WERCHTER 2007 :: De mand van Herwig Van Hove

Klimatologisch gezien passeerde Rock Werchter 2007 door het oog van de naald: voor en na het festival wilden de hemelsluizen al eens openen, tijdens de vierdaagse hielden ze zich relatief koest. De mix tussen druilerig, zonovergoten en een occasionele stortbui weerspiegelde mooi hoe het festival klonk: héél af en toe viel het gewéldig tegen, een dubbel handvol keer waren we euforisch, maar meestal overheerste een tergende middelmatigheid. En Pearl Jam? Die waren het equivalent van een dreigende grijze cumulonimbus: imposant, maar toch vooral héél erg grijs.

Dag een: Netkousen en naaldhakken

Tien maal JA, één keer MJA
Tien keer juichend teruggekomen, één keer ietwat bedremmeld vastgesteld dat de lat van de hoge verwachting niet werd gehaald: the cream of the crop van Werchter 2007, in het lang.

JA!:

 

MJA….:

 

De eerste dag Werchter is al lang geen aanloopje meer naar het grotere werk. Met Beastie Boys en Björk staan op donderdag twee van de meest interessante namen van het festival geprogrammeerd en voor de allerjongsten in het publiek spreekt Muse wellicht veel meer tot de verbeelding dan ouwe lullen als Pearl Jam of, godbetert, Metallica.

De spits is voor de Leuvense Milow die dankzij het afzeggen van Mika en een eigen klein radiohitje met “You Don’t Know” te elfder ure aan de affiche werd toegevoegd. De jonge bard heeft zijn songs van genoeg spieren voorzien om een tent als deze door de weke knieën te krijgen, en jonge meisjes zingen en masse mee met puik werk als “One Of It” en het heerlijke popnummertje “Little More Time”. Nu nog die veel te letterlijke, flauwe Engelstalige cover van “Mia” laten vallen en Milow breekt nog wel wat potten deze zomer.

Met het stevig upbeat “I Like That” vliegen de jongens van Air Traffic — in blijde verwachting van hun debuutplaat die sinds maandag in de winkel ligt — er behoorlijk misleidend in. Wat volgt is immers eerder melodieuze poprock die hoogstens uitnodigt tot meeknikken wanneer de pianostrofen transformeren in krachtige gitaarrefreinen. Hoogst charmerend hoe het jonge viertal duidelijk geïntimideerd is door de halfvolle Marquee, hun eerste grote festivaloptreden. “Charlotte”, dat bronstige Studio Brussel-hitje, was ook voor de band zelf een hoogtepunt. Klinkt het verbaasd na de warme ontvangst: “Ik vermoed dat jullie dit liedje kenden dan?”

Niks wijst er in de Pyramid Marquee op dat Air, het Parijse electroloungeduo avec un twist, een nieuwe plaat te promoten heeft. Kan het zijn dat de heren Dunckel en Godin in de smiezen hebben dat Pocket Symphony een sof is waar de gemiddelde Werchterganger liever niet mee geconfronteerd wordt? Gelukkig hebben de Parisiens in de loop der jaren een even indrukwekkend als divers repertoire bijeengeschreven waar genoeg moois uit te rapen valt. De gemoedelijke opener “Radian” zet de toon voor een sfeervolle eerste helft van de set waarin vooral ex-single “Cherry Blossom Girl” en 10CC-eerbetoon “Run” uitblinken. Maar Werchter is en blijft een festival, en dus kunnen slechts een stevig rockend “Don’t Be Light” of bekende singles als “Sexy Boy” en “Kelly Watch The Stars” enige reactie bij het publiek teweeg brengen. Met “La Femme D’Argent” in een knappe, groovy versie die aan krautrockers als Neu! en Can doet denken, eindigt Airs geslaagde set met een hoogtepunt.

Na Zornik nog meer mascara en emogedram op het podium. My Chemical Romance bracht vorig jaar met The Black Parade een album uit dat wij af en toe tot halverwege best op hoog volume kunnen pruimen (ja.), maar live ontwikkelen ze zich tot de hoop bagger die ze volgens de grote groep tegenstanders sowieso al zijn: dikdoenerig Amerikaans, slecht geïnformeerd (“yo, Brussels!”) en volksmennerig, maar wel hun songs niet eens treffelijk kunnen afleveren. Bevestig anders eens de clichés, jongens. So far voor onze goeie wil dus en op naar beter dat maar niet wil komen met Marilyn Manson. Eerlijk, is er nu echt één iemand oprecht fan hiervan of stond iedereen daar maar om wat naar de dwaze podiumoutfits te staren?

