Little Miss Sunshine




102 min. / VS /
2006

Na het bekijken van het prettig gestoorde ‘Little Miss Sunshine’
werd ik overvallen door een pseudo-filosofische bui. Dit kleine
filmpje is namelijk het bewijs dat ook de filmwereld aan elkaar
hangt met dialectische bewegingen. Laat me dit even toelichten. Een
half jaar geleden werd één van de grootste zeepbelhypes in jaren op
de mensheid losgelaten: de verfilming van ‘The Da Vinci Code’. Het
Vaticaan schudde met het vuistje, het publiek liet zich blindelings
manipuleren en Ron Howard wreef al in de pollekes. De
scheet in de fles mocht daarenboven het filmfestival van Cannes
openen, dus het moest wel de moeite zijn. Er ging volk kijken,
veel volk zelfs, maar wat bleef er over na twee weken? Bitter
weinig. De affiches waren al lang uit het straatbeeld verdwenen, de
film werd op z’n best halflauw ontvangen door het publiek en de
allesvretende massa was al volledig in de ban van de de volgende
aftelhype (iets met piraten, een uit de kluiten gewassen octopus en
veel mascara). Een zoveelste geforceerde marketingdiarree die even
snel uitdroogde als ze opkwam. En dan krijg je zoiets als ‘Little
Miss Sunshine’, een piepklein filmpje dat nauwelijks bekende koppen
in huis heeft, over geen miljoenenbudget beschikte om de media te
kapen, maar dankzij zijn aanwezigheid op het Sundance Film Festival
toch een prikkelende hype wist te ontketenen. Een hype die niet in
gang werd gestoken door de men in suits maar door het
publiek en een onverwoestbare mond-aan-mondreclame. De
publiekslieveling werd steeds populairder, groeide uit tot dé
verrassingshit van de voorbije zomer en haalt met een beetje geluk
de rode loper van de nakende Oscarrace. Zelfs het verwijfde kapsel
van Tom Hanks zag dit dondersteentje in de verste verte niet
aankomen…

We maken kennis met de Hoovers, de meest disfunctionele familie
sinds Wes Anderson zijn ‘Royal Tenenbaums’
voorstelde. Vader Richard (Greg Kinnear, die de laatste tijd steeds
beter lijkt te acteren) is een mislukte motivatiespreker met een
‘how to become a winner’-stappenplan, oom Frank (Steve
Carell) is een homoseksuele docent die net een zelfmoordpoging
achter de rug heeft, zoon Dwayne (Paul Dano) leeft al negen maanden
met een zwijggelofte, het zevenjarige dochtertje Olive (Abigail ‘zo
schattig dat je ze tussen een pannekoek wil rollen en opeten’
Breslin) is geobsedeerd door schoonheidswedstrijden, opa (een
briljante Alan Arkin) is een vuilbekkende heroïneverslaafde en
moeder Sheryl (Toni Colette) probeert het zootje ongeregeld samen
houden. Op een dag krijgt de familie te horen dat Olive
geselecteerd is voor de finale van een beauty contest (zo’n typisch
Amerikaanse ‘lok de pedofielen eens uit hun nest’-wedstrijd waar
jonge meisjes opdraven als levensechte barbiepoppen, the horror!)
in Californië. Ze hebben nauwelijks tijd om er te geraken, totaal
geen zin om twee dagen met elkaar opgescheept te zitten maar daar
gaan ze dan, in een krakkemikkig Volkswagen-busje richting
westkust, om dochterlief koste wat het kost naar die tenenkrommende
parade te krijgen.

Van heel ver toont ‘Little Miss Sunshine’ misschien
gelijkenissen met platte road trip-komedies à la ‘National
Lampoon’s Vacation’ of het onlangs uitgekotste ‘RV’, maar godzijdank
bevinden we ons dichter bij het disfunctionele vaarwater waar vorig
jaar ‘Sideways’
nog gezapig langs kabbelde. ‘Little Miss Sunshine’ is namelijk een
verhaal over sympathieke losers (en neen, Jean-Marie Dedecker
behoort niet tot die categorie) die veel herkenbaarder zijn dan
eender welke zelfverklaarde normale mens. De familie Hoover is een
nest buitenbeentjes dat bijna ten onder gaat aan de interne
conflicten (Again with the fucking chicken!’
brult opa wanneer er nog maar eens een emmer vettige kippebillen
wordt voorgeschoteld als avondeten) en persoonlijke
teleurstellingen. Ze hebben allemaal hun verwachtingen (pa wil een
uitgeverscontract voor zijn boek, zoon wil bij de luchtmacht,
dochter wil schoonheidsprinses worden en opa wil zijn dagelijkse
portie seks en drugs), maar keer op keer worden ze geconfronteerd
met het feit dat ze nooit die Amerikaanse droom (wat dat ook mag
betekenen) zullen waarmaken. Vervolgens wordt de onderhuidse
spanning nog extra opgedreven door de kliek in een busje te steken
(dat al even erg rammelt als de familie zelf) en ze de baan op te
sturen. Als een soort ultieme test zullen ze met zichzelf en met
elkaar moeten leren leven. Dat is zo’n beetje het licht-satirische
kader waarin wonderkoppel Dayton en Faris hun bijzonder grappige
tragikomische road trip uitstippelen.

