Metallica :: Some Kind of Monster




Het zijn toch twee heel verschillende wereldjes hoor, de filmscene
en de muziekbusiness. Kijk, in film is het belangrijk om altijd zo
normaal mogelijk te lijken. Filmsterren, de occasionele
uitzondering daargelaten (Dennis Hopper, Charlie Sheen) doen steeds
hun best om de indruk te geven dat ze gewone huismussen zijn als u
en ik: Brad Pitt die beweert dat hij liever met z’n honden speelt
dan met Jennifer Aniston of nu (misschien) Angelina Jolie. Reese
Witherspoon en Ryan Phillipe die trouwen op hun – wat, vijftiende?
– omdat ze toe zijn aan wat geborgenheid. Dat soort dingen.
Filmsterren willen u doen geloven dat ze net zijn zoals iedereen,
terwijl rocksterren – dàt is het leven! Seks, drugs en rock ‘n’
roll, en véél van alles! Wie op z’n vijfentwintigste nog niet
minstens vier keer in een afkickcentrum heeft gezeten, is echt niet
mee met de tijd. Hordes buitenechtelijke kinderen moeten achter je
aan lopen, vrouwen (of mannen, waarom niet?) moeten je aanklagen
omdat je ongevraagd aan hun lijf hebt zitten frunniken, the sky
is the limit.
Excessief gedrag is nog niet excessief
genoeg.

Althans, dat is hun imago. Wie graag dat beeld wil bewaren van z’n
favoriete rockheld, kan maar beter niet naar ‘Metallica: Some Kind
of Monster’ kijken, een documentaire waarin de mythe van de
hardcore heavy metal-helden vakkundig van al z’n franjes
ontdaan wordt. Onder dat exterieur van manische energie, tomeloze
agressie en toondoof, maar knallend luid geschreeuw naar de volle
maan, gaan schijnbaar enkel een paar o zo kwetsbare zieltjes schuil
die hun toevlucht moeten nemen tot therapie om de productie van een
volgende cd te overleven.

Het is 2001 en eerlijk gezegd loopt het niet zo lekker met
Metallica. Het is al jaren geleden dat er nog eens een nieuwe plaat
is uitgekomen, basgitarist Jason Newsted is het afgetrapt omwille
van de fysieke schade die hij zichzelf heeft berokkend bij de live
optredens, zanger James Hetfield zit met een drankprobleem zo groot
als een huis en geen van allemaal hebben ze echt wat je noemt
briljante ideeën voor hun volgend album. Met de moed der wanhoop
trekken ze een studio in San Francisco in, in de hoop dat er een
plaat zal ontstaan. Ze worden hierin bijgestaan door
groepstherapeut Phil Towle, die hen moet leren om opnieuw met
elkaar te communiceren. Pas in 2003 zal de plaat ‘St. Anger’ verschijnen – een hit, daar
niet van, maar niet iedereen was er even enthousiast over, ook niet
hier op de redactie. Filmmakers Joe Berlinger en Bruce
Sinofsky waren erbij om elk moment van de martelgang op film vast
te leggen en het resultaat is ontluisterend.

Het is vreemd om drie metal-goden rond een tafel te zien zitten om
hun tere zieltje bloot te leggen. Dit zijn mannen die op een podium
hun gitaren kapotslaan, die in een micro gillen alsof ze ‘m willen
opvreten en die in hun blote bovenlijf hun transpiratie het publiek
in laten spetteren als waren ze levende sprinklersystemen. En juist
die kerels moet je dan van die vreselijke psychiaterpraat horen
uitslaan als: ‘Ik voel mij bedreigd in mijn individuele
betrokkenheid bij het project wanneer je achter m’n rug om naar de
opnames luistert. Hoe voel jij je daarbij?’ Slaande deuren en
bezopen ruzies, jà, maar dit soort voorzichtige therapeutische
conversaties… Er is niks waar minder rock ‘n roll inzit.

De drie resterende leden van Metallica onthullen zich als ongewild
hilarische figuren: James Hetfield is een pseudo-artistieke
huilebalk die zo onzeker is van zichzelf dat hij ‘s morgens in de
spiegel kijkt en er niet van overtuigd is dat hij het wel is. Hij
verdwijnt bijna een jaar lang uit de studio om z’n drankprobleem op
te lossen en wanneer hij eindelijk terugkomt, mag hij slechts vier
uur per dag werken, wat de anderen vaak tot wanhoop drijft – zit je
net in het midden van een opnamesessie die goed verloopt, moet hij
weer weg. Hetfield echter, is eminent ongeïnteresseerd in wat
andere mensen van hem denken en kijkt de rest van de wereld aan
alsof hij wilt vragen: “Kén ik u ergens van?”

Lars Ulrich, medebezieler van de band, is echter ongetwijfeld de
grootste eikel in het bos: als enige inwoner van de planeet Lars
Ulrich is hij er enkel mee begaan om toch maar iedereen z’n kont te
laten kussen. Hij gaat tekeer als een klein kind dat z’n zin niet
krijgt wanneer hij wordt tegengesproken, roept zichzelf uit tot
kunstkenner omdat de één of andere adviseur hem heeft aangeraden om
een paar immens dure doeken aan z’n muur te hangen (dixit Ulrich:
“Uhm… Ik hou van dat zwart. Net als in het leven.”), en beschouwt
zichzelf blijkbaar als de kunstzinnige ziel van het gezelschap. “Ik
wil dat de nieuwe plaat uitdrukt waar we staan als band,” zegt hij,
niet geheel verstoken van enige zelfingenomenheid. Wat wellicht
verklaart waarom we teksten te horen krijgen als: “My lifestyle
determines my deathstyle – frantic tick tick tick tick.”

Kirk Hammett, tenslotte, probeert zoveel mogelijk kalm te blijven
en houdt zichzelf wijslijk op de achtergrond terwijl die clash van
geaffronteerde ego’s voor zijn neus plaatsvindt. Hij is de enige
halfweg normale ziel van de band.

Het laatste dat je van ‘Some Kind of Monster’ kunt zeggen, is wel
dat het een egostuk is geworden: de leden van Metallica worden op
hun allerzieligste momenten getoond (Spinal Tap is nooit veraf), en
in die zin is het ongelooflijk fascinerend om te zien hoe mensen
die àlles hebben, zichzelf toch de psychologische, emotionele en
fysieke vernieling in kunnen drijven. Teveel drank, drugs, roem en
een veel te fel opgeblazen ego vormen een explosieve mix waar op
termijn niemand aan kan ontsnappen. In ‘Some Kind of Monster’ zien
we de band totaal op hun kont vallen om vervolgens, langzaam maar
zeker, weer recht te kruipen. Of je nu van hun muziek houdt of
niet, het ís een fascinerend zicht op menselijke ijdelheid in z’n
meest groteske vormen.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

3 × 2 =