Van een notoire nicht die maar wat graag koketteert met zijn homoseksualiteit en niet vies is van een flinke portie dramatiek en ironie mag het niemand verbazen dat hij zijn show in ware cabaretstijl eindigt in netkousen en op naaldhakken. Het is helaas ook de enige keer dat Rufus Wainwrights set tot opkijken aanzet. Überdramatische popsongs als “Release The Stars” en “Do I Disappoint You” getuigen van een sterk staaltje songwriterschap maar gaan jammerlijk ten onder aan de aanstellerige uitvoering van de geheel in Austin Powers-stijl uitgedoste Wainwright en band. In zaal ongetwijfeld interessanter.

In de Marquee wordt een poging ondernomen om het wereldrecord mensen in een tent te breken. De Beastie Boys komen eraan, lichtjes misplaatst in een veel te kleine tent. Wat stemmig en gezellig kan zijn, wordt al gauw grimmig en gevaarlijk zodra de heren openen met snoeiharde punk. Enkele wijze en verantwoordelijke woorden later — het concert wordt enkele malen stilgelegd — is iedereen voldoende gekalmeerd voor een zeer opwindende en vermakelijke lezing uit hun ruime oeuvre; Hoe vermakelijk leest u — inderdaad — hiernaast. .

De eer van eerste grote headliner op het hoofdpodium van Werchter is dit jaar, net als in 2003, weggelegd voor Björk. Op het pas uitgebrachte Volta toont de IJslandse diva zich, na het ’moeilijke’ Medulla, weer een pak toegankelijker en dat vertaalt zich op het podium in een aanstekelijke set zonder strijkers maar met een tiental blazers en vooral: veel beats. De setlist wisselt bekende singles (een vrolijk stampend “Earth Intruders” als opener) af met het het betere werk van Homogenic (“Hunter”!), Post (“Hyperballad”!) en Volta (“Wanderlust”!), Met haar in bassen, beeps en beats verzopen set doet Björk haar sterke livereputatie alle eer aan.

Waarna een hoop luide Hollanders en ander weinig subtiel gespuis verder gaat met zijn stormloop naar voren, want straks staat daar Muse. De groep rond Matthew Bellamy is ondertussen net zo populair als de CD&V en desgevraagd willen wij u daar wel eens een conspiracy theory over ontvouwen, die zelfs de hyperkinetische frontman niet tot songtekst zou durven verwerken. ’s Mans sci-fi progrock beukt er ondertussen professioneel militair in met een lichte Neurenberg-feel. De groep beschikt heden ten dage dan wel over een behoorlijk eigen geluid, op echt goeie songs is het helaas wachten tot de bissen met ouder werk als “Plug In Baby” en “Unintended”. Ach ja, we zullen het gewoon wel niet begrijpen. We zullen het later nog eens proberen, maar niet morgen. Want dan is er Pearl Jam!


Dag twee: Brulkikkerplaag

Tien maal JA, één keer MJA
Tien keer juichend teruggekomen, één keer ietwat bedremmeld vastgesteld dat de lat van de hoge verwachting niet werd gehaald: the cream of the crop van Werchter 2007, in het lang.

JA!:

 

MJA….:

 

Rule Brittannia! Herman Schueremans heeft vandaag Britain’s finest laten overkomen om tegengewicht te bieden aan het zware Amerikaanse gitaargeweld van Kings Of Leon, QOTSA en Pearl Jam. De tijd zal uitwijzen of aan het eind van de dag de Union Jack of de Stars and Stripes boven de main stage zal prijken.

Met grote tegenzin moeten we toegeven dat Anke Vandermeersch het deze keer bij het rechte eind had. De opwarming van de aarde blijkt inderdaad niets meer te zijn dan een samenzwering van de linkse krachten om Vera Dua en haar troepen opnieuw in het parlement te krijgen. Het bewijs? Nauwelijks heeft Groen! zijn zitjes in het halfrond weer ingenomen of de temperatuur zakt met tien graden en de Werchterwei wordt een openluchtzwembad. Meteen de laatste keer dat we Al Gore de toekomst laten voorspellen.

