes verhaalt Sufjan als een ware Bob Dylan van de jaren nul over de landmarks en natives van Illinois: van de Sears Tower over Abraham Lincoln naar Superman. Die onthutsend mooie collectie kroniekjes is echter maar een kapstok om een Groter Verhaal aan op te hangen: een verhaal over Amerika, belofte, vreugde en verdriet. Sufjan groet de dingen en wij groeten hem, dankbaar voor zoveel moois. (tvb)

8. Bright Eyes :: I’m Wide Awake, It’s Morning (2005)

Twee platen bracht Connor Oberst in 2005 op één dag uit. Daarvan was het niet het met elektronica stoeiende Digital Ash In A Digital Urn dat potten brak, maar het bij de traditionele americana aanknopende I’m Wide Awake, It’s Morning. En dat had zo zijn redenen. Dat Oberst tot de beste songschrijvers van zijn generatie behoort, en zijn nummers dat soort digitale toeters en bellen niet nodig hebben.

Maar vooral: dat dit de muziek is die Oberst begreep. Beïnvloed door Dylan, Graham Parsons en andere grootheden, ademt de op dat moment 24-jarige (maar wel al ettelijke albums op zijn naam hebbende) Nebraskaan de grote traditie, maar tegelijkertijd grijpt hij deze tijden bij het nekvel. Dit waren de Bushjaren, tijden van ongerechtvaardigde oorlogen, en dat vertaalde zich in opruiende songs als “At The Bottom Of Everything” en “Landlocked Blues”, met Emmylou Harris op backings. Ze zal dat ook doen op het briljante walsje “We Are Nowhere And It’s Now”. Maar het is het kale “Lua” dat het donkere hart van het album vormt: een dronken nachtelijke wandeling huiswaarts met de ontnuchtering al in gedachten, al tastbaar tussen beide protagonisten in. Eén van de klassieke platen van de noughties. (mvs)

7. Queens Of The Stone Age :: Songs For The Deaf (2002)

Steek het genie en de nar van Kyuss, de hardst kloppende rockdrummer van zijn generatie en de nachtburgemeester van de rock-‘n-roll bij elkaar en het resultaat is een van de beste hardrockplaten van de voorbije twintig jaar. Dat het album nooit de status van een Nevermind bereikte, heeft enkel te maken met het feit dat hier geen pijn gedeeld wordt, geen persoonlijk verhaal te rapen valt en geen zelfmoord gepleegd wordt. Riffs en de verzengende kracht van vier kerels die een uurtje graniet op een schijf zetten. Gortdroog (die sound!), catchy (die songs!) en eigenlijk ook heavy as fuck (!), Songs For The Deaf schaart zich in het koninklijke gezelschap van Fun House, Let There Be Rock enReign In Blood. (gp)

6. Sigur Ros :: ( ) (2002)

Agaetis Birjun werd opgewonden in cd-spelers geschoven met de woorden “Dit moet je horen. Zoiets heb je nog nooit gehoord.” Het iets gepolijstere geluid van Takk… (welkom, songstructuren!) vond 6 jaar later ad nauseam zijn weg naar natuurdocumentaires, gevoelige studentenstereo’s en steeds grotere festivalpodia. Maar het echte meesterwerk van Sigur Ros kwam daartussen, volledig naamloos (de echte albumtitel is de leegte tussen de haakjes) en opgebouwd als twee lange postrocksuites. 70 minuten kabbelend van weids en dromerig naar donker en nerveus tot de verpletterende finale. Het geluid van vier elfjes uit IJsland die de postrock de vernieling in spelen. (mvm)

5. The Knife :: Silent Shout (2006)

Zo donker komen ze zelden. In hetzelfde jaar dat José Gonzalez hun “Heartbeats” reduceerde tot een onschuldig mooi zwijmelliedje, pakte The Knife uit met een beklemmende plaat die alle noties van radiovriendelijkheid vierkant de nek omwrong. Silent Shout is één lange elektronische trip door de vreemde gedachtenwereld van broer en zus Dreijer.

