“One chord is fine. Two chords are pushing it. Three chords and you’re into jazz” :: Over het oneindige belang van Lou Reed voor de rockgeschiedenis

Lou Reeds overlijden zal niet gepaard gaan met een pleiade aan overdreven lofbetuigingen, bon ton als het is om iets dergelijks te doen na een belangwekkend overlijden. Niet omdat de neiging om dat te doen bij hem minder sterk aanwezig is dan bij een ander, wel omdat het moeilijk is het belang van Reed in een kleine halve eeuw popmuziek op te blazen.

Als chroniqueur van de zelfkant van de samenleving — niet evident, anno 1967, toen hij met The Velvet Underground debuteerde — legde hij de basis voor wat later punk en glam rock zouden worden. Het was Mean Streets in verzen, Chandler met akkoorden, en zonder het minimalisme van The Velvet Underground (Reed: “One chord is fine. Two chords are pushing it. Three chords and you’re into jazz”) was er geen Joy Division of Talking Heads, zonder Reeds stem geen Jesus and Mary Chain. Hoewel hij zeker niet de enige was die de onderkant van de maatschappij in simpele akkoorden en literaire frasen vatte, was het wel The Velvet Underground die dat op de meest natuurlijke manier deed. Hij switchte als een kameleon van de schijnbare simpliciteit van Transformer naar de reverb en feedback op Metal Machine Music, en ademde zowel als interviewee, als als performer rock-’n-roll, hart en branie uit, ook in een tijd waarin we onze artiesten steeds liever als levende jukeboxen dan als scheppende kunstenaars zien.

Met The Velvet Underground mag Reed dan al tekstueel amoreel debuteren, muzikaal was elk akkoord tegelijk verontrustend en troostend. Critici lustten er geen pap van — Rolling Stone weigerde debuut The Velvet Underground & Nico zelfs te recenseren — maar zowel collega-muzikanten als de tand des tijds hebben Reeds vroege werk snel naar waarde geschat. De rauwe free-jazz van White Light/White Heat zou dan al vooruitblikken naar diens meest controversiële albums. Het was de laatste plaat waarop de heroïneverslaafde straatdichter te horen was, vanaf The Velvet Underground uit 1968 zou Reed definitief de welbespraakte bard worden die hij erna altijd gebleven is.

Transformer zou in 1972 Reeds eerste solosucces worden. Weinig songteksten blijven zonder muziek zo goed overeind als “Andy’s Chest”, een godvergeten liefdesriedeltje op Pulitzerniveau, iets wat ook idolaat fan David Bowie niet ontgaan was. De arrangementen zijn simpel, de melodieën bijna kinderlijk, maar de taal waarin de aloude decadentie-van-laag-allooi-thematiek gebracht wordt maakt van Transformer een van de vijf beste platen aller tijden. De seksuele ambiguïteit geeft het album een schijnbaar oppervlakkige uitstraling die dwars op de diepgang van Reeds carrière staat.

Het was op Berlin dat Reed zijn thematiek rond ontrouw, drugsmisbruik en geweld het best bracht. Het morele verval van “Sad Song”, waarin Jim rouwen om de dood van zijn geliefde tijdsverspilling vindt, staat andermaal haaks op de simpele compositie van de nummers, dit keer evenwel veel rijker georkestreerd dan het kale Transformer. Hoeft het te verbazen dat ook Berlin pas gevierd werd nadat het initieel verguisd achterbleef in een muzieklandschap dat nog niet klaar was voor Reed?

Dat Reed na Berlin vooral als etterbuil school maakte en muzikaal steeds minder ging voorstellen is een mythe die de waarheid geweld aandoet. Street Hassle is rauw en vol zwaargewonde zielen exquise, New York tekstueel briljant en muzikaal brutaal, Songs For Drella, de In Memoriamplaat voor Andy Warhol die hij in 1989 samen met Velvet Undergroundkompaan en eeuwige antipool John Cale opnam, historisch postmodern. De manier waarop Reed op The Raven Poe interpreteerde is proeve van zijn grote literaire vakmanschap, zijn live-opvoering van Berlin in St. Ann’s Warehouse het antwoord op iedereen die beweert dat Reed later in zijn carrière tot niks meer in staat was.

Reed wegzetten voor zijn stuurse karakter en moeilijke houding is voorbijgaan aan de combatieve wreedheid die zijn teksten kenmerkt, een thematiek die ook in zijn houding tegenover de wereld doorschemerde, maar die altijd hand in hand ging met de sterke wil om zijn publiek te amuseren. Want naast biograaf en estheet van de marginaliteit was Reed ook gewoon een liefdesdichter pur sang, een emotioneel wonderkind dat een gevoeligheid zonder voorgaande in zijn lyriek legde. Reed was, zowel in positieve als negatieve zin, een eigengereid kunstenaar, die hard als steen vasthield aan wat hij als rock-’n-roll zag, maar tegelijk poeslief “Goodnight Ladies” en “Pale Blue Eyes” reciteerde. Artiest én mens, dus. Of, met de woorden van John Cale: The world has lost a fine songwriter and poet…I’ve lost my ‘school-yard buddy’.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in