Los daarvan belooft het er vandaag wel degelijk stomend aan toe te gaan op het hoofdpodium van Rock Werchter. De hele dag enkel echte venten, met snoeiharde gitaren en een testosterongehalte dat zelfs Herwig Van Hove weer in zijn mand doet kruipen. Wij leggen ons borsthaar alvast in de juiste plooi en bereiden ons mentaal voor op de brulkikkerplaag.

Al blijkt het eerste Britse optreden van vandaag zowaar een comedy-act te zijn. De grapjassen van Enter Shikari vermommen zich als een emoband met aanzienlijk hardcoregehalte en platte dancebeats. Stand-up comedy die het midden houdt tussen Linkin Park, My Chemical Romance en Milk Inc. Even vermoeden we dat Chris Van den Durpel er voor iets tussen zit. De zanger en de gitarist doen hun uiterste best om het optreden enig sérieux mee te geven door hier en daar de juiste noot te raken. Helaas zelden op hetzelfde moment. Tegen de tijd dat zanger Rou omstreeks 14u ’s middags afsluit met een enthousiast “enjoy the rest of your evening”, liggen wij allang in een deuk door modder en andere, niet-geïdentificeerde substanties te rollen.

Voor Kings Of Leon is optreden dan weer bittere ernst. Zwartleren jekkers, een kruis rond de hals en een doodse je-m’en-fous-blik. Een uur lang zijn de Amerikanen de belichaming van pure, onversneden rock. Zanger Caleb Followill doet zijn best om het scheuren van de gitaren zo weinig mogelijk door nutteloos gebazel te onderbreken. Toch warmt het publiek maar langzaam op voor Calebs hese stem. Uitstekende vertolkingen van nummers als “The Bucket” en “California Waiting” en gutsende regen zijn blijkbaar niet genoeg om de campingkater van gisteren weg te spoelen. Op het einde komt Eddie Vedder zelve even mee jammen op tamboerijn.

Je zal het maar voorhebben: met A Potion een alom bejubelde cd uithebben en dan op Rock Werchter geprogrammeerd worden pal tegenover Kaiser Chiefs. Gevolg is dat Sioen voor een amper halfvolle Marquee van wal mag steken. De set begint dan ook aarzelend en zowel “Ease Your Mind” als “Ready For Your Love” komen niet echt uit de verf. Tijdens de rustige nummers komt er af en toe een flard Kaiser Chiefs de tent binnengewaaid, maar de eerste keer dat Sioen het duel aangaat is het meteen prijs. Een extra potig gebracht “Who Stole My Band” is de mokerslag waarop het publiek zat te wachten. 1-0 voor Gent. Meteen is het pad geëffend voor pakkende versies van “Another Ballad”, “What I Fail To Understand” en een nijdig “Wild Wild West”. Straf, maar niet groots.

In de rangschikking van de meest gehoorde meisjesnamen op Werchter staat “Ruby” vandaag met stip op één. Ricky Wilson en de zijnen zorgen niet alleen voor de beste performance van de dag, maar bij uitbreiding ook voor hét meezingmoment van deze Rock Werchter-editie. Een uitgebreide bespreking van het optreden van Kaiser Chiefs vindt u elders op onze Werchterpagina’s.

“I am trying, to be heroic in an age of modernity”. Kele Okereke van Bloc Party durft het aan om zijn optreden met het stille begin van “Song For Clay (Disappear Here)” aan te vangen. Wat volgt is een triomftocht, van single naar single langs briljante albumtracks als “Uniform” of “This Modern Love”. Centraal staan de erg dansbare ritmes van drummer Matt Tong, het stille genie achter de band. Wanneer “Helicopter” als afsluiter opstijgt, gaat het hek van de dam. De hemelsluizen gaan eindelijk dicht, en in de verte van de Marquee-weide zingt Lily Allen de zon tevoorschijn.

Allen is wat ons betreft dé verrassing van dag twee. Blootsvoets in een luchtig jurkje, is ze een charmante verschijning die met een onverschillige grijns — sigaret in de éne hand, fles Jägermeister in de andere — de wolken doet openbreken. “Knock ’em Out” krijgt een duchtig ander jasje aangemeten door haar veelkoppige band, “Heart Of Glass” van Blondie wordt overtuigend naar eigen hand gezet. “Ik ben niet alleen ziek, maar ook vreselijk dronken”, verontschuldigt ze zich overbodig: alle geruchten over vals zingen bleken ver naast de waarheid, Allen k´n een aardig potje zingen.

