Joseph Arthur :: 23 oktober 2005, Botanique

In de Orangerie-zaal had hij nog nooit opgetreden, maar een zaal of twee verder in de Brusselse Botanique stond hij — Joseph Arthur had het even snel geturfd — toch al zeker vijfhonderd keer. Een groteske overdrijving, maar het gaf wel aan dat het Belgische publiek hem wel ligt. Al moeten we ons oorverdovend stil de vraag stellen of een goed gevuld zaaltje in de hoofdstad wel recht doet aan het onmiskenbare talent van deze New Yorker.

Joseph Arthur lijkt het al jaren niet meer aan zijn getroebleerd hart te laten komen. Toegegeven, de verkoopcijfers vallen een tikje tegen in vergelijking met die van een kakelende kindergroep dezer dagen. En netwerken raken niet overbelast wanneer je een ticket van de man op de kop wil tikken. Maar ach, intensiteit en intimiteit meet men nu eenmaal niet aan de hand van bijvoorbeeld merchandising of gedefinieerde doelgroepen. Al kon je wel na het optreden een dubbele legale bootleg op de kop tikken. En een — extatisch tromgeroffel — button.

Concerten van Arthur zijn nooit mooi afgelijnd. Een vooraf opgestelde setlist hoort niet bij de modus operandi. Al is een verpletterende indruk wel steevast het einddoel. Uniek is alvast de manier waarop Arthur zichzelf op het podium in verschillende geluidslagen wikkelt. Om vanuit die positie bloedmooi en zonder compromis af te rekenen met lurkende demonen en opgelopen trauma’s. Vaak eindigen zo’n gevechten in oorverdovende chaos en trance, van waaruit hij schijnbaar gezuiverd aan een ander nummer begint.

Zo doorbreekt Arthur al vroeg in de set de krakende geluidsmuur met het verbluffende "Can’t Exist", dat eindigt in een poel van noise. Van waaruit hij een schor geroepen, kwade, sublieme versie van "Speed Of Light" de Orangerie instuurt. Hij vraagt tussendoor grimmig om de lichten te dimmen en als dat niet onmiddellijk blijkt te lukken vrees je voor ongelukken. Ook omdat Arthur het nummer, zoals hij dat meestal doet, minutenlang rekt. Maar met een mondharmonica en een grapje bezweert hij het moment. Van Morrison zou ongetwijfeld van het podium gestormd zijn.

Op zijn breekbaarst is Arthur echter zonder de loops en drumpatronen. Ogen dicht en mondharmonica in positie. Gouden medaille in deze discipline ging zondagavond alvast naar het onverwoestbare "Mercedes", waarbij de outro zo hypnotiserend werkte dat we ons afvroegen of we ooit nog wel veilig een kusttram zouden kunnen nemen.

Arthur herkent en erkent ook zijn eigen "klassiekers". Je moet al vinnig gehandicapt zijn om "In The Sun" of het vernoemde "Speed Of Light" de vernieling in te spelen, maar Arthur speelt ze altijd weer even gedreven. Van "Honey And The Moon" — een looploze versie deze keer — zijn we live ooit meer van de kaart geweest, maar zelfs een verstilde versie van dit prijsbeestje joeg de temperatuur richting knus. Enig minpuntje: het té Dylaneske "Famous Friends Along The Coast", waar hij flink uit de bocht gaat. Die Dylan-frasering werkt namelijk niet altijd. Op een lichtjes dreinerige cover van The Smiths’ "There Is A Light That Never Goes Out" zaten we nu ook niet te wachten, maar nu we er toch waren wiegden we nog maar es even mee.

Tijdens het voorlaatste nummer — het troostende "You’ve Been Loved" ("Truly my last song and it’s about love", volgens Arthur) — liet hij de loops het werk doen, zong ingetogen over die liefde en schilderde ondertussen verder aan zijn canvas, dat de hele avond dienst had gedaan als achtergrond. Toch een afgelijnd concert deze keer dus. Ware het niet dat hij het niet kon laten om voor de hardcores — de lichten waren al even aangefloept — nog een laatste nummer te spelen.

De vakbondsafdelingen van Radson en Vasco overwegen ondertussen ongetwijfeld harde acties voor goedkope concurrentie, want na tweeënhalf uur en enkele bisrondes hield Arthur het dan toch voor bekeken. En stuurde ons met een heerlijk warm gevoel de koude nacht in.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

4 − vier =