When a Stranger Calls




Stel, je moet moederziel alleen babysitten tijdens een stormachtige
nacht en je wordt constant bestookt met enge telefoontjes die
vooral bestaan uit verdacht astmatisch gehijg en gekreun. Wat doe
je? Eén, u zegt tegen Felice dat het een leuke grap is, maar dat
hij er nu toch wel mee mag stoppen. Twee, u speelt het spelletje
mee door nog harder te hijgen in de telefoon en doet er een schepje
bovenop met slurp-en boergeluiden. Of drie, je belt zo snel
mogelijk Simon West en zijn onmiskenbare talent op om uw
hemeltergende nachtmerrie te verfilmen. Wel, u hebt geluk, want de
grote cineast achter tijdloze filmparels zoals ‘Con Air’ en ‘Tomb
Raider’ heeft uw nachtmerrie, een remake van een thriller uit ’79
met dezelfde titel, al helemaal ingeblikt om de meerwaardezoeker te
verwennen met een zenuwslopende mix van clichés, clichés en ja
hoor, clichés!

De zestienjarige Jill Johnson (Camilla Bell die op haar eentje de
hele film op haar onervaren schouders moet dragen) heeft een
slechte dag: haar vriendje heeft een tong gedraaid met één van haar
vriendinnen en vader is boos omdat ze teveel telefoneert. U merkt,
de scenarist heeft serieus gezweet om het hoofdpersonage enige
psychologische diepgang mee te geven. Als straf moet Jill gaan
babysitten bij een rijk koppel zodat ze de telefoonrekening van
vader kan terugbetalen. En zo zijn we vertrokken voor één van de
traagste set-ups sinds ‘Halloween’ van John Carpenter. Jill
slentert door het huis (met in het midden een gigantisch atrium met
vogels en vissen, kwestie dat de stalker en prooi toch nog een
beetje creatief verstoppertje kunnen spelen verderop in het
verhaal) en voor de rest zit ze zich al even suf te vervelen als
het publiek in de zaal. Tot ze plots een telefoontje krijgt van een
anonieme beller. Aanvankelijk houdt de stalker het op wat verlegen
gehijg, maar al snel ontglippen hem vlotte versiertekstjes zoals
‘I want your blood all over me!’, die psychopaten
toch…

Je moet het origineel niet gezien hebben om hier een belletje te
horen rinkelen. Inderdaad, de openingsscène uit ‘Scream’ met Drew
Barrymore was een hommage aan die obscure slasherprent uit ’79, die
blijkbaar een semi-cultstaus heeft verworven. Craven had tien
minuten nodig om een heerlijke sequens op poten te zetten die
ongemeen spannend was, maar ook de zelfrelativerende toon zette van
de postmoderne slasher die erop volgde. West heeft niet alleen veel
meer tijd nodig maar slaagt er ook in om elk greintje fun uit het
concept te zuigen door er een uiterst repititieve en suffe
telemarathon van te maken.

Simon West had grote voornemens toen hij aan zijn remake van ‘When
A Stranger Calls’ begon. Een voornemen om eindelijk eens een film
te maken die niet zo hard zuigt als de hond zijn onwelriekend
klokkenspel? Wel, nu even niet, maar hou het in gedachten voor zijn
volgende pellicule-bevuiling. West heeft deze keer een weddenschap
gesloten om niet alleen een flinterdunne premisse tenenkrullend
lang te rekken over anderhalf uur (weet dat dit eigenlijk een
remake is die zich beperkt tot de eerste twintig minuten van het
origineel, van overmoed gesproken), maar om het vehikel ook nog
eens vol te proppen met de meest afgezaagde clichés van het
slasher-genre. Ik zie hem al staan met zijn bestellijstje in het
rekwisietenwinkeltje. ‘Voor mij een zwarte kat, de volledige
collectie enge onweersgeluiden, een grijze overjas voor m’n
moordenaar, en heb je nog een gammel poortje staan dat een piepend
geluid maakt? En geef me die Vincent Price-lookalike ook maar mee,
je weet maar nooit!’ Punt is, dit is niet zozeer een film als wel
een strontvervelende opeenstapeling van de grootste
textbook-clichés.

De regisseur gedraagt zich eigenlijk net zoals zijn vrouwelijk
hoofdpersonage, alsof hij nog nooit een slasherfilm heeft gezien.
Een andere verklaring kan er gewoon niet zijn om zijn parade aan
voorspelbaarheden en inspiratieloze spanningsopbouw te
verantwoorden. In 1996 moest Craven al een postmoderne twist
gebruiken om het slashergenre opnieuw genietbaar te maken – een
vernieuwing die nu, tien jaar later, ook al verouderd is. West doet
echter geen enkele moeite om ook maar iets origineels of
spitsvondig aan te vangen met de aloude clichés. Hij loopt ze
gewoon af zoals ze al honderd keer eerder zijn gebruikt. Het lijk
achter de deur, de onheilspellende weersomstandigheden, de
onverwachte bezoeker, die aanzwellende muziek telkens er gevaar
loert, de mysterieuze geluiden in het huis, ze zijn er allemaal en
je weet telkens opnieuw waar het op uitdraait. De regisseur heeft
de bouwblokjes ter beschikking, maar hij zou verdomd niet weten hoe
hij ze in elkaar moet zetten om er iets leuks van te maken.

Wanneer je dan toch naar zo’n saaie thriller zit te kijken, dan
begin je automatisch op onnozelheden en onlogische details te
letten. Zo werkt dat nu eenmaal als de verveling toeslaat. Een
kleine greep uit de fronsinducerende momenten: We hebben een
hypermodern huis, tot de kleinste koffielepel beveiligd met een
state-of-the-art alarmsysteem, en toch kan een vriendin van Jill
zomaar binnenwandelen omdat de garagepoort open staat. Nog eentje:
de avond dat Jill moet babysitten is er blijkbaar een huishoudster
aanwezig. Als die er dan toch is, zou zij dan niet op de kinderen
kunnen letten? En hoe weet die stalker eigenlijk dat er iemand moet
babysitten in dat afgelegen huis op die specifieke avond? Heeft hij
dit maanden op voorhand zitten plannen ofzo? Zoals Frankie Loosveld
het zo mooi kon zeggen: ‘Zever, gezever!’

‘When A Strangers Calls’ is slechter dan crap. Het is een doodsaaie
would-be thriller zonder bloed en spanning die al na de opening
credits bezwijkt onder de onbekwaamheid van de regisseur, een
zwakke actrice en het eindeloze irritante telefoongerinkel. Wat is
er erger dan een slechte thriller? Eén waar je zelfs niet mee kan
lachen. Slaapwel!

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

18 + 9 =