Breath




Er is nog hoop voor al wie zit te wachten tot de erkenning in
zijn schoot komt gevlogen. Kim Ki-duk was ook een laatbloeier.
Vijftien jaar geleden zat hij nog rustig ‘akkerlandschapjes met koe
bij ondergaande zon’ te schilderen op de Champs Elyseés, maar
inmiddels heeft hij al meer dan vijftien films voor release
klaargestoomd, waaronder metaforische kunstwerkjes als ‘Bin Jip’ en
‘Spring, Summer,..’. Vreemd genoeg had hij (zonder enige
voorkennis) van bij zijn eerste belevenis achter de camera wel
meteen zijn eigen filmstijl beet. Zijn oeuvre is een zeer
consistente verzameling van zwevende, van agressie doorvlochten
fabels die werken als pictogrammen: de zwijgzame beelden hebben
volledig de taak overgenomen van de gesproken taal. Ondanks het
feit dat hij erg populair is in het westen en hij in eigen land bij
gebrek aan interesse zijn films zelfs niet meer promoot, blijft Kim
Ki-duk zuiver Koreaanse films draaien. Je zal hem de eerste jaren
dus niet zien bezwijken voor een Engelstalige verfilming (en maar
goed ook, want één ‘My Blueberry Nights’ was genoeg). Voor zijn
veertiende film, ‘Breath’, het verhaal van een bedrogen
desperate housewife die wraak neemt op haar man door een
opzienbarende relatie te beginnen met een ter dood veroordeelde
gevangene, werkt hij wel voor het eerst samen met een
niet-Koreaanse acteur, Chen Chang. De populaire Taiwanese
acteur/hunk uit ‘Crouching Tiger, Hidden Dragon’, ‘Three times’ en
binnenkort ook ‘Red Cliff’, de nieuwe John Woo, spreekt geen drie
woorden Koreaans. Wie al een duik genomen heeft in Ki-duks
ballenbad van ‘aan de hoekjes afgevijlde sprookjes’, weet dat dit
geen probleem vormt. In zijn films zit namelijk altijd wel een
personage dat door omstandigheden niet kan of mag praten (de
vishaak in ‘The Isle’, de zwijgplicht uit ‘Spring, summer,..’) of
uit opstandigheid tegen bepaalde personen niet meer wíl praten (het
Bin Jip-koppel).

Het personage van Chen Chang hoort bij de eerste klasse
zwijgers: die van moetens. Al tijdens de eerste minuten van de film
zien we hoe Jang Jin zijn nakende executie probeert te boycotten
door meermaals een scherpe tandenborstel in zijn keel te planten.
Hij overleeft het, maar kan niet meer spreken. Wanneer de onbekende
Yeon hem komt opzoeken en zich voordoet als zijn ex-vriendin, kan
hij dat niet eens ontkennen. Enig teken van klagen vertoont hij
echter niet, want van bij hun eerste ontmoeting zit de vlam al in
de koekenpan. Hij luistert naar de verhalen over haar
bijna-dood-ervaring die ze hem als troost en voorbereiding op zijn
nakende dood aanbiedt en beantwoordt ze met een verbijsterde blik,
een glimlach of met een kusje in zijn eigen wasem op de glazen
scheidingswand. Hij geniet van Yeon’s overgave, want die is totaal.
Bij elk bezoek versiert ze de ontvangstkamer helemaal in de sfeer
van één van de vier seizoenen (een knipoog naar ‘Spring,
Summer..’), met bijpassend interieurpapier, kleedje en accessoires
en zingt ze voor hem een grappig karaokeliedje. Bij elke
jaargetijde gaan ze fysiek een stap verder, wordt de sfeer inniger
en willen ze dieper in elkaar kruipen. Maar dan klinkt de
buzzer van de bewaker die hen als een vervelende wekker
uit hun zoete droom haalt en slaat de waarheid als winterkou op hun
gezicht: het is helemaal geen zomer, het sneeuwt buiten, Jang Jin
moet nog steeds op het schavot en Yeon heeft thuis een man en kind
op haar wachten.

