Zaterdag 16 augustus: Een lesje queer geschiedenis van Nonkel Jelle
Nog meer verjonging aan boord – nog één dag en we komen wel bij een contemporaine popkenner uit – met de eeuwig lentefrisse (lt), en we surfen meteen verder op die afsluitende sfeer van gisteren.
Want stond Jelle Denturck hier ooit vinnig te rocken met Dirk., dan heeft de West-Vlaming zichzelf vandaag opnieuw uitgevonden als Dressed Like Boys, een project waarmee hij zijn eigen queerness ging omarmen. Twee weken voor de release van zijn debuutalbum krijgt hij in de Club nu al de bevestiging dat dat een goeie zet was. Van bij een solo gebracht “Questions” is dit een open doekje.
Het is anders dan dat rockbandje van weleer. De invloeden laten zich opdelen in drie, en daarvan is de opvallendste toch wel David Bowie, wiens invloed zo hard over “Healing” hangt dat wanneer de band uitbarst, het verleidelijk is om er “All The Young Dudes” over te zingen. Het is niettemin een groots nummer, een klassieker in spe. De openingstoetsen van “Pinnacles” roepen even McCartney’s “Live And Let Die” op, maar ook dit nummer eindigt op Thin White Duke-territorium, als een echte meewuiver.
Het is geen toeval. Denturck omarmt met dit project de klassieke invloeden van zijn jeugd, en naast Beatles en Bowie is dat ook Billy. Joel, meer bepaald, en dat hoor je in pianoballads als “Our Part Of Town”. Achter en rond hem zijn een paar extra zangers komen staan, die hem van vocale ondersteuning voorzien. Het is een begin van iets wat groter moet worden, maar eerst is er “Jaouad”, dat met zijn meticuleus arrangement en gefluisterde zang Sufjan Stevens in herinnering brengt, tot Denturck het nummer laat openbarsten zoals de bard uit Michigan het nooit zou durven. “One breath at a time”, galmen die zangers mee, de tekst op het scherm gebiedt dat u meedoet.
Want natuurlijk is dat Antwerp Queer Choir zo binnengedruppeld. Voor “Nando”, “over een man van wie ik hou, hij staat daar”, zijn ze voltallig aanwezig. Samen tillen ze de pianopop op tot weidse proporties, in het uptempo “My Friend Joseph” klinken ze ronduit uitgelaten. Het einde is echter het belangrijkste. Nonkel Jelle houdt even een lesje queer geschiedenis, legt het belang uit van de Stonewall Riots, en zet het gelijknamige nummer in. Het koor valt in met dat “Stonewall Riots Forever” en het walsje ontploft terwijl het scherm beelden toont van Denturcks bezoek aan die New Yorkse safe space. Het is een momentje, eentje dat op kleinere schaal doet wat Chappell Roan gisteren in het breed en populistisch deed. En net als die popster trekt Denturck het open. “None of us are free until all of us are free. Speak up”, leest het scherm. No, you’re crying.
Vandaag is IDLES-dag, en nergens is het beter opwarmen voor de lovepit van het weekend dan in de Backyard, waar Soapbox de dag voor geopend mag verklaren. “Come a bit closer, will ya, I don’t bite”, moedigt frontman Tom Rowan de afwachtende toeschouwers aan, en dat is, samen met “Private Public Transport”, het signaal voor een heftig feest dat het komende halfuur niet meer zal stilvallen. Rowan windt zich op over vanalles en nog wat, van bussen die niet opdagen over parkeertarieven tot – gelukkig maar – ernstiger zaken als Palestina of de vluchtelingencrisis. Over dat laatste schreef ‘ie het nijdige “Good Guys”, met zijn “we’re the fucking good guys / ignore what’s in front of our eyes” een niet mis te verstaan j’accuse richting Europese regeringen die geen fluit uitsteken als het eropaan komt, en hier een woest hoogtepunt vol pissige gitaren en drums die de boodschap er zonder pardon in hameren.
De steeds verder uitdijende puberpit laat zich intussen gewillig dirigeren door Rowan, frontman pur sang in zijn iets te kleine sportbroekje, op vinkenslag om het publiek in te duiken, terwijl de rest van zijn hardwerkende band immer rechtdoor ramt. Het hoekige, dansbare “Yer Da” is de vreemde eend in de bijt, verder wijkt deze band helaas bijzonder weinig af van de compleet uitgebaggerde punkpaden. De moshers laten het niet aan hun hart komen, maar voor een band die duidelijk veel te melden heeft – al is dat “Pedo prince!”-refrein over Prince Andrew misschien een tikje on the nose – is deze pretverpakking toch net iets te basic.
Riep Tom Rowan daarnet nog luidkeels “Fuck Netanyahu”, dan pakken de rammelrockers van Being Dead het iets subtieler aan, met het allerkleinste Palestijnse vlaggetje van het weekend, