Josh T. Pearson

De affiche van Les Nuits Botanique bracht bij menig
muziekliefhebber het water in de mond. Je kon er smullen van de
felgekleurde, psychedelische Sufjan Stevens, wegdromen bij de
Scandinavische gitaarpop van The Tallest Man on Earth of gewoon
volledig uit de bol gaan bij het knettergekke Pere Ubu. Er was
echter ook een gaatje voor intimistische luistermuziek en daarvoor
was het Museum het uitgelezen zaaltje. Met tapijten op de vloer,
zeteltjes waarin het heerlijk wegzakken is en bovenal amper genoeg
ademruimte voor de gasten van het gemiddelde trouwfeest, kon de
organisatie geen betere plek gekozen hebben voor Josh T.
Pearson
en zijn door summier gitaargetokkel begeleide
zielsroerselen.

Of toch, want de voyeuristische kijk die Pearson ons gunde in
zijn van depressie en overspel doordrongen dagboek werd meer dan
eens overstemd door de band die in een aanpalende zaal ten dans
speelde. “I’m afraid I won’t be as awesome as I normally am”,
waarschuwde de bard met indrukwekkende baard weinig bescheiden.
Daarmee bleek meteen Pearsons gespleten persoonlijkheid: daar waar
hij de songs op ‘Last of the Country
Gentlemen
‘ van een ruime dosis zwart gal voorziet, ontpopte hij
zich gisteren in zijn bindteksten tot een moppentapper eerste klas.
Al schilderde hij ook in zijn grappen geen al te rooskleurig
plaatje van het muzikantenbestaan: “What’s the difference between a
musician and a large pizza?” “The pizza can feed a family.”

Het was dan ook even slikken om te zien hoe vlot Pearson de
overgang maakte van stand up naar hang down
zeggen dat je bij het horen van zijn songs moedeloos wordt, is een
understatement van jewelste. Al bij opener ‘Sweetheart I Ain’t Your
Christ’ stond het huilen hem nader dan het lachen: hulpeloos
beroerde Pearson de snaren van zijn gitaar om een lost
cause
te bezingen. “You don’t need a lover or a friend / You
need a God and not a mortal man.” Tijdens ‘Woman When I’ve Raised
Hell’ klonken zowel Pearson als zijn gitaar zo mogelijk nog
hopelozer, al verscheen wel een kleine glinstering in zijn ogen
toen hij over zijn “queen” zong. Nu ja, prevelde.

En daar komen we meteen bij het pijnpunt van de avond. Op plaat
staat Pearsons minimalistische muziek – enkel hier en daar
opgefleurd door een likje viool of piano – garant voor een
aanzienlijke dosis kippenvel en live zou dat effect nog sterker
moeten zijn, ware het niet dat zowat elk stil, intiem moment
overschaduwd werd door de band die in het zaaltje ernaast vrolijk
stond te spelen. Als tegenreactie plengde Pearson als een bezetene
op zijn snaren waar soms net iets te veel reverb op stond,
wat qua aanval op onze trommelvliezen kon tellen.

Toch was het vooral ons broze hartje dat beschadigd van de
Botanique terugkeerde, want het occasionele mopje en de bizarre
opmerkingen over de opgezette vogels die in het Museum boven
Pearsons hoofd cirkelden – “Damn, why did i have to get the
vulture?” – boden verre van voldoende tegenwicht op de
droefgeestige songs. “We’re the kind who have 10,000
would-be-great, ungrateful, too-long, run-on songs” zingt Pearson
in het bewust van spelfout voorziene ‘Cuntry Dumb’, maar hoewel de
nummers op ‘Last of the Country Gentlemen’ makkelijk de
tienminutengrens overschrijden, is geen grammetje zelfmedelijden,
depressie of filosofische mijmering er te veel aan.

Met amper vijf songs vulde Pearson zo toch een set van iets meer
dan een uur – en dat heus niet enkel met zijn humoristische
bindteksten. Wij onthouden een muzikant met twee gezichten, die
zich met zijn gitaar moeiteloos een weg naar onze tere ziel wist te
banen. Alleen jammer dat het bloedstollende ‘Honeymoon’s Great:
Wish You Were Her’ door slaapgebrek uit de set geschrapt werd,
anders hadden we het Museum vast en zeker in tranen verlaten.
Pearson waarschijnlijk met ons.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in