On a Clear Day




De Britten zijn leuke mensen, maar ze weten van geen ophouden.
Maken ze eens één keer een aardige romantische komedie (‘Four
Weddings and a Funeral’), voelen ze zich zonodig geroepen om het
genre uit te blijven melken tot enkel het woord romcom
alleen al voldoende is om elk verstandig mens aan het kokhalzen te
krijgen. En net hetzelfde hebben ze nu gedaan met wat je de
sociale komedie zou kunnen noemen: tragikomische filmpjes
over working class-mensen die geconfronteerd worden met tegenslagen
maar, met een lach en een traan, toch hun waardigheid weten te
behouden. In de jaren negentig beleefde het genre hoogdagen met
‘Brassed Off’, ‘The Full Monty’, ‘Little Voice’ en (iets later)
‘Billy Elliot’. Maar er kwam met elke volgende productie meer sleet
op de formule te zitten – nog een ‘Dear
Frankie’
, iemand? Nu bereikt ons van over de kleine plas ‘On a
Clear Day’, een zoveelste poging tot inspirerend drama. “Alles is
mogelijk”, schreeuwen de makers ons toe, “nooit opgeven!” Zou ik
als antwoord daarop vriendelijk mogen verzoeken dat de regisseur en
scenarist het wél opgeven? Zo te zien wordt het toch niets.

Peter Mullan speelt Frank, een 55-jarige havenarbeider die na meer
dan dertig jaar trouwe dienst wordt ontslagen wegens bezuinigingen.
De krasse vijftiger weet aanvankelijk niet wat hij moet doen: op
zijn leeftijd en zonder diploma is het moeilijk om nog aan ander
werk te raken. Wanneer Danny (Billy Boyd), een vriend, in het
zwembad de opmerking maakt dat Frank fit genoeg is om het kanaal
over te zwemmen, besluit Frank om precies dat te gaan doen. Hij wil
bewijzen dat hij nog niet totaal waardeloos is en begint aan een
strenge training om de oversteek van Dover naar Frankrijk te
wagen.

Hartverwarmend, niet? Regisseur Gaby Dellal is hier aan haar eerste
lange film toe en lijkt vooral niets aan het toeval over te willen
laten om u toch maar aan het huilen te brengen. Het lijstje
sentimentele ingrepen dat ze daarvoor aanwendt is pijnlijk voor de
hand liggend, maar laten we toch eens kijken. Zo is er het
onvermijdelijke trauma uit het verleden: Frank heeft ooit een
zoontje verloren bij een ongeluk tijdens het zwemmen, en sindsdien
is hij vrijwel volkomen vervreemd van zijn andere, ondertussen
volwassen zoon, Rob. Iedereen die denkt dat die relatie erop zal
verbeteren door zijn poging het kanaal over te zwemmen, mag nù z’n
hand opsteken.

Nog voorbeelden: Franks vrouw Joan (Brenda Blethyn, zo goed als
onvermijdelijk in dit soort cinema), is bezig aan een opleiding om
buschauffeur te worden, maar vertelt daarvan niets aan haar man, om
hem niet het gevoel te geven dat hij helemaal geen nut meer heeft
in huis. De confrontatie tussen man en vrouw die volgt, mag u
rustig zelf invullen. We krijgen de sympathieke vrienden die zich
bezighouden met Franks training (ze hebben schijnbaar toch de hele
godganse dag absoluut niks anders te doen), en zelfs een
gehandicapt jongetje dat Frank ontmoet tijdens z’n training in het
zwembad. ‘Kijk dat kereltje nu,’ horen we Frank zeggen met van
emotie dik aangezwollen stem. ‘Het is een hele prestatie voor hem
om de breedte van het zwembad over te steken. Maar als hij er dan
raakt – de vreugde op zijn gezicht!’ Frank heeft daarbij Kleenex
nodig, ik eerder een kotszakje.

Aan de realiteit wordt daarbij rustig voorbij gegaan: zes maanden
lang zit Frank zonder werk terwijl hij zich voorbereidt op zijn
oversteek, maar we horen hem en Joan nauwelijks over geld praten.
Waar leven die mensen van, zolang Joan nog niet met de bus rijdt?
Hoe bestaat het dat Franks vrienden hem heelder dagen kunnen
helpen, zonder ooit te moeten gaan werken? Ook allemaal ontslaan?
En vooral: wat gebeurt er eens Frank het kanaal over is geraakt?
Oké, de morele overwinning zal niemand hem dan nog kunnen afpakken,
maar wat dàn? Heeft hij dan plotseling een job, komt er dan
plotseling weer geld in huis? Ach ja, ik ben een veel te
letterlijke geest, waarschijnlijk – het gaat niet om praktische
zaken, maar om een emotionele en morele kwestie. Om het feit dat
Frank aan zichzelf kan bewijzen dat hij nog wat waard is en dat
zijn leven nog zin heeft. Allemaal goed en wel, maar daarna zit hij
toch maar weer blut thuis – hij mag het hebben, z’n morele
victorie.

Peter Mullan kent u van betere films zoals ‘Trainspotting’, ‘My Name is Joe’ en
‘Young Adam’. Ik zou niet weten
waarom hij deze rol heeft aangenomen – wellicht een poging om meer
naambekenheid te krijgen via een luchtige feel good movie,
of misschien had hij gewoon eens zin in iets lichters na al die
zware rollen die hij toegeworpen heeft gekregen. In ieder geval,
Mullan is het beste dat er in ‘On a Clear Day’ te zien is: de man
wurmt zich door scènes heen die normaal gezien zouden zinken onder
het gewicht van hun eigen clichés, door ze te spelen met een
vrijwel volkomen oprechtheid. De enige manier om goed te spelen in
een komedie is door de indruk te geven dat je niet weet dat je
grappige dingen zegt. De enige manier om je staande te houden in
een clichématige tranentrekker, is door te doen alsof je alles wat
je zegt absoluut eerlijk meent; zelfbewustzijn zou dodelijk zijn.
Mullan redt het. De film daarentegen, zinkt als een baksteen.

Dit soort van sociale komedie is ondertussen gedegenereerd tot het
filmische equivalent van de voetbalhymne You’ll never walk
alone
: de boodschap is krek hetzelfde en misschien mooi voor
één keer, maar daarna wordt het al gauw stroperig. En het liedje
zelf is in ieder geval niet om aan te horen.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

16 − 9 =