Voor de vijfde keer in Werchter en voor de vijfde keer raak: Queens Of The Stone Age. Het combo rond Josh Homme stond vreemd genoeg relatief vroeg geprogrammeerd, maar dat bleek geen bezwaar om over de wei heen te walsen. Met sterke vertolkingen van (soms twijfelachtige) nieuwe songs als “Battery Acid” en “3’s & 7’s” en ronduit indrukwekkende uitvoeringen van massieve nummers zoals het klassieke “Feel Good Hit Of The Summer” en de pure stonerrock van “If Only” is het duidelijk: 10-0 voor QOTSA, want een niet meer dan degelijke Admiral Freebee is geen partij voor de woestijnbonken.

Tom Van Laere stelt zijn tirade in “Get Out Of Town” zo lang mogelijk uit, poneert dat QOTSA zijn favoriete band is vooraleer een verschroeiende versie van “The Worst Is Yet To Come” (nou neen, dat hadden we met Enter Shikari toch gehad) in te zetten, smokkelt een flard “Welcome To The Jungle” van Guns ’n Roses in de set, en besluit met een feestelijk knallend “Oh Darkness”. En toch blijft de nul op het bord: QOTSA was niet zomaar een beetje geweldig.

Een jaar en een tweede plaat verder staan Arctic Monkeys opnieuw op Werchter. Een jaar waarin ze niet alleen een van dé platen van 2007 gemaakt hebben, maar bovendien aan zelfvertrouwen en podiumattitude lijken gewonnen te hebben. Alex Turner jaagt zijn troepen aan een hels ritme door de set en laat het publiek collectief leeg gedanst achter.

En daar stonden ze dan. Eindelijk. Na al die jaren. Vijftien jaar te laat, en drie hun status onwaardige platen later. Ook Pearl Jam lijkt dat te beseffen, want wat de grote “eindelijk”-show had moeten worden, leek verdomd hard op “if this is Friday, this must be Belgium”-bandwerk. Ondanks vlekkeloos (na anderhalf decennium mag dat natuurlijk wel) uitgevoerde versies van een resem klassiekers als “Even Flow”, “Betterman” en “Corduroy”, hangt er een erg routineus sfeertje over deze shows. Vedder bekent zelf niet goed bij stem te zijn na een dagje rustig pintelieren backstage, en de hele groep straalt een “laten we dit snel achter de rug hebben” uit. Degelijk afgeleverd vakmanschap dat je van een band met deze status mag verwachten, maar niet de uitslaande brand die dit optreden had moeten zijn.

De bende luidruchtige Amerikanen moeten vandaag met lede ogen toezien hoe het British Empire eindelijk nog eens een zege binnenrijft. De Britse bands hebben vandaag onmiskenbaar — excusez le mot — het mooie weer gemaakt, wellicht gesterkt door een thuisvoordeel, want nooit eerder zagen we zoveel Britse toeschouwers op de Werchterwei. God save the Queen, and all the Queen’s men!


Dag Drie: Hertengeweien

Tien maal JA, één keer MJA
Tien keer juichend teruggekomen, één keer ietwat bedremmeld vastgesteld dat de lat van de hoge verwachting niet werd gehaald: the cream of the crop van Werchter 2007, in het lang.

JA!:

 

MJA….:

 

Dag Drie: de benen worden al wat zwaar en de stem is sinds Pearl Jams doortocht ook niet meer in topvorm. Een stevig ontbijt met echte koffie en bijbehorende afwas doen besluiten (een lichte kater in het achterhoofd geeft weliswaar de doorslag) dat de Heideroosjes en Razorlight hun ding zonder ons mogen doen. Dat scheelt weer enkele paragrafen aan genuanceerd negatieve ouwezakkenpraat en drie pagina’s verontwaardigde fans op het forum.

