Hollywoodland




126 min. / USA /
2006

“Trek nooit blauwe nylons aan met daarboven een rode onderbroek”
is niet alleen een uitzonderlijk goeie modetip, maar
klaarblijkelijk ook zeer verstandig als je een lang leven wilt
leiden. Eén van de meest smeuiige Hollywoodlegendes is immers de
curse of Superman, die zegt dat elke acteur die de rol van
de Man van Staal speelt op tv of in de cinema, vervloekt is om jong
te sterven. Daar kun je natuurlijk nog altijd van maken wat je
wilt; het feit is dat Superman ooit gespeeld werd door twee
Reevesen, met wie het geen van beiden goed is afgelopen.
Christopher Reeve donderde van zijn paard en spendeerde de rest van
zijn leven als een pijnlijk lucide hoofd met een nutteloos lichaam
er onder. En George Reeves, die Superman speelde in de tv-reeks van
de jaren vijftig, werd op 16 juni 1959 in zijn huis gevonden met
een kogel in z’n hoofd. Zelfmoord, luidde de officiële versie – na
het einde van de serie zat Reeves z’n carrière in het slop, hij
dronk teveel en was depressief. Dus knal, en het was meteen bewezen
dat Superman niét faster is than a speeding bullet. Maar
er bleven altijd geruchten de ronde doen dat er moord bij betrokken
was. De waarheid is bijna minder belangrijk geworden dan het
mysterie zelf. Zolang we maar wat te puzzelen hebben en we coole
namen kunnen bedenken als de Superman curse.

In ‘Hollywoodland’ onderwerpt regisseur Allen Coulter de
verschillende hypotheses rond de dood van Reeves aan een niet
bijster prangend onderzoek. Hij vertrekt vanuit het personage Louis
Simo (Adrien Brody), het soort slonzige privé-detective dat in z’n
ongewassen hemd woont en van daaruit zijn leven stilletjes ziet
vermolmen. Hij is gescheiden, probeert contact te onderhouden met
zijn zoontje en volgt ondertussen al dan niet ontrouwe echtgenotes
voor de paranoïde mannen die hem inhuren. Kort na de dood van
George Reeves wordt hij door diens moeder ingehuurd om de zaak te
onderzoeken. Het politieonderzoek is immers te snel afgesloten naar
haar zin en ze vermoedt dat er meer achter zit. Terwijl we in
flash-backs het leven van de Superman-tegen-wil-en-dank te zien
krijgen, komt Simo te weten dat Reeves ruzie had met z’n vriendin
Leonore (Robin Tunney) én dat hij al jarenlang een affaire had met
de echtgenote van Eddie Mannix (Bob Hoskins), een smeerlap van een
studiobaas met banden met de onderwereld.

Enigszins in navolging van ‘LA Confidential’,
probeert Coulter aan dat mysterie een verhandeling op te hangen
over de groezelige schaduwzijde van de Hollywoodse droomfabriek.
Voor de buitenwereld was Reeves een onkreukbare superheld, maar
eigenlijk was hij gewoon een acteur die zichzelf belachelijk voelde
in z’n blauw-rood pakje en na een tijdje depressief werd bij de
gedachte dat hij de rol van Superman nooit van zich af zou
schudden. In één schitterende scène doet Reeves een acte de
présence
op een kinderfeestje en zit hij enkele seconden voor
hij op moet nog te borrelen en te roken – dan staat hij recht en
vraagt hij aan z’n entourage: Can you see my penis in this
thing?
Clark Kent zou zoiets nooit gezegd hebben. Anderzijds
is er het studiosysteem, dat blijkbaar geleid werd als een ware
maffiafamilie – Don Corleone was een lieverdje vergeleken met Eddie
Mannix, een omhoog gevallen stuk straattuig dat over ‘Gone With the Wind’
niets anders weet te melden dan: “That picture made
money.”

