Cat Power + Dexter Romweber

Wie zich, afgaand op de officiële programmabrochure, niet aan een
voorprogramma had verwacht, moet net als wij even raar opgekeken
hebben toen een vrouw achter de drums ging zitten en Chan Marshall
er opvallend mannelijk en bijgekomen uitzag. Hadden we dan onze
verkeerde bril op? Of stonden we in de verkeerde zaal? Omdat we
maar één paar glazen hebben en de zaal na enige inspectie
weldegelijk het Koninklijk Circus bleek, kon dit alleen maar
Dexter Romweber geweest zijn, met zijn zus Sara
achter drums. Inderdaad, Dexter Romweber, Dex voor de vrienden en
in de jaren tachtig nog helft van het legendarische en zwaar
ondergewaardeerde Flat Duo Jets.
Dexter omschrijft zich graag als een icoon van de Amerikaanse
undergroundmuziek. Met een verbeten trek in het gelaat en een
hevige zus met Japanse haartooi, bracht Romweber een snelle,
gevarieerde set waarin punk, garage (zonder whaa‘s en
whoo‘s) en country in de stijl van Johnny Cash elkaar
afwisselden. Alles werd netjes en met de juiste rock-‘n-roll
attitude gebracht, maar of Europa hierop zit te wachten, is maar
zeer de vraag.

Cat Power, nog steeds het alter ego van Chan
Marshall, liet zich niet zo lang geleden in de AB omringen door een
zee van warmte in de vorm van een heus soulorkest. Een veel
gehoorde en terechte kritiek was dat we toen te veel soul kregen en
te weinig Chan. Ditmaal stonden maar vier muzikanten achter haar en
als Dirty Delta Blues brachten ze elk nummer in een bluesversie.
Als u dacht dat ‘slechts’ vier mensen ons dichter tot de
oorspronkelijke Cat Power zouden brengen, had u het mis, want wat
we hoorden was een gevecht tussen de stem van Chan – die de hele
avond geen instrument heeft aangeraakt, de gitaar van Judah Bauer
(Jon Spencer Blues Explosion) en het orgel of de piano van Gregg
Foreman (The Delta 72). Jammer genoeg kwam Marshall hier niet
altijd als overwinnaar uit en eisten de gitaaruithalen (‘Living
Proof’) of het orgel (‘Willie’) te veel van de aandacht op.

De set op zich bevatte eigenlijk geen enkele zwakte. Aan de andere
kant dient gezegd dat het vergeefs wachten bleef op iets
overweldigends. Dan was ‘Silver Stallion’, een cover van The
Highwaymen, misschien nog het hoogtepunt van de avond, met erg
leuke refreinversnelligen als Chan “We’re gonna ride” inzette. Een
cover, precies, en het bleek niet de enige, want de helft van de
setlist bestond uit onuitgegeven covermateriaal. Dat ging van
‘Making Believe’ (Emmylou Harris), over ‘Don’t Explain’ (Billie
Holiday) tot ‘Tracks of My Tears’ (Smokey Robinson) en een in
vergelijking met het AB-concert veel meer
ingetogen versie van ‘Crazy’ (Gnarls Barkley), door
Chan dan tot ‘Cuckoo Bird’ herdoopt. Met uitzondering van opener
‘Naked If I Want To’, dat ons eigenlijk wat valse hoop op ouder
materiaal gaf, kwamen alle bekende nummers van The Greatest waarbij
het vooral wennen was aan de bluesbegeleiding tijdens nummers als
‘Where Is My Love’ en ‘The Moon’.

Het moet zijn dat Chan Marshall zich meer op haar gemak voelt met
sterke muzikanten in de rug en dat ze houdt van muzikale variatie,
want wellicht weet ze ook wel dat haar fans niets liever hebben dan
dat ze breekbaar en vooral alleen haar nummers brengt in een
uitvoering die meer bij de plaatversie aanleunt. Uiteraard kunnen
we enkel tevreden zijn dat Chan überhaupt nog optreedt: gezien de
grote collecties lege drankflessen en de zelfmoordpoging van niet
eens zo lang geleden, is dit geen vanzelfsprekendheid. Een stabiele
performer is MArshall eigenlijk nooit geweest en waar ze vroeger
haar nummers na de intro afbrak of met haar rug naar het publiek
speelde, liep ze nu wat houterig van links naar rechts met hier en
daar een turnoefening of gebarentaal wanneer ze dan toch eens stil
stond. Het is iets wat we er zullen bijnemen, want met haar
bijzonder mooie stem en dito albums ga je gewoon altijd kijken.
Zelfs al is het volgende keer met een acid jazz gezelschap.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

7 + 20 =