Alles wat een Ki-duk zo typisch maakt, zit in deze ‘Breath’
samengebald. Een spirituele zoektocht, korte gewelduitspattingen
(doch véél minder heftig dan in zijn beginperiode), een
liefdesverhaal gedoopt in een licht surrealistische setting en het
bakje vol metaforen waar Ki-duk in een sierlijke vlinderslag alles
tot één boterachtig geheel zwemt. Visueel is het weer een pretje om
door een film van Ki-duk te mogen struinen: de kleurrijke decors en
zanguitspattingen maken ‘Breath’ zelfs één van zijn luchtigste
films, de sfeer die heerst is drukkend, maar wordt verlucht met een
briesje prettig droge humor die de absurde situaties uitademen.

Inhoudelijk is de film het meest verwant met ‘Bin Jip’ en ‘The
Bow’. De twee ongelukkige zielen zijn ook ‘lege huizen met nog veel
plaats over’, ze zitten gevangen in de omhulsels van hun leven. Hij
zit letterlijk in de cel, zij zit opgesloten in de sleur van haar
huwelijk en boetseert niet voor niets beeldhouwwerken van vrouwen
met vleugels, die ze nooit durven uitslaan. De twee geliefden
vinden bij elkaar hun levensadem terug, die in elkaars mond blijkt
te liggen. Liefde is bij Ki-duk altijd allesoverheersend, zo
verslindend verstikkend en heftig dat het pijn doet. Als blikken
konden doden, dan duurde een Ki-duk niet lang of iedereen was
eraan. Er passeren dan ook weer heel wat close-ups van kijkende
personages en vurige blikken, zowel van verlangen als van jaloezie,
een ander constant thema in zijn films, hier in tweevoud aanwezig.
Zowel van binnen- als van buitenaf wordt het koppel bespied met
groene aanblikken. Van Yeon’s man, de hippe componist die pas
inziet dat hij zijn vrouw aan het verliezen is wanneer ze met een
ander gaat, maar ook vanuit de gevangeniscel waar Jang Jin
verblijft. Eén van zijn celmaten heeft erotische fantasieën over
hem, kan het niet verdragen dat hij aan Yeon denkt en volgt hem de
hele tijd als een schaduw.

Een bijzondere bijrol is ook weggelegd voor de man achter de
bewakingscamera, de man die beslist over het lot van de twee. We
zien in de weerspiegeling van zijn computer hoe hij naar de twee
hoofdpersonages kijkt en soms zelfs de choreografietjes bij het
kattengejank van Yeon enthousiast meedoet. Met zijn buzzer
kan hij ingrijpen, kan hij het feestje onderbreken wanneer hij wil
– hij is degene die het spel van de twee volledig controleert en
regisseert. Die rol speelt Ki-duk zelf, wat de film een extra
invalshoek meegeeft: ook van binnenuit regisseert de cineast zijn
personages en kiest hij wat hij wil tonen en hoe. Een fijn detail
dat helaas het algemene gevoel van ‘er had méér ingezeten’ niet kan
verdrijven: het verhaal wiebel-wiebelt als een lief, maar naïef
konijntje over de vrij onsamenhangende gebeurtenissen heen, de
beslissingen van de personages worden nogal cru genomen, motieven
zijn erg willekeurig (Jang Jin mag geen bezoek krijgen, maar de man
achter de knopjes heeft toevallig wel zin in wat gratis
entertainment), de nevenplots zijn iets te weinig uitgewerkt en
zeker het einde is iets te positief…

Durven we het luidop te zeggen of valt Ki-duk misschien een
beetje in herhaling, zijn zijn films gewoon varianten op varianten
aan het worden? Potten breken doet Ki-duk al een tijdje niet meer
en met ‘Breath’ borrelt de vraag weer op wat er zou gebeuren moest
Ki-duk iets minder ongeduldig zijn en dubbel zoveel tijd aan één
film besteden, in plaats van er in diezelfde tijd twee te maken? We
weten het allemaal wel: het zou vonken en vuur geven. Zijn films
zouden pareltjes zijn die iedereen omver zouden blinken, in plaats
van twee halve schelpjes die zeker het bewonderen waard zijn, maar
die je hoofd niet op hol zullen brengen van goudkoorts. Heel lang
zal ‘Breath’ dus niet in je gedachten blijven gisten, de film is
vluchtig als een zuchtje zuurstof, maar tegen een Kim Ki-duk ‘nee,
dank u’ zeggen zit er voorlopig ook nog niet in.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

20 + zes =