Amy Winehouse mag de vermoeidheid wegmasseren, maar madame laat liefst 20 minuten op zich wachten. Het boudoir-achtige decor lijkt enigszins misplaatst op dat grote Werchter-podium en we dromen weg naar backstage-scènes van een licht beschonken Winehouse die aan de Schuer uitlegt dat ze niet graag midden in de nacht (Winehouse-tijdrekening) opstaat om bij zonlicht een nachtclub-sfeer op te roepen. Ze slaat nog enkele wodka-cola’s achterover en besluit dan toch voor de paycheck te gaan, maar bedingt nog net een extra fles drank op de rider.

’Ladies and gentlemen, misses Amy Winehouse’, weerklinkt het plots: weg dagdroom. La Winehouse strompelt het podium op, probeert een sexy pose aan te nemen en slaagt daar welgeteld 10 seconden in. In ware zatte snolstijl volgen halve danspasjes en nauwelijks sexy heupgewieg elkaar op zonder dat ze ook maar een beetje lijkt te weten waar ze mee bezig is. Haar groep doet haar uiterste best om de boel bij elkaar te krijgen, maar na een beschamend vals gewauweld “Back To Black” kunnen we het niet meer aanhoren.

In de Pyramid geeft Blonde Readhead ter compensatie het mooiste concert van vier dagen Werchter. Elders gaan we er met stevigere metaforen uitgebreider op in, maar “Sonic Youth vertaald naar de Sigur Rósgeneratie” komt aardig in de buurt. Of hoe we voor onze oren een volwassen Japanse versie van Alice In Wonderland hoorden ontvouwen.

Klaxons laat van bij de eerste tonen een goed gevulde tent ontploffen. We stellen niet alleen verbaasd vast dat de band met slechts een album toch al een rits livekrakers heeft, maar ook dat die volop worden meegebruld. Klaxons heeft haast ongemerkt menig ravers- en rockhart veroverd en deed wat Franz Ferdinand en Bloc Party hen enkele jaren geleden voordeden: stomverbaasd vaststellen dat Belgium uit hun hand eet. Terecht overigens, want de intelligente mix van rave-euforie en stomende punk klinkt als een shot pot belge. Meer van dat, voor het illegaal blijkt.

Nastuiterend komen we net op tijd aan de main stage waar — als ware het een kampvuurzangstonde — uit 30.000 kelen “Chasing Cars” mee wordt gebruld. Snow Patrol is een beetje grijs en net iets te degelijk om echt groot te worden, maar hun songs staan als een huis. Geen fancy backdrop, spectaculaire intro of belichting, maar vier jongens die zich vrolijk door een set oerdegelijke pop slaan. En zelfs de grootste cynicus moet toegeven dat “Run” een anthem voor de eeuwigheid is. Eerlijk gezegd zijn we blij dat er groepen als Snow Patrol bestaan, maar er valt weinig meer over te zeggen dan ’sympathiek’. Een verademing, maar nu ook weer niet memorabel.

Het contrast met The Killers kon niet groter zijn. Houten bekistingen rond de monitors, overal bloemen, gouden keyboards met een overdaad aan hertengeweien en een grote ’Welcome’-neon op de piano. The Killers zorgden ook voor de eerste bombastische intro van de dag. Doorgaans gaan we dan grinnikend met een stevige pint aan de toog tussen andere echte muziekliefhebbers een beetje blasé doen, maar Mormoon Brandon Flowers overtuigt vandaag wel meer ongelovigen.

Van “Sam’s Town” tot “Jenny Was A Friend Of Mine”verslapt de aandacht alleen door een tot tweemaal toe wegvallend geluid. Beeld zonder klank: ons lief breekt er ons hart mee, hier werd het de betere pantomime want Flowers en de zijnen — op het podium is er wel nog iets te horen — doen vol overtuiging verder. En dan verdwijnt bijna ongemerkt de spankracht uit de set. “Mr. Brightside” en “Read My Mind” en het knappe “Exitlude” overtuigen nog, maar het contrast tussen de singles en de albumtracks is zeker in het laatste kwartier nog wat te groot. Een iets meer uitgebalanceerde set met de knallers achterin, had van dit uitstekende concert een ware triomftocht gemaakt. Als ze op het volgende album hun hoge niveau weten te bewaren, is hun volgende doortocht op Werchter als headliner. Verdiend, ook al laat de bombast een toch wat wrange indruk na.