Van bij de eerste schrille tonen van de titelsong tot de laatste klanken van “Still Light” snijdt het Zweedse duo de adem af; ja dit is dansmuziek, maar dan van een heel bijzondere, inventieve soort; eentje dat kilte met menselijkheid wist te rijmen en absurdistische vertelsels een gevoelswaarde wist mee te geven.

Silent Shout is met nadruk een Plaat; zo’n artistiek coherent geheel waar één visie achter schuilgaat. En dat wist de groep ook live uit te dragen, met optredens die de grens met performancetheater en beeldende kunst opzochten. Het was briljant. Silent Shout is dat nog steeds. (mvs)

4. The National :: Boxer (2007)

Boxer begint met een weids galmend, enigszins weifelend pianootje waar Matt Berninger’s bariton zich omheen wentelt. Na anderhalve minuut breekt Bryan Devendorf met enkele slimme drumfills “Fake Empire” open, waarna de song zich met blazers en strijkers naar een climax werkt. Drie immens verslavende minuten, waardoor een mens bijna vergeet om naar de rest van Boxer te luisteren. Het is een album vol beheerste genialiteit, subtiele accenten en net ingehouden woede en dedain. Een album dat even subtiel en onverwacht als zijn openingstrack bij elke beluistering onmisbaarder wordt. (mvm)

3. Antony and the Johnsons :: I Am A Bird Now (2004)

Weinigen hadden hem zien aankomen, nog minder volk had verwacht dat iedereen overstag zou gaan voor de klaagzangen van een wat plompe travestiet met de stem van een nachtegaal. Culturo’s, huismoeders, klassiekliefhebbers, metalkerels, BV’s: allemaal plengden ze een traan bij “Hope There’s Someone”, “You Are My Sister” en “Fistful Of Love”, barokke kamerpop die compleet hors catégorie was en is. De plaat is theatraal, bombastisch en verwijfd, maar tegelijkertijd zo verdomd mooi en recht naar het hart. Staat u ons toe om in herhaling te vallen: klinken als een geslagen hond, het gebeurde nooit zo triomfantelijk als op I Am A Bird Now. (gp)

2. Tool :: Lateralus (2001)

Vóór 2001 voerden Toolfans verhitte discussies over het feit of Undertow dan wel AEnima het beste album van de band was. Het meesterwerk Lateralus zorgde er voor dat die disputen voortaan gingen over wat nu eigenlijk hun tweede beste plaat was. Want laat u niets wijsmaken: ondanks de stempel ’gewank’ die de band soms krijgt of de bleke score van 1.9 die Pitchfork er aan gaf, is Lateralus een van de invloedrijkste platen uit de jaren nullekes.

Toolplaten zijn geen jaarlijks abonnement, de band neemt steeds ettelijke jaren de tijd om iets nieuws af te leveren. Dat schept verwachtingen, die de band hier met de glimlach (hoewel?) inlost. Oosterse invloeden, gedisciplineerde opbouwen en complexe riffs en drumfills binden Lateralus stevig aan elkaar. “Schism” kent iedereen van de radio maar krachttoeren als “Parabola”, “Lateralis” of “Reflection” zijn niets minder dan machtige bitchslaps in het gezicht van de schepper. (jp)

1. Arcade Fire :: Funeral

Zelden een plaat gehoord die zo barstte van de levensdrift als Funeral, de eerste langspeler van Arcade Fire. Het veelkoppige gezelschap uit Montreal deed de wereld even stilstaan toen het Funeral in de herfst van 2004 uitbracht. De plaat voert de luisteraar naar een parellel universum, waar schoonheid de boventoon voert, zelfs op momenten dat er tranen aan te pas komen. De intensiteit van Funeral is dan ook zelden geëvenaard, ook niet door Arcade Fire zelf. Maar wat de band ook uitbrengt in de toekomst, tot het einde der tijden kan Arcade Fire bogen op Funeral, een plaat die als geen ander onze noughties een pak draaglijker maakte. (jvdb)

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

twaalf − 2 =