Killing Joke :: Hosannas From The Basement Of Hell

Bands die na meer dan vijfentwintig jaar nog steeds van jetje geven als hondsdolle maniakken, ze zijn dun gezaaid. Een paar jaar geleden bewees Wire dat de groep nog steeds de snedigste (post-)punk maakt van Engeland, maar ook Killing Joke liet zich niet onbetuigd. En nu is het opnieuw prijs.

Men beweert wel eens dat Motörhead de ultieme ramrockband is. Volume verhult echter amper dat de concerten soms worden afgewerkt met een verdachte routine en blikken die meer zeggen over de laatste afterparty dan de search & destroy-spirit van voorheen. Niets van dit alles bij Killing Joke –- onlangs nog in goede doen in Leuven — dat ook al afstevent op zijn dertigste verjaardag. In 2003 verrasten ze met de comeback van het jaar. Het titelloze album was een schuimbekkend beest dat bewees dat het ontzag waarmee hun naam door collega’s wordt uitgesproken terecht is. Geen Ministry, Nine Inch Nails, Therapy? of zelfs Nirvana zoals we ze kennen zonder Killing Joke. De gele was op dat moment de meest heavy plaat die de band ooit uitbracht, maar deze titel wordt nu overgenomen door Hosannas From The Basement Of Hell, dat er nog een schepje bovenop doet en zich profileert als een van de meest genadeloos beukende albums van 2006.

Alles aan dit album is doordrongen van walging, apocalyptische visioenen en stinkende gal. Van het groteske neobarokke artwork van Victor Safonkin, tot de lillende lappen lawaai die gepresenteerd worden en de opruiende slogans en vaststellingen van opperhoofd Jaz Coleman, Hosannas is een in bijtend zuur gedrenkte oorlogsverklaring aan onverschilligheid. De donderende bassen, monsterlijk vervormde gitaren en hakkende drums zorgen voor een wall of sound die alles en iedereen omver kotst. Naar goede gewoonte zijn de teksten ook geen lachertjes: spirituele armoede, paranoia, economische slavernij, ecologische verwaarlozing, de evolutieleer en bijbelse symboliek staan allemaal ten dienste van hun call to arms, of zoals ze het zelf verwoorden in opener “This Tribal Antidote”: de nood aan “a festival of dissent”. Als de leider van het volk, de hogepriester die predikt vanop de kansel, raast Coleman dan ook met een furie die Lemmy al lang vergeten is.

Het eerste nummer, met z’n van distortion stijfstaande gitaren (denk aan Hüsker Dü op Zen Arcade), is duidelijk bedoeld als kort opwarmertje. Vanaf dan krijg je immers acht songs die bijna een uur lang alles op hun weg vermorzelen. Tijdens het titelnummer gebeurt dat met een nietsontziende, monotone mix van de typische ingrediënten: verpletterende riffs die eindeloos herhaald worden en opruiend gebrul (“I harbour thoughts of killing you / pour petrol on you and then on me”) uit een gewelddadige stammencultuur. Het tempo zakt wat tijdens het grandioze “Invocation”, maar het effect is er niet minder om. De hoogmis is volgestouwd met majestueus strijkerswerk en potten- en pannenpercussie, en kruipt verder aan een pervers slepend tempo. “Implosion” is dan weer Motörhead-goes-industrial, terwijl de minder brute wave van “Majestic”, waarin Coleman zijn gorgelgebrul nu en dan achterwege laat, een toegeving aan de fans van het eerste uur is.

Dansen is iets waar u ons niet snel op zal betrappen, maar mocht dat toch het geval zijn, dan heeft de industrial beat van “Walking With Gods” er mee te maken. Duister, moddervet en bijzonder geschikt om door verlaten slachthuizen te laten knallen. Al zou de aanwezigheid van ontbindende karkassen nog passend zijn. Met het bijna tien minuten durende kapfestijn “The Lightbringer” kent het album zijn laatste hoogtepunt, daarna treedt de verlamming in, zijn de zintuigen afgestompt, is het doel bereikt. Murw. Hosannas is een straffe plaat, maar ook eentje die beukt en blijft beuken tot je je tenslotte overgeeft uit vermoeidheid, met het gevoel volledig sufgeramd te zijn. Enkel te consumeren als u beschikt over karakter en een sterke maag, en geen watje bent als

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

achttien + 15 =