Ligt het aan het pad dat de Dewaele-broertjes geëffend hebben of bulkt het land plots van het elektronica-talent? Feit is dat het aan Nite Versions-gelieerde Goose zijn stevige live-reputatie wist te overtreffen met nog geen tien nummers. Van opener en troefkaart “Black Gloves” tot het zinderende “Everybody”, Goose serveerde een explosieve cocktail van gitaren en knallende beats zoals slechts weinigen dat kunnen. Aanstekelijk én met de ballen van een smerige rockgroep: Goose is de toekomst.

Peter Gabriel kondigt een song aan: “With this song, we’d like to take you back to the garden of Eden. Where God reached into man en took out a piece which became woman”. Wij stappen iets steviger door naar de Marquee. Geen “Solsbury Hill” en “Sledgehammer” voor ons, de midlife-crisis is nog te ver af om die van Gabriel mee te beleven. Arno wint de slag der senioren sowieso met KO: met het nieuwe “Miss Amerique” zet hij een finale in die de Marqueeweide tot ver voorbij het buitenplatform in lichterlaaie zet. “Hodverdomme”, ’k zien de tekst vergeten”, luidt het voor “Les filles du bord de mer”. Ach, het geheugen recupereert gelukkig snel en waar er gaten zijn, vult het publiek wel in. Putain, Le Plus Beau was ook vandaag weer zeer ohlalala.

The Good, The Bad and The Queen lijkt een beetje miscast. De supergroep van drummer Tony Allen, Paul Simonson, Simon Tong en Damon Albarn speelt op magistrale wijze zijn album, met enige ruimte om het genie van de aanwezige muzikanten te laten schitteren. Maar een conceptalbum over de ondergang van het Engelse avondland mag dan indrukwekkend zijn, het is begrijpelijk dat een Belgisch publiek er en masse niet zoveel zin in heeft. Wie dat wel heeft, zal nog jarenlang met glazige blik terugblikken op dit zeldzaam perfecte concert.

Is Keane het nieuwe ABBA? Een “Everybody’s Changing” lang neigen we naar een positief antwoord: de kristalheldere piano van “Dancing Queen”, een vage discobaslijn,… Noem ons mild, maar vanavond kunnen heerlijke popsongs als “Somewhere Only We Know” en “Bedshaped” niets fout doen. Yup, Keane was een waardige headliner vanavond.

De keuze tussen LCD Soundsystem en The Chemical Brothers is best lastig. De eersten beginnen uiterst beloftevol aan hun set met een onverbiddelijke voortdenderend “Us Vs Them”. Het publiek dankt Murphy en de zijnen door op bewonderenswaardige wijze uit de bol te gaan. Het is verbazend hoe de vermoeidheid van drie dagen Werchter plots verdwijnt als LCD Soundsystem ten dans speelt. We onthouden het voor een uitgebreider feestje op Pukkelpop, want na het fijn verbouwde “Daft Punk Is Playing At My House” en het strakke “North American Scum” wordt de roep van The Chemicals te groot.

Terecht, zo denken we (met pijn in het hart) van bij de eerste tonen van “Galvanize”. Onder een indrukwekkend scherm staan Simmons en Rowlands op ongetwijfeld zeer onnavolgbare wijze her en der de hoge tonen en bassen bij te stellen, maar het eerste half uur deert dat absoluut niet. Met “Hey Boy, Hey Girl” gaat het dak eraf en het vet helaas ook van de soep. De nieuwe nummers zijn nog te nieuw en er hadden iets meer hits in de set mogen zitten. Zelfs knallers als “Believe”en “Chemical Beats” kunnen de set maar even uit de drab trekken. Het afsluitende “Private Psychedelic Reel” klinkt voor het eerst doodsaai en intussen begint de ranzige geur van verschraalde mayonaise die uit de weidegrond opwaait ook iets te doordringend te worden. Toeval?

Dag vier: De drumkunsten van Golem

Tien maal JA, één keer MJA
Tien keer juichend teruggekomen, één keer ietwat bedremmeld vastgesteld dat de lat van de hoge verwachting niet werd gehaald: the cream of the crop van Werchter 2007, in het lang.

JA!:

 

MJA….:

 

Wie op zoek is naar verrassingen, is op dag vier niét op de juiste plaats. Op de onverwacht lekkere festivalfrieten na (het is dus wel mogelijk!) is de zondag, met headliners als Metallica (reeds vijf keer present, waarvan drie van de laatste vijf edities) en Faithless (ook al vijf keer), immers weer een feestje van herkenbaarheid.

