William Elliot Whitmore + Alela Diane :: 7 april 2009, AB

Wie de voorbije twee jaar Alela Diane niet in een concertzaal of een festivalweide aan het werk zag, heeft wel heel erg hard zijn best gedaan om de nieuwe hoop van folkrock te ontwijken. Toch was elk zaaloptreden anders, omdat ze bij elke show wel meer mensen leek mee te hebben.

Ditmaal heeft ze naast Alina Hardin en haar pa (Tom Menig) ook Hardins vriendje op de drums (die er in Gent ook al bij was) en haar eigen liefje Ben meegebracht. Die laatste mag als eenmansreïncarnatie van de Osmonds, inclusief veel te strakke broek, al bassend dromen van de blanke funkgroep waarin hij voor de choreografie verantwoordelijk was. Dient het gezegd te worden dat hij zichzelf vooral onnodig maakt? Ook de drummer, zonder ergerlijke podiummaniertjes, weet weinig toe te voegen aan het geheel.

Alela Diane blijft vooral bekoren wanneer ze louter met pa en beste vriendin het podium deelt. Het beste bewijs daarvoor wordt geleverd bij de aanvang van de show met “Age Old Blue”, “Lady Divine” en “Tatted Lace” die ze respectievelijk alleen, met Hardin en met pa en vriendje brengt. De keuze voor drie nummers uit de recent verschenen plaat To Be Still is overigens niet toevallig. Alela Diane zal deze avond de set volledig rond deze plaat opbouwen.

Wie hoopt op nummers uit The Pirate’s Gospel moet zowat de hele laatste plaat uitzweten alvorens hij getrakteerd wordt op “Oh! My Mama” en (uiteraard) “Tired Feet”. Tijdens de bisnummers volgen het al even obligate “The Rifle” en “The Pirate’s Gospel”, dat laatste jammer genoeg met te veel uit de maat klappende publieksparticipatie die bij een simpele stadionstamper geenszins stoort maar hier vooral het nummer schaamteloos verkracht.

En toch was het optreden meer dan de moeite waard om de eenvoudige reden dat de nummers op To Be Still nog steeds zowat negentig procent van de competitie achter zich laten en omdat Alela Diane — ondanks haar best wel schelle stem — de songs met zo veel emotie en oprechtheid weet te brengen dat zelfs de stenen aan het huilen slaan. Bovendien is The Pirate’s Gospel kapot gespeeld zodat het zowaar een verademing is om eens andere nummers te horen, zelfs al zouden die dan gebaat zijn bij een spaarzamere invulling.

Ook voorprogramma William Elliot Whitmore put — zij het niet alleen — uit zijn laatste plaat, met dat verschil dat Animals In The Dark vooralsnog niet onder hoeft te doen voor het oudere werk dankzij songs als “Old Devils”, “There’s Hope For You Yet” en “Who Stole The Soul”. In tegenstelling tot Alela Diane blijft Whitmore live zweren bij solosets op banjo en gitaar, waarbij de nummers gereduceerd worden tot hun essentie. Zijn opvallende zangstem (Whitmore klinkt als een oude bluesneger die zijn stembanden dagelijks weekt in whisky) verleent de songs daarenboven een authentiek karakter dat rechtstreeks naar de Appalachen anno 1930 lonkt.

Twee jaar geleden speelde Whitmore nog moeiteloos het hoofdprogramma (Campbell en Lanegan) naar huis, ditmaal zijn beide acts aan elkaar gewaagd. Waar Whitmore voor de pure eenvoud kiest, geeft Alela Diane de songs wat meer ruimte zonder echter de traditie waaruit ze komt te verloochenen. Het beste bewijs daarvoor vormt de indrukwekkende versie van de traditional “Matty Groves” (zie ook Fairport Convention).

Alela Diane is, zoals ze in het verleden bewees, beter af zonder band (lees zonder drummer en vervelende bassist) maar ook met die “handicaps” blijven haar songs live (en op plaat) ontroeren en begeesteren. Samen met Whitmore bewijst en bevestigt ze deze avond opnieuw dat traditie geen vies of achterhaald woord hoeft te zijn, zolang men er maar een eigen invulling aan geeft. Vier keer in twee jaar tijd of daaromtrent? Wie maalt daarom als ze dit niveau blijft halen.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

1 + 18 =