Voor filmliefhebbers is dat een interessant gegeven; hoe de
studio’s van toen geleid werden door zakenmannen die absoluut geen
voeling hadden met film en absoluut geen artistieke pretenties
hadden. Een goeie film was één die geld opbracht, einde verhaal.
George Reeves wordt daartussen geplaatst als een acteur die echt
iets te betekenen wilt hebben, maar telkens op moet boksen tegen
z’n eigen imago. Ben Affleck, of all people, levert een
erg sterke prestatie als Reeves. Affleck heeft een paar moeilijke
jaren gehad – hij draaide de éne stinker na de andere, en z’n
high profile relatie met Jennifer Lopez zorgde ervoor dat
hij één van de grootste jokes van Hollywood werd. Een
prent als ‘Hollywoodland’ is misschien net wat hij nodig heeft:
relatief low budget, een “acteursfilm” waarin hij langzaam
maar zeker weer wat krediet kan opbouwen.

Die blik op de al bij al niet zo onschuldige jaren van de
filmindustrie is best wel boeiend; minder fascinerend is het
bindverhaal rond Louis Simo. Adrien Brody’s personage komt zelden
écht tot leven. De problemen die voor zijn personage werden bedacht
in een poging enige diepgang aan hem te geven (auw, mijn
huwelijksmoeilijkheden doen pijn!) zijn voor de hand liggend en
oppervlakkig. Hij loopt door de prent als een levend cliché van de
film noir uit de jaren veertig, maar hij blijft
overduidelijk een constructie, in plaats van een echt mens. Zijn
functie in de film is om de kijker binnen te leiden in dat louche
filmwereldje en vooral om verschillende verklaringen voor de dood
van Reeves aan te reiken. Was het zelfmoord of moord? En als het
moord was, wie heeft het dan gedaan? Allen Coulter geeft ons drie
mogelijkheden, maar wie weet? Door de film op z’n minst
gedeeltelijk door de ogen van Simo te bekijken, hoeft Coulter zich
niet aan één antwoord te binden. Simo weet het niet zeker, dus wij
ook niet, en daar moeten we dan maar mee leven. Als we een
dergelijk personage niet hadden gehad, dan zou de regisseur
vasthangen aan één interpretatie en zou de ambiguïteit meteen weg
zijn. Allemaal goed en wel, maar als personage weet Simo nooit die
verhaaltechnische functie te overstijgen.

Dat houdt in dat we tijdens de lange delen van de film waarin
hij optreedt, maar al te vaak zitten te wachten tot het verhaal
weer overschakelt naar het deel van George Reeves zelf. Adrien
Brody zet z’n beste tough guy-accent op om bij z’n warrige
uiterlijk te passen, maar heel die verhaallijn wil maar niet tot
leven komen. Met zoveel ballast slaagt ‘Hollywoodland’ er nooit in
om écht op stoomkracht te raken, wat jammer is, want de scènes met
Affleck tonen wel de belofte van iets bijzonders.

Op visueel vlak lijkt Coulter lichtjes geobsedeerd te zijn door
fifties parafernalia: alle personages zien eruit alsof ze
komen weggelopen uit een catalogus van destijds – de
cocktailjurken, de pakken, de auto’s, de huizen… Het wordt
allemaal vlekkeloos in beeld gebracht, maar het beantwoordt ook
allemaal zo nadrukkelijk aan onze verwachtingen van films in die
periode, dat het alle spontaniteit verliest. Je gelooft nooit dat
die personages echt wonen waar ze wonen of de kleren die ze aan
hebben echt uit de kast hebben genomen, neenee, een set designer en
een kostuumontwerper hebben hen die dingen gegeven. Dit soort
zorgvuldigheid kan zichzelf ook wel eens afstraffen door
uitgecalculeerd en geënsceneerd over te komen.

Eigenlijk zou ik toch eens een versie van ‘Hollywoodland’ willen
zien met alléén maar het George Reeves-verhaal. De tragedie die
zijn leven was en het mysterie van zijn dood moeten toch genoeg
stof voor een boeiende film leveren zonder dat daar een
cliché-detective achter aanloopt?

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

13 − een =