Misdaadkomedies zijn een heikel genre. De brutaliteiten en stilisme van een misdaadprent koppelen aan humor die ook werkt, is een dunne lijn die niet veel filmmakers succesvol weten te bewandelen. Zelfs Hong Kong, tijdens de jaren negentientachtig het gedoodverfde wereldcentrum voor dit genre, slaagde er niet altijd in de mix perfect te krijgen. Wellicht behoren enkel de Coen-broers tot de weinige echte meesters in misdaadkomedies (Fargo, Drive-Away Dolls). Met twee jaar vertraging (de film speelde al in 2024 op het festival van Venetië) komt nu El Jockey in de zalen, een Latijns-Amerikaanse (vooral Argentijnse) co-productie die de valstrikken van dit soort cinema weet te omzeilen en bovendien alles heel stijlvol en cinematografisch intelligent verpakt.
Regisseur van dit verhaal over Remo Manfredini, (een jockey die na zijn hoogdagen verzeild raakte in een roes van alcohol, verdovende middelen en misdadige omgevingen) is Luis Ortega, niet een van de grote namen van de Zuid-Amerikaanse cinema en internationaal eigenlijk enkel bekend omdat hij twee episodes voor zijn rekening nam van de serie Narcos: Mexico. Dat Ortega geen grote bekendheid geniet, neemt niet weg dat hij zijn vak verstaat. Als zijn film echter een soort bizarre mengeling is van Aki Kaurismäki en Lissandro Alonso (en bij momenten een videoclip van de Pet Shop Boys) dan is dat evenwel ook zeker te danken aan de aanwezigheid van fotografieleider Timo Salminen, die met die beide cineasten samenwerkte en hier zeker een aantal elementen van hun filmtaal binnensmokkelt.
Toch slaagt El Jockey erin om voldoende een eigen gezicht te hebben en dat is vooral te vinden in de combinatie van vaak flamboyante beelden, licht surrealisme en uiterst onderkoelde humor. De makers hebben oog voor de manier waarop composities een situatie nog net iets meer in de juiste komische of absurde richting kunnen duwen en maken optimaal gebruik van de botsing tussen onbeweeglijk gebrachte dialogen en barokke omgevingen en gebeurtenissen. Zo’n moment is zeker Remo die pardoes van een verhoogde verdieping ploft na uit bed te stappen – een ruimtelijke oriëntatie die de kijker eerder nochtans perfect werd duidelijk gemaakt, maar door de positionering van de camera weer uit het geheugen verdwijnt. Door dat trucje ontstaat plots een bijzonder geestige situatie die berust op verrassing en tegelijkertijd het erkennen van wat je zelf evenzeer als het personage vergeten was. Dat benutten van zogenaamde “off-screen space” die plots betrokken wordt bij de actie, wordt hier op uiterst spitsvondige manier ingezet voor komisch effect.
Dat de tweespalt tussen afstandelijk en uitbundig steeds werkt, is zeker ook toe te schrijven aan hoofdrolspeler Nahuel Pérez Biscayart, die de immer starende protagonist Remo (over wie gezegd wordt dat hij rampen aantrekt) neerzet als een soort personage dat verdwaald is uit een vroege Jim Jarmush film, een indruk waar een onafscheidelijke donkere zonnebril zeker ook toe bijdraagt.
In het tweede deel blijft El Jockey soms wat te veel ter plaatse trappelen, stokt het ritme en komen dezelfde stijlfiguren iets te veel terug, maar deze kleine onopvallende film is in ieder geval een van de vroege verrassingen van het nog jonge jaar.



