O’Death :: Broken Hymns, Limbs and Skin

City Slang, 2008

In de reeks ‘alternatieve roetsjbanen’ deze week: bind uzelf vast
aan de poot van een briesend paard, stop een brandende sigaret in
diens aars en trippen maar! Deze sketch uit het ‘Peulengaleis’
omvat de hobbelige, bottenbrekende odyssee van O’Death misschien
nog het best. Net als ‘Head Home’ is ‘Broken Hymns, Limbs and Skin’
namelijk een galopperend ros van dissonante folkpunk en explosieve
country dat niet in te tomen valt. Die razernij en doodsverachting
is paradoxaal genoeg zowel de grote sterkte als de achillespees van
dit illustere, New Yorkse gezelschap. Met de oogkleppen op raast
O’Death door z’n songs en de rituele chaos die hun shows kenmerkt,
wordt op deze plaat probleemloos vastgelegd. Voor nerveuze,
korenhalmkauwende ADHD’ers wordt het dus een losgeslagen
rodeo-festijn, maar wie gemoedsrust zoekt in een plaat, zal na een
paar nummers al smeken om de verpulverende hoefslag die het lijden
beëindigt.

Onverlaten die beweren dat country niet opwindend kan zijn, krijgen
met opener ‘Low Tide’ al meteen lik op stuk. Als een stel dronken
rednecks vangt O’Death de strooptocht van ‘Broken Hymns, Limbs and
Skin’ aan met een pompende basdrum, woeste banjo’s en violen en de
overslaande stem van Greg Jamie. ‘O Death, where is thy
sting
‘, vroeg Blanche zich nog af op het geweldige ‘Little
Amber Bottles’, maar deze heikneuters doen alvast geen moeite om
hun angels onder het gras te stoppen. Ook ‘Fire on Peshtigo’, ‘Legs
to Sin’ en ‘Ratscars’ snellen namelijk op de hobbelige grens tussen
country en punk als Sixteen Horsepower op groeihormonen. Tel daar
nog de sinistere galgenhumor van Jamie bij en je krijgt een
roestige zeis van een sound waarmee Magere Hein graag z’n
dagdagelijkse taakjes zou uitoefenen.

Op de meeste songs profileert O’Death zich dus als een stel
gekaproende geweldenaars die Alison Krauss uit pure doodsangst
ongetwijfeld in katzwijm zouden doen vallen. Toch strooit de band
niet in elke song zout op de slakken. Zo is ‘A Light That Does Not
Dim’ een gejaagde afrekening met de man met de zeis en wordt er in
songs als ‘Home’, ‘Angeline’ en ‘Grey Sun’ fors gas teruggenomen om
intrieste, naakte americana bloot te leggen die met een zwarte tong
aan de ziel likt. Of O’Death hiermee voldoende aflaten kan kopen om
niet in de hel terecht te komen, is echter maar de vraag. Zelfs in
de traagste songs predikt de band namelijk met een gevaarlijke
berusting het ultieme defaitisme. ‘We go to sleep and then we die’,
kreunt Jamie in ‘Grey Sun’, alvorens opnieuw een versnelde danse
macabre in te zetten.

Ondanks deze ingetogen interludia bevat ‘Broken Hyms, Limbs and
Skin’ toch te weinig variatie om een plaat lang te boeien. In hun
muzikale Kristalnacht vergeet O’Death namelijk de luisteraar bij de
hand te nemen door een gebrek aan dosering. Het rustig uit de
startblokken schietende ‘Vacant Moan’ is bijvoorbeeld niet meer dan
een goedkoop voorwendsel om nogmaals aan het lynchen te gaan.
‘Crawl Through Snow’ is in hetzelfde bedje ziek en halve ideetjes
van songs als ‘Leininger’ en ‘On An Aching Sea’ komen de
consistentie van dit album ook niet ten goede.

Die wisselvalligheid hangt als een doemwolk boven de hoofden van
O’Death, maar de bezeten razernij en passionele overgave van deze
Amerikanen maken veel goed. Net zoals de menselijke natuur is deze
band namelijk volstrekt onberekenbaar. Intimistische bluegrass kan
exploderen in woeste misantropie en pure boosaardigheid ruimt soms
plaats voor liefdevolle overpeinzingen. Aan het songmateriaal en de
samenhang moet dus nog wat geschaafd worden, maar niettemin laat de
Apocalyps van dit gezelschap diepe hoefsporen achter die blijven
nazinderen.

http://www.myspace.com/odeath

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

vijftien − een =