Brant Bjork And The Bros :: Somera Sól

Brant Bjork is de patroonheilige van de luie muziekjournalisten. Als er een nieuwe plaat van zijn hand verschijnt, dan neem je gewoonweg de recensie van een vorige plaat, je vervangt de songtitels (gooi ze gewoon wat door elkaar), plakt er een andere datum onder en (indien nodig) een gevatte kop boven, en de klus is geklaard.

Bjork, die we eerder al de J.J. Cale van de Californische woestijn noemden, is er zo eentje die keer op keer een variatie op dezelfde plaat uitbrengt. Dat zou van hem een makkelijk doelwit kunnen maken, ware het niet dat die blauwdruk te goed is om er een hekel aan te hebben. Als het recent verschenen tussendoortje Tres Dias meegeteld wordt, dan is dit ’s mans zevende album op nog geen tien jaar tijd. In tijden waarin bands vaak drie-vier jaar nodig hebben om een plaatje in elkaar te knutselen is dat een verademing.

Ook zonder die productiviteit zou hij echter al het nodige krediet verdienen: als stichtend lid van Kyuss stond hij aan de wieg van de moderne stonerrock, en zijn drumwerk op Blues For The Red Sun wordt nog steeds door generaties drummers geïmiteerd. In de tweede helft van de jaren negentig ruilde hij de pioniers in voor Fu Manchu, een onopgemerkte band die hij een aantal albums later verliet om op z’n eentje aan de slag te gaan.

Al z’n platen volgen dezelfde werkwijze. Soms is er wat meer pop (Brant Bjork & The Operators), of gaat het er wat introverter aan toe (Local Angel), maar doorgaans kan je ze beschrijven als een zongedroogde riff-o-rama waarbij het prima wiet paffen en pinten pakken is. Bjork is immers een synoniem geworden voor hangmattenluiheid. Simpeler dan “Low Desert Punk”, “Cheap Wine” en “I Miss My Chick” vind je ze niet, maar als de man en zijn band in een goede dag zijn, dan volstaat dat om zelfs tijdens de guurste wintermaanden de heetste feestjes op touw te zetten.

De invloeden zijn nog steeds dezelfde: Jimi Hendrix (het geluid, de licks, de seks), Thin Lizzy (de zanglijnen), soul, funk, en vooral de geneugten des levens. Ver verwijderd van de moddervette psychedelica van Kyuss dus, en toch kan de muziek evenzeer aanspraak maken op het stoner-label. Bjork (zang/gitaar) wordt opnieuw bijgestaan door vaste begeleiders Dylan Roche (bas) en Cortez (gitaar), en door (Kyuss-drummer) Alfredo Hernandez achter de drumkit.

De songs zijn van het soort waar je weddenschappen mee kan houden: geen mens die ze na zo’n reeks albums nog uit elkaar kan houden. “Turn Yourself On,” “Love Is Revolution”, “The Native Tongue”, “Ultimate Kickback”: allemaal zijn ze gebaseerd op een goed in het gehoor liggende riff die voor hetzelfde geld tot in het oneindige wordt herhaald. Rudimentair, maar wel uitermate groovy.

Nu en dan wordt er eens gespeeld met de formule, maar zelfs dan zijn de verschillen minimaal: het door stonericoon Mario Lalli meegezongen “Freaks Of Nature” is wat vuriger, en “Oblivion” is wat beknopter dan het gros van de songs. Naar het einde van de plaat worden er blaasinstrumenten uit de kast gehaald: “Lion Wings” is extra mellow, maar blijkt helaas niet meer dan een spacey schets te zijn.

Dan liever het door Roche gepende “Blood In The Gallery”, een stevig funkende kontendraaier die leentjebuur is gaan spelen bij Sly & The Family Stone, en de plaat in extremis nog extra dansbaar maakt. Het is jammer dat Bjork & Co. niet meer van deze experimenten verwerkten, want het was de variatie zeker ten goede gekomen.

Somera Sól is minder vrijblijvend dan Local Angel en heeft wat meer focus dan Saved By Magic, de vorige plaat met The Bros. Zij die op zoek zijn naar een artiest die zich met elke plaat heruitvindt zijn bij Bjork aan het verkeerde adres, maar wie genoegen neemt met de soulvolle grooverock waar de man intussen een patent op heeft, weet wat te doen. Dit is zo één van die zekerheden waar je soms over hoort spreken.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

3 × vijf =