Hunger

Soms heb je een outsider nodig om de grenzen van de cinema open
te breken. Toen kunstenaar Steve McQueen zijn controversiële
‘Hunger’ voorstelde op het filmfestival van Cannes, kreeg hij niet
alleen afkeurend gemompel, bakken vol lof, maar ook de Camera d’or
voor beste regiedebuut. Absoluut terecht, want ‘Hunger’ is een
onthutsende registratie van de laatste dagen van gepassioneerd
IRA-lid Bobby Sands en zijn eis om behandeld te worden als
politieke gevangene. Een gevecht waarbij hij letterlijk zijn
lichaam in de strijd gooide alvorens hij bezweek na een uitputtende
hongerstaking. McQueen brengt de schrijnende lijdensweg even
origineel, poëtisch als schokkend op het scherm en laat de
grotendeels dialoogvrije beelden met een ongeziene visuele kracht
op het netvlies branden. Geen film waar je op wolkjes van gaat
zweven, maar eentje waar je compleet groggy de zaal uitstrompelt
met een loodzwaar, maar bevredigd gevoel in de maag.

McQueen slaat voor zijn debuut één van de meest pijnlijke
bladzijdes uit de recente Brits-Ierse politieke geschiedenis open.
Belfast, 1981. In de beruchte Maze-gevangenis (Long Kesh)
protesteren leden van de IRA-beweging tegen de onmenselijke
behandeling die ze krijgen van de Britse bewakers. Eén van die
bewakers verlaat angstig zijn woning en hoopt dat de terroristen
geen bom onder zijn bolide hebben geplaatst. In de hel van Long
Kesh weigert een nieuweling om het plunje van een gevangene aan te
trekken. Hij wordt gelabeld als een non-conformist en in een met
uitwerpselen besmeurde cel gegooid. Pas na een half uur verschijnt
hoofdpersonage Bobby Sands (Michael Fassbender) tijdens een gevecht
met bewakers. Wanneer de brutaliteiten en vernederingen alleen maar
toenemen, neemt Sands een radicale beslissing in zijn strijd om
erkenning als politieke gevangene. Hij trekt een georganiseerde
hongerstaking op gang en zelfs de dood zal hem niet weerhouden om
tot de laatste snik te vechten voor de principes waarin hij
gelooft.

Het neverending conflict tussen Noord-Ierland en
Groot-Brittannië is één van de dankbaarste onderwerpen in filmland.
Om de zoveel jaar wordt de problematiek – die dankzij Amerika en
Guantanamo nog altijd even scherp en relevant blijft binnen de
huidige internationale politiek – uitgespit en dat leverde al even
uiteenlopende als memorabele filmprenten op. Van het ijzersterke
gevangenisdrama ‘In the Name of the Father’ over het bikkelharde
documentairegevoel van ‘Bloody Sunday’ tot het historische epos
‘The Wind That Shakes the Barley’. Ook al kaart Steve McQueen
diezelfde geladen materie aan, toch is ‘Hunger’ een compleet andere
film over de Iers-Britse vijandigheden geworden. De politieke
dimensie blijft onvermijdelijk aanwezig, maar wordt wel naar de
achtergrond verschoven. Zo mag iron lady Margaret Thatcher
haar onwrikbare standpunten (‘there are no political murders’)
voice-overgewijs verkondigen om het lichamelijke en zintuiglijke
aspect alle aandacht te schenken. ‘Hunger’ is meditatiever en
filosofischer dan zijn verwante voorgangers (‘Some Mother’s Son’
met Helen Mirren is de conventionele – zeg maar kleffe – vertelling
van het Bobby Sands-verhaal), maar blijft verrassend toegankelijk
en laat een ontzagwekkende impact achter die minstens even lang
blijft nazinderen als het meer gedramatiseerde ‘In The Name of the
Father’. Wie open staat voor de vooruitstrevende technieken van
McQueen en scenariste Enda Walsch krijgt met ‘Hunger’ een
fascinerende reflectie over het lijden van de mens en de
diepgewortelde overtuigingen die ons tot het uiterste drijven.