Mogen vandaag compleet miscast openen: de funky bleekscheten van !!!. Twee jaar op rij zetten ze een tent op Pukkelpop in lichterlaaie. “Het zal hen dan ook wel lukken op een open podium in volle zon recht op de middag”, stelde Herman Schueremans, zijn innerlijke Jos Brink tegenkomend, de groep een weddenschap. De groep nam de uitdaging aan en zanger Nic Offer stuitert over het immense podium alsof hij al jaren niets anders gewoon is. Het publiek zo vroeg al aan het dansen krijgen, was een onbegonnen karwei, maar aan de groep en zijn uitstekende hoekige funk zal het niet gelegen hebben. Leest u maar hiernaast!

Cold War Kids is in het indiewereldje een van de hypes van het afgelopen jaar, en dan is het altijd bang afwachten of de band in kwestie de verwachtingen live kan inlossen. In dit geval is er niet alleen geruststelling op dat vlak, maar zelfs enige vorm van euforie: Cold War Kids blijkt een van de sterkste bands die in de Marquee staan. Bij momenten chaotisch en rommelig (de Tom Waitscover “Dirt In The Ground”!), soms hypnotiserend (“We Used To Vacation”), maar altijd goed voor een ’wow’-gevoel. Radiohitje “Hang Me Up To Dry” is voor een al lang ingepakte tent een mooie kers op de taart.

Of mister Schueremans nu wou bewijzen dat hij echt nog wel avontuurlijk durft te programmeren, dan wel of het ging om een oprechte en weloverwogen keuze, feit is dat Mastodon er op deze affiche wat plompverloren bijstaat. De heren laten het niet aan hun hart komen en delen onder een loden zon de eerste mokerslagen van de dag uit. Telt u zelf de klappen in het uitgebreider verslag hiernaast.

Het gitaargeweld is nog niet helemaal verstomd of daar slalommen al gibberende bakvisjes tussen het afdruipende langharig tuig, richting eerste rijen. The Kooks zijn na hun succesvolle passage van vorig jaar weer van de partij: de wereld staat immers niet stil en dus hebben ook zij dit jaar nieuw materiaal voor te stellen. De Britse jonkies bakken er echter niet al te veel van. Hits “Ooh La” en het onvermijdelijke “Naïve” zijn dan wel regelrechte voltreffers die, uit duizenden kelen galmend, het zomerse festivalsfeertje perfect vatten, datzelfde sfeertje gaat echter reddeloos verloren van zodra er nieuw werk aangesneden wordt.

Goed raak is het meteen bij het begin van Maxïmo Parks set. Knallers als “Girls Who Play Guitars” en “Our Velocity” transformeren de houten vloer van de Marquee ogenblikkelijk tot een trampoline. Helaas laat deze singlesband de lat zakken na het heerlijke “Books From Boxes” (dat Dire Straitsgitaartje!) en een spetterend “Limasol”. “We’ll let the pantomime continue”, belooft hyperkinetische frontman Paul Smith, maar de groep besluit dat ze dringend haar laatste album moet promoten en even zakt het concert in. Het duurt tot een meegebruld “Apply Some Pressure” eer de groep haar sterkte terugvindt en gierend de finale ingaat met een jachtig “The Unshockable” en een heerlijk “Nosebleed”. Fijn, maar de dip in het midden kost de groep een plaatsje in onze top tien.

Interpol (ofte de groep met de sippe gezichtjes) opent zijn concert niet echt overtuigend: “Pioneer To The Falls” heeft te kampen met een slecht geluid, terwijl zanger Paul Banks duidelijk worstelt met z’n stem. De nummers uit Antics mogen rekenen op herkenningsapplaus, maar ook pareltjes als “Leif Erikson” en “Obstacle 1” uit Turn On The Bright Lights ontbreken niet op een setlist die vooral ook het nieuwe Our Love To Admire moet promoten. Dat de nieuwe nummers niet echt veel beloven voor die volgende week te verschijnen plaat, is dan meteen dubbel jammer. Interpol slaagt er dit jaar niet in zijn topprestatie van twee jaar geleden te evenaren.

