Meg Baird :: Dear Companion

Wichita 2007
V2

Wees gerust, Espers is niet gesplit. Alleen vond de frontvrouw van
het zestal tussen de opnames van Espers II door de
tijd om op haar appartement in Philadelphia zelf ook materiaal te
vereeuwigen. Hieruit ontstond een 7″ single die verscheen op het
lokale Tequila Sunrise label. De reeds opgenomen nummers voor een
full album bleven wat liggen om stof te vergaren of om enkel bij
vrienden te geraken, tot Wichita op de deur kwam kloppen.

Onder dat stof vonden ze een compilatie van elf nummers die bestaat
uit vier traditionals – van een nummer staat er een versie met en
een versie zonder begeleiding op – vier covers en twee eigen
nummers. Net als de schrijfsels van Espers, nestelen de songs van
Baird zich in de folktraditie. Wat de Amerikaanse voor haar band
laat zijn de psychedelische effecten, de distortion en het veelvoud
aan vreemde instrumenten. Veel meer staat hier de stem van Baird
centraal, ook wel haar sterkste troef, die ze zelf begeleidt op
akoestische gitaar en dulcimer, een snaarinstrument uit de
Appalachen.

Het enige nummer op ‘Dear Companion’ dat stilistisch de
middeleeuwse sfeer van Espers uitademt is ‘River Song’, een cover
van Chris Thompson. De op- en neergaande beweging die ze in haar
toonhoogte brengt is hier deels voor verantwoordelijk, alsook de
dubbele stem die is toegevoegd.

De traditionals op dit solodebuut zijn voornamelijk verhalend
belangrijk en bevatten gelijkaardige thema’s die Vlaamse
volksliederen als ‘Het Lied Van Hertog Jan’ of ‘Zeg kwezelken,
wilde gij dansen?’ kenmerken. Zo gaat titelnummer ‘Dear Companion’
over eenzaamheid en de herinnering aan betere tijden toen haar dear
companion haar nog niet had verraden met een black eyed
girl.
Met zinnen als “In my grave I’d rather be” en
“I’ll drink nothing but my tears” is de neerslachtige toon
van dit nummer meteen gezet, maar waar Baird erin slaagt genoeg
gevoel in haar stem en haar sobere gitaarspel te leggen, wordt dit
bij nagenoeg alle traditionals deels tenietgedaan door het
repetitieve karakter, waardoor je je soms wel eens afvraagt hoe
lang zo’n volkslied kan duren. Ook in nummers als ‘The Cruelty Of
Barbry Ellen’ en ‘Sweet William And Fair Ellen’ hebben we het wel
snel gezien en gaan we eerder richting irritatie dan richting
betovering. Het enige volkslied dat de hele rit lang boeiend en
echt mooi blijft, is ‘Willie O’Winsbury’, dat dit voornamelijk aan
het aantrekkelijke muzikale patroon te danken heeft.

Meer auditieve voldoening vinden we bij de covers en de eigen
nummers. Aan de titel zou je ‘Maiden In The Moor Lay’ verdenken al
400 jaar te bestaan. En toch, het ontsproot aan het brein van deze
jonkvrouw zelve. Meer nog houden we van ‘Riverhouse In Tinicum’,
het andere eigen nummer. Na een lange, verzorgde gitaarintro haalt
Baird het beste van haar zangkwaliteiten boven, waarmee ze,
geholpen door bovenaardse keyboardsklanken, een mysterieuze plaats
beschrijft.
De geleende nummers die Meg Baird besloot te bewerken zijn buiten
het folkmilieu niet de meest bekende. Zo hebben Jim Webb en Chris
Thompson in Vlaanderen niet de hoogste herkenningsgraad. Haar meest
bekende cover is ‘All I Ever Wanted’ van ‘New Riders Of The Purple
Sage’, waarin ze haar talent etaleert om een nummer volledig door
elkaar te schudden en naar haar eigen ongetwijfeld mooie hand te
zetten. Nog sterker is ‘The Waltze Of The Tennis Players’,
oorspronkelijk van Alan Fraser en Daisy DeBolt. Het begint als een
typische CocoRosie song en
tovert vervolgens het mooiste refrein op ‘Dear Companion’
tevoorschijn.

Niet alles op dit solodebuut van Meg Baird is even genietbaar, maar
waar het goed zit, treft deze plaat zeker raak. Voor liefhebbers
van Marissa Nadler, Nina Nastasia of Espers, zij het van de
garnering ontdaan en tot de kern gebracht.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

8 + zes =