De narratieve structuur van ‘Hunger’ zorgt voor een briljante
contradictie. McQueen bouwt zijn film op als een onconventionele
drieakter en hanteert een plotloze simpliciteit om de complexiteit
van zijn thematiek doorheen het grotendeels dialoogvrije relaas te
verweven. Het eerste half uur zal ongetwijfeld voor geschuifel en
gefrons zorgen door de misleidende focus en de manier waarop
McQueen speelt met de verwachtingen van het publiek, maar tegelijk
overdondert de regisseur met een indrukwekkende beeldtaal die
verschroeiende brandwonden op de ziel zal achterlaten. De
hondsbrutale martelpraktijken worden met een viscerale intensiteit
gebracht die weinig aan de verbeelding overlaat. Net zo met de
gruwelijke evocatie van het gevangenisleven, die zodanig
overtuigend is dat je de urine en uitwerpselen – uit protest wasten
de gevangenen zich niet meer – als het ware kan ruiken door het
scherm. McQueen kan het trouwens niet laten om zijn roots te
verbergen want in één van de cellen bevindt zich een met fecaliën
gecreëerd abstract schilderij op de muur.

Maar het is met het nu al legendarische middenstuk dat McQueen
laat zien dat hij meer is dan louter een visuele artiest. Met een
lange, ononderbroken scène van een dik kwartier zit Bobby Sands
aan een tafeltje met zijn oude vriend, priester Moran (Liam
Cunningham). Er volgt een onverwacht debat waarin Sands zijn
geplande hongerstaking verdedigt tegenover de meer pragmatische
standpunten van de katholieke priester. Wat begint als een
onschuldige babbel over vroeger evolueert in een krachtige
confrontatie waarin alles (religie, ethiek, moraal, politiek) aan
bod komt. Sands is ervan overtuigd dat hij als martelaar zal
sterven voor de ‘goede zaak’, terwijl zijn jeugdvriend hem met man
en macht probeert te overtuigen dat zijn zelfmoordactie de
problemen alleen maar zal verergeren. Het ijzersterke aan die
statische silhouettenscène is dat je als kijker de bikkelharde
beelden van het eerste half uur door het hoofd ziet flitsen terwijl
je de ‘theoretische’ discussie aan het volgen bent. Een gewaagde,
schitterend vertolkte sequens (de acteurs hebben er vier takes over
gedaan) die op subtiele wijze anticipeert op wat nog moet
komen.

‘Hunger’ bereikt zijn onvermijdelijke climax met de
uiteindelijke hongerstaking en de langzame, zowel fysieke als
mentale, aftakeling van Bobby Sands. Volledig gedragen door een
ontzagwekkende lichamelijke vertolking (denk aan Christan Bale in
‘The Machinist’, maar dan nog een kilo of tien eraf) van Michael
Fassbender transformeert ‘Hunger’ van observatie van woede, onrecht
en geweld naar een elegisch en transcendentaal portret van een man
en zijn allerlaatste protestmiddel: zijn lichaam. De beelden van
een uitgeputte, moegestreden en met open wonden gepijnigde Bobby
Sands zullen minstens even lang blijven hangen als de boodschap
(niet per se pro-IRA, maar toch fel anti-Thatcher) van McQueen.

‘Hunger’ is een snoeiharde trap in de onderbuik die iedereen met
een beetje passie voor de zevende kunst gevoeld moet hebben. Een
prachtvoorbeeld van hoe narratieve originaliteit en experimentele
vormgeving elkaar geslaagd en complementair kunnen ondersteunen.
Visuele kunstenaar Steve McQueen bewijst zich als een
in-de-gaten-te-houden-cineast en levert één van de meest
vernieuwende, intrigerende, poëtische en bevreemdende kijkbeurten
van het jaar af. Kortom, essentiële cinema om stil van te
worden.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

3 × vijf =