Een grote meneer in slechten doen volgt in de Marquee. Frank Black laat de gitaar aan een groepslid, kronkelt gillend en schreeuwend over het podium zoals alleen hij dat kan en stelt zich gewoon maar wat aan. Drie covers waaronder een geïnspireerde hondsdolle versie van “The Rockafella Skank” van Fatboy Slim kunnen geen meubelen redden. Benieuwd of dat album over Herman Brood dat voor de herfst gepland staat, soelaas kan brengen voor Blacks carrière die toch wel erg op de helling komt te staan.

Waarna Damien Rice het vaste stramien van zijn optredens volgt: eerst bloedstollend mooi met “Nine Crimes”, vervolgens slaand en zalvend om langzamerhand de aandacht van het publiek kwijt te geraken en die dan weer opnieuw in een houdgreep te nemen met een afsluitend “The Blowers Daughter”. Dat Rice daar met zijn ingetogen muziek in slaagt, mag een prachtprestatie heten.

Een mens moet respect hebben voor wat een band als Metallicategenwoordig allemaal kan en mag uithalen. Wij zaten nog in de pampers toen de band nog met beide voeten op de grond stond, zijn fans nog respecteerde met optredens die niét minstens een kwartier te laat begonnen en zijn setlisten nog niet baseerde op de premisse dat er twee bisrondes moéten zijn. En wie dacht dat de metalgigant tegenwoordig zo’n status wel kan verantwoorden, komt ook bedrogen uit: Lars Ulrich lijkt ondertussen, na de looks nu ook de drumkunsten van Golem geërfd te hebben (zijn gestuntel tijdens “One” was ronduit pijnlijk) terwijl Kirk Hammett zijn even lachwekkend onzuivere als ongeïnspireerde solo’s verkoopt als waren zijn hulpeloos houterig krieuwelende vingers de vijf piemels van het Opperwezen. En toch slikt het volkje het en masse, jaar na jaar. Het heeft niet eens helemaal ongelijk, want Metallica speelt gedreven en James Hetfield draagt voor uit het (prominent aanwezige) oudere werk als de bompa die, met de kleine op schoot, sadistisch grijnzend de bloederigste verhalen over de Tweede Wereldoorlog opdiept. Metallica doet wat het wil en er wordt niet gemord. Integendeel, er wordt gefeest, en nog niet in het minst door ons. Dat heet dan klantenbinding.

Na de gargantueske show van de metalen frontmannen (Twee uur en een half! Vuurwerk!) wordt al wat volgt herleid tot aftershow. Mogen wij trouwens een levensgroot “que” plaatsen bij de kopieerdrang van The Australian Pink Floyd Show? En als we dan toch bezig zijn: we verwijzen u voor een verslag van Faithless graag door naar ons verslag over Pukkelpop 2004 en Werchter 2005. Wij hebben het na vijf keer wel gehad met deze handjesdraaien-show. Misschien toch maar eens iets nieuws proberen, Herman?

Op weg naar de uitgang met een voor de gelegenheid zwartharige Tori Amos op de achtergrond, botsen we nog bijna op een andere oudere jongere die ons vermoeden bevestigt dat dit wel eens de meest generische Rock Werchter van de voorbije jaren zou kunnen zijn. Al doorbomend, concluderen we dat er misschien iets teveel ’tweede album’-groepen op de affiche staan, die net geen goeie set kunnen vullen en dat de headliners intussen alweer op hun retour lijken en gewoon Las Vegas-gewijs nog even langs de kassa passeren.

Of het aanbod aan toerende groepen was dit jaar bedroevend laag, of er werd héél erg gepackage-dealt (The Australian Pink Floyd Show? John Legend? Billy Talent?). Het gevolg blijft hetzelfde: Werchter viel dit jaar een serieus beetje tegen. Voor het eerst was het festival vooraf niet volledig uitverkocht, als de huidige trend zich voortzet zou een dipje zoals eind jaren negentig wel eens opnieuw het geval kunnen zijn. Herman Schueremans verlaat zich iets te veel op vertrouwde recepten en vertoont te weinig durf tot vernieuwing die het festival een nieuw elan zou kunnen geven. Benieuwd wie volgend jaar voor de zesde keer mag komen. Of leert hij het ooit nog?

 

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

twaalf − tien =