Valet :: Naked Acid

Wie platen koopt op basis van de hoes, zou met Naked Acid wel eens (on)aangenaam verrast kunnen zijn. Progrock in zijn meest gruwelijke acid-vorm valt hier immers niet te rapen. De opvolger van Blood Is Clean serveert zacht en etherisch gitaargetokkel, weliswaar met een psychedelische inslag.

Met haar vreemde psych/folk/drone-debuutplaat Blood Is Clean wist Honey “Valet” Owen de aandacht te trekken. Ook al was duidelijk hoorbaar dat het album in slechts vijf maanden geschreven en opgenomen was, waarbij bovendien onmiddellijk de eerste take gebruikt werd, toch kon de intrinsieke schoonheid van de nummers niet onderkend worden. De enkele steek die viel slaagde er nauwelijks in om de magie te doorbreken.

Nog geen jaar later volgt Naked Acid, maar van een “haastklus” is deze maal geen sprake. Van bij de eerste gitaaraanslagen is immers een duidelijke verschuiving richting structuur te horen. Oorspronkelijk was deze plaat dan ook bedoeld als een “songs”-plaat, waarbij Owen inspiratie haalde uit het landschap van de Pacific Northwest, semi-bewuste droomstaten en het idee dat iemands DNA als een eeuwig geheugen benaderd kan worden. Naar eigen zeggen vormde het album evenwel zijn eigen verhaal.

Of Naked Acid daardoor minder hermetisch geworden is nog maar de vraag, ook al zet “We Went There” iedereen op het verkeerde been. De mooie maar ijle samenzang van Owens en Adrian Orange (Thanksgiving) op een bed van nauwelijks te duiden gitaarklanken slaagt er in om enerzijds de luisteraar volledig aan zijn lot over te laten door alle referentiekaders weg te halen, maar biedt anderzijds ook een zekerheid die louter in het blinde geloof terug te vinden is.

Bij “Drum Movie” wordt dat vertrouwen en geloof op de proef gesteld: statische ruis ruimt na twee minuten de baan voor monotone keyboardklanken die slechts geleidelijke koerswijzigingen aanvaarden. Met “Kehaar” wordt de wonderlijke zangstem van Owen opnieuw aan zwevende gitaren gekoppeld. De toevoeging van drums (Mark Evan Burden, Silentist) vormen een aangename verrassing en geven het geheel een stabiele ondergrond, waardoor het nummer zonder gêne het luchtruim kan kiezen.

Ook “Fuck It” krijgt percussie mee, ditmaal bekent Owen zich tot een vrouwelijke Jandek (uit zijn beginperiode) door blues en psychedelische dronerock met elkaar te verzoenen. Op “Babylon 4 Eva” zijn de drums een laatste maal van de partij. Hun kletterende snareslagen echoën prachtig binnen de holle ruimte die de song creëert. “Fire” laat een eenvoudige countrysong resoneren in het eigenzinnige universum van Owen (een ijl en afstandelijk vacuüm) waarna met “Streets” de plaat in mineur eindigt. De electro-stoten (o.a. een stotterende drumcomputer) vloeken met de introspectieve aanpak van Owen.

Een slordig jaar na haar debuut bevestigt Honey Owen haar talenten. Opnieuw valt in de eerste plaats haar curieuze manier gitaarspelen op, of liever de manier waarop ze de klanken hiervan vervormt en bewerkt. Blues, folk en oude country vormen nog steeds de ondergrond waarop ze psychedelica en drones welig laat tieren. Dat het experimentele maar niet-geslaagde “Fire” ook de plaat gehaald heeft, mag met de mantel der liefde bedekt worden want het voorgaande toont wat er getoond moet worden.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

vier × 3 =