Kasabian :: West Ryder Pauper Lunatic Asylum

Sony, 2009

Wanneer Sergio Pizzorno – zelfverklaard genie en muzikaal leider
van Kasabian, een band die zacht uitgedrukt bulkt van het geloof in
eigen kunnen – zijn nieuwe plaat probeert te slijten als een
‘conceptplaat’ en als ‘de soundtrack’ bij een onbestaande film, dan
aarzelen we geen seconde om zo snel mogelijk ‘alarmfase rood’ af te
kondigen. De vorige Kasabian-plaat werd twee jaar geleden ook al
met veel bombarie aangekondigd, maar in vergelijking met het nu al
legendarische debuut was ‘Empire’ jammer genoeg niet over de hele
lijn een meevaller.

Met het succes van Kasabian is het sinds het ontstaan in 1999 (toen
nog als Saracuse) nochtans alleen maar crescendo gegaan. Het
titelloze debuut verscheen in 2004, op een ideaal moment. The
Libertines – Engelands Hoop In Bange Dagen – lagen zo goed als op
hun gat, ‘nieuwlichters’ Bloc Party, Kaiser Chiefs, Maxïmo Park en
tutti quanti zouden pas in 2005 hun eersteling uitbrengen.
Tussen het toeren door werd in 2007 vierklauwens ‘Empire‘ opgenomen, voor de derde cd – de plaat waarop
je wordt afgerekend, dixit Pizzorno – besloot de groep niet over
één nacht ijs te gaan.

Terwijl de andere groepsleden – zanger Tom Meighan, bassist Chris
Edwards en drummer Ian Matthews – genoten van een welverdiende
rust, pende zanger-gitarist Pizzorno de nummers voor dat derde
album bij elkaar. Sneller dan aanvankelijk was vooropgesteld, werd
de rest van de band bij elkaar gefloten om de nieuwe songs in te
blikken. Wat volgt mag gerust een historisch moment worden genoemd:
de groep was niet helemaal zeker of het album wel goed genoeg was.
Pizzorno zocht vervolgens Dan the Automator (zie ook Gorillaz) op,
om er samen de overbodige laagjes af te krabben en een uitgepuurd
album over te houden.

Daar zijn de twee in geslaagd. De plaat klinkt als volbloed
Kasabian, wat wil zeggen dat de songs – meestal op stadionformaat –
nog steeds grommen als vervaarlijke buldogs en doorspekt werden
met een streep elektronica, knallende beats en anthemische
refreinen. Het grote verschil is echter dat alles nu veel beter
gedoseerd is, dat er opvallend veel rustpunten opduiken en dat de
band zelfs bewijst ook met de nodige subtiliteit uit de hoek te
komen.

‘West Ryder Pauper Lunatic Asylum’ is een plaat die je in één ruk
moet uitzitten, (nogmaals) aldus Pizzorno. Voor één keer zijn we
het niét eens met de man uit Leicester. Bij onze eerste
luisterbeurten hadden we er zelfs moeite mee om de hele plaat van
begin tot einde uit te zitten, en hopten we van hoogtepunt naar
hoogtepunt. Pas na een half dozijn beluisteringen zagen we licht in
de duisternis en lukte het ons de plaat inderdaad als geheel naar
waarde te schatten.

Onder de noemer hoogtepunt viel van meet af aan ‘Where Did All the
Love Go’, een nummer dat begint met een beat als een veel te
strakke jeans, waarvan knopen en naden echter meteen openspringen
in het aanstekelijke, meezingbare refrein. Andere nummers waar we
al snel aan wenden, gewoon omdat ze het meest verwant zijn aan het
oudere werk, zijn ‘Fast Fuse’ (voorzien van een rudimentaire, ruwe
riff) en het stompende ‘Vlad the Impaler’.

Bij elke nieuwe beluistering waren er echter meer songs die kwamen
aansluiten bij deze kopgroep, songs die een veel subtielere groep
laten horen dan we op basis van de eerste twee platen hadden
verwacht. Zo staan er met ‘Thick As Thieves’ en ‘West Ryder Silver
Bullet’ zelfs songs op met een vrij hoog kampvuurgehalte, zij het
dan dat de eerste werd vermengd met een scheut psychedelica en de
tweede klinkt alsof hij van de soundtrack van een gestoorde
westernfilm werd geplukt.

Kasabian moffelde ook deze keer behoorlijk wat jaren ’60-elementen
in de songs, zonder dat die ‘retro’ aandoen. Die liefde voor de
sixties uit zich niet alleen in de oosterse strijkers en
in de psychedelische elementen, maar ook in de bij wijlen
Beatlesque samenzang. Een Engelse recensent vergeleek deze
plaat zelfs met ‘Their Satanic Majesties Request’ van The Rolling
Stones en dat was deze keer bedoeld als een compliment.

Kasabian werd van bij het begin vergeleken met Oasis
(meezinggehalte, attitude), The Stone Roses (’60s-referenties,
zelfvertrouwen) en de Primal Scream ten tijde van ‘Screamadelica’
(afsluitende ballad ‘Happiness’ klinkt ook als Primal Scream dat de
Rolling Stones imiteert). Die drie bands (en hun respectieve
voorbeelden) gelden nog steeds als de referenties, maar Kasabian
bewijst met ‘West Ryder Pauper Lunatic Asylum’ over voldoende
songschrijftalent te beschikken om te kunnen spreken over een band
met een eigen identiteit, een eigen smoel en een eigen sound.

www.kasabian.co.uk
www.myspace.com/kasabian

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

drie + 19 =