Wat ‘Little Miss Sunshine’ zoveel meer maakt dan de som van zijn
delen, is de manier waarop alles, op een bijna wonderbaarlijke
wijze, zo harmonieus samenkomt. De hoofdplot is vrij klassiek, maar
de zijkronkels barsten van de originele en onverwachte vondsten.
Kijk maar eens hoe Frank zich in alle bochten wringt om zijn
zelfmoordpoging en mislukte liefdesleven zo verantwoord mogelijk
uit te leggen aan zijn nichtje (‘You fell in love with a boy?
That’s silly!’)
. De personages krijgen voldoende diepgang mee
om te ontsnappen aan het typische ‘leuke maar betekenisloze
typetjes’-etiket en ook qua humor valt ‘Little Miss Sunshine’
nauwelijks in één hokje te plaatsen. Zwarte komedie, clevere
satire, ouderwetse slapstick (de running gag met het starten van
het busje is een instant-klassieker), kurkdroog sarcasme (Richard:
‘Sarcasm is just losers trying to bring winners down to their
level’.
Reactie van Frank: ‘Wow, you’ve really opened my
eyes to what a loser I am. How much do I owe you for those pearls
of wisdom?’
) en sappige oneliners; het zit er allemaal in en
het is perfect gebalanceerd. Ongelooflijk straf noem ik dat en het
deed me zelfs denken aan het betere komische werk van Billy
Wilder.

De cast is nagenoeg perfect. De dialogen zijn al geweldig, maar
ze worden nog beter wanneer ze de juiste eigenaar krijgen om ze te
brengen. Ik ga hier niet elke acteur een lyrische bewierooking
verschaffen (onze recensies zijn al lang genoeg), maar voor twee
uitschieters maak ik graag een uitzondering. Steve Carell brak
vorig jaar door met het verrassende amusante ‘The 40 Year-Old Virgin
en bevestigt met ‘Little Miss Sunshine’ niet alleen zijn talent
voor komische timing maar hij laat ook zien dat hij een meer
serieuze rol aankan. Zijn air de tristesse en
melancholische weemoed is zo schrijnend dat hij zonder probleem een
treurwilg-trio met Paul Giammatti en Bill Murray kan vormen. De
andere eervolle vermelding gaat naar Alan Arkin als chagrijnige
grootvader. Of hij nu smakeloze seksanekdotes vertelt of een
ontroerende peptalk heeft met zijn kleindochter, Arkin steelt elke
scène waarin hij passeert en dat terwijl zijn personage het minst
is uitgewerkt, crazy! Maar bon, de rest van de acteurs
zijn in principe even sterk bezig (hou die kleine Abigail maar in
de gaten) en moest er een Oscar voor beste ensemble bestaan,
‘Little Miss Sunshine’ had ‘m al lang in z’n zak zitten.

Het is pas wanneer de nu al legendarische finale (de draak
steken met schoonheidswedstrijden is altijd lachen) in gang wordt
getrokken dat je ten volle beseft naar wat voor een verrukkelijk
stukje feelgood-cinema je al anderhalf uur hebt zitten loeren. Het
is een hilarische, verrassende en vooral bevrijdende katharsis
waarbij ik mij letterlijk moest inhouden om niet uit mijn zeteltje
te springen en te beginnen applaudiseren. Net zoals de finale is
‘Little Miss Sunshine’ een crowdpleaser die nergens
oppervlakkig wordt, oprechte emoties bevat en z’n bitterzoete
boodschap met evenveel scherpte als warmte overbrengt. Kortom, de
kleine losers zijn wel degelijk grote winnaars.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

vijf × vijf =