Jazz Classic – John Coltrane :: Olé Coltrane


Atlantic, 1961

Het is moeilijk om de muziek van John Coltrane te beluisteren
zonder een blik te werpen op zijn korte maar bewogen leven. De
saxofoonspeler speelde zowat samen met alle grote jazzmuzikanten,
waaronder Miles Davis en Thelonious Monk, alvorens zijn eigen
ensemble op te richten. Coltrane wordt vaak geassocieerd met
overmatig drank- en drugsgebruik, ongezonde gewoonten die
resulteerden in een definitieve breuk met Miles Davis en een
aanslepende leverkanker die hem in 1967 fataal werd. In de periode
daartussen veranderde de stijl van Coltrane. Hij begon met bebop en
hardbop in de jaren vijftig, om later te evolueren naar
experimentele of avant-gardistische free jazz. Samen met Ornette
Coleman wordt hij tot op heden nog steeds beschouwd als een van de
pioniers in dat genre.

In 1961 stapte Coltrane over naar het nieuwe Impulse! Records. Net
daarvoor bracht John Coltrane nog een album uit bij Atlantic
Records, de platenfirma waarbij hij enkele jaren eerder een
klassieker als ‘Giant Steps’ had uitgebracht. Het
exotisch-geïnspireerde ‘Olé Coltrane’ was vooral een reactie op
‘Sketches of Spain’, de plaat die Miles Davis maakte met Gil Evans
en in 1960 werd uitgegeven door Columbia Records. Net zoals Davis
probeerde Coltrane aansluiting te zoeken bij de Spaanse (of
Latijnse) muziekwereld, door gebruik te maken van zuiderse ritmes
en stijlfiguren. Het album was een onderdeel in Coltranes zoektocht
naar muzikale vernieuwing op het vlak van melodie, ritme en
techniek. Een expeditie naar de experimentele muziek die –
opvallend genoeg – gelijktijdig verliep met zijn frequent gebruik
van alcohol en drugs.

Het ensemble voor ‘Olé Coltrane’ bestond naast de saxofoonspeler
ook uit Eric Dolphy, McCoy Tyner, Reggie Workman, Elvin Jones en
Freddie Hubbard. Vooral (de in 2008 overleden) Hubbard zou later
nog experimenteren met Latijnse muziek en een aanzienlijke rol
spelen in de moderne jazz, hoewel hij nooit hetzelfde statuut
bereikte als Miles Davis of Dizzy Gillespie. Interessant om te
vermelden is dat Coltrane op dit album (net zoals in zijn volledige
Atlantic periode) altijd op een sopraansaxofoon speelde. Nochtans
is hij voornamelijk bekend vanwege zijn tenorsaxofoon, die ook zijn
voorkeur genoot. ‘Olé Coltrane’ bevat vier tracks, waarbij het
titelnummer ‘Olé’ als het belangrijkste wordt beschouwd. Het is het
langst durende nummer dat hij tijdens zijn periode bij Atlantic
Records heeft opgenomen.

Bij het openingsnummer ‘Olé’ zijn de Spaanse invloeden sterk
aanwezig. De compositie is langgerekt zodat elk instrument
voldoende tijd krijgt om zijn sologedeelte uit te werken. Er wordt
ook sterk de nadruk gelegd op het ritme, dat vooral wordt verzorgd
door de drums en de bas. Een grote brok wordt uitgevoerd door de
trompet en de piano, die er beiden in slagen om met een sterke
dynamiek het geheel toch luisterrijk te houden. Vooral de piano
vervult uitstekend zijn rol als bindmiddel voor de compositie.
Opmerkelijk zijn ook de kleine experimenten van de bas: zo wordt er
geëxperimenteerd met nieuwe geluiden (hoge tonen) en andere
speeltechnieken die de muziek een extra toets geven. Het
leeuwendeel blijft echter voor de rekening van Coltranes saxofoon.
Die klinkt heel expressief, op het schreeuwerige af, en wisselt de
noten heel snel af, iets wat regelmatig aanwezig is in het werk van
Coltrane. Het afhaspelen van toonladders is echter niet afstotelijk
of wansmakelijk, het werkt integendeel heel goed samen met de
andere melodielijnen. Het centrale motief wordt door elk instrument
op eigen wijze uitgewerkt, wat ‘Olé’ een eigenzinnig en origineel
muziekstuk maakt.

Na het titelnummer hebben we met een ‘Dahomey Dance’ een track die
meer aansluiting zoekt bij het oudere werk van Coltrane. Er zijn
heel wat gelijkenissen met de muziek van het Miles Davis Quintet
uit de jaren vijftig. Net als in ‘Olé’ maakt Coltrane ook hier
gebruikt van zijn snel afwisselende speelstijl, die wordt opgesmukt
met heel wat blue notes. De trompet is in tegenstelling
tot in het voorgaande nummer minder overtuigend dan de saxofoon. In
het tweede deel van de compositie is er een poging van de saxofoon
om het klassieke patroon met een vrijere opstelling te doorbreken,
maar het resultaat is weinig overtuigend. Die foute inschatting
wordt verder hersteld door een interessant slot met een erg
aangenaam pianostuk. Op het einde wordt de oorspronkelijke aanzet
opnieuw opgenomen en eindigt ‘Dahomey Dance’ met een traditioneel
slot.

Zowel ‘Aïsha’ als ‘To Her Ladyship’ zijn twee ballades die men kan
vergelijken met het bekende werk van Coltrane. Beide composities
bevatten echter enkele leuke en eigenzinnige wendingen. Vooral de
trompet laat een goede indruk na, met een warm en zacht timbre dat
bijzonder past in deze meer ingetogen setting. Coltranes saxofoon
is misschien net iets te scherp en expressief en staat daarmee in
contrast met het gemoedelijke tempo van de muziek. Het
pianogedeelte neemt daarna grotendeels de motieven van de saxofoon
over. Bij ‘Aïsha’ is er ook een kleine rol voor de fluit weggelegd,
bespeeld door Eric Dolphy. Het is een enigszins vreemde keuze om
twee gelijkaardige nummers na elkaar te plaatsen, hoewel ‘To Her
Ladyship’ eigenlijk een bonus track is. Het experimentele karakter
van ‘Olé’ is hier minder aanwezig, en dat mag toch als een gemiste
kans worden beschouwd.

Het album is, ondanks enkele schoonheidsfoutjes, een zeer
waardevolle luisterervaring. ‘Olé Coltrane’ bevindt zich op het
kruispunt tussen traditionele jazz en de jonge en zich net
ontwikkelende free jazz. Met een uitmuntende openingstrack, een
knipoog naar de Spaanstalige wereld en hoog geprezen ballades, is
dit ideale instap in het leven en werk van John Coltrane. Aanrader
om te (her)ontdekken!

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

4 × twee =