The Enemy :: Music For The People

Het tweede album van The Enemy moet u gehoord hebben. Om verbaasd te zijn dat dit album ook gereleased geraakt en dat mensen (betaald worden om te doen alsof ze) er het tweede meesterwerk van deze Britse sensatie in horen. Maar vooral omdat het ook een beetje Spinal Tap is.

Twee jaar geleden wist The Enemy te charmeren met zijn aardige debuutalbum We Live And Die In These Towns: een meer dan behoorlijke moderne versie van The Jam. Jeugdige branie, catchy punkpop en enkele huizenhoge refreinen. De wereld knorde even goedkeurend en lag er verder niet bepaald wakker van. In Engeland werden de bandleden echter binnen gehaald als de nieuwe helden van het volk en de zoveelste grote belofte voor de toekomst.

En dan volgt de echte test voor beloftevolle jong groepjes: gaan ze zelf in de hype geloven, of houden ze de voeten op de grond? Bij The Enemy zijn ze helaas in de eigen hype gaan geloven en ruilden ze het sociaal-realisme van het debuut in voor overdreven productie en vooral een reeks middelmatige songs die ze schaamteloos bij elkaar gepikt hebben.

De boel begint al mateloos pretentieus met een lange intro vol feedback en aanzwellende strijkers, die overgaat in de derdehandse Who van “Elephant Song”, waarin Tom Clarke erg overtuigd van zijn eigen belangrijkheid “a million people living a lie” loopt te zingen. Mocht het niet zo schrijnend echt zijn, het was spitse cringe-comedy. Twee songs lang blijft het album nog een passabele mislukking, maar vanaf track vier kan een beetje muziekliefhebber enkel nog schuimbekken of de slappe lach krijgen.

“Sing When You're In Love” combineert een hoop stadiorockmaniërismen met het laatste toefje Jam-credibiliteit dat The Enemy nog heeft tot een draak van een nummer. “Last Goodbye” is dan weer een hilarische poging tot een Verve-ballad, maar een lading strijkers en een genante imitatie van Ashcrofts zangstijl zijn niet genoeg om ook maar even te boeien. “Nation Of Checkout Girls” klinkt éven veelbelovend, tot je doorhebt dat het een schaamteloze kopie van Pulp's “Common People” is. Maar ze kennen ook hun echte klassiekers: “Don't Break The Red Tape” heeft veel te dicht bij “London Calling” gelegen.

Het zou hilarisch zijn, mocht er geen tijd en geld verspild zijn aan het maken van Music For The People. Luisterend naar dit album kan je je alleen maar afvragen waarom er geen producer of platenfirmapersoon heeft ingegrepen. Tom Clarke en de lads even melden dat ze zich belachelijk gaan maken. Dat ze misschien wel de kopieerzucht en working class achtergrond met Noel Gallagher delen, maar niet het talent om er ook goeie songs van te maken. Dat strijkers, dertig extra sporen en iets teveel overdubs een slecht idee niet plots goed maken.

En zolang niemand zijn zuurverdiende geld aan dit plaatje weggooit, is het vooral schrijnend voor Tom Clarke en zijn groep zelf. We Live And Die In These Towns is nog steeds een aardig punkplaatje van een beloftevolle groep. Als ze niet in alle lof die hen werd toegewaaid, waren gaan geloven, hadden ze de belofte kunnen waarmaken. Nu dreigt de band van de top van de charts en fijne society feestjes terug in zijn uitzichtloze slaapstadje terecht te komen. Gespeeld en verloren.

Alle teergevoeligheid terzijde: het maakt van Music For The People geen minder overgeproducete, hoop matige rommel. Hopelijk kan The Enemy op een derde album dan toch bevestigen, maar het lijkt erop dat de Briste hypemachine weer een aardig groepje de hemel heeft ingeschreven, om ze dan met een flinke smak weer tegen het asfalt laten knallen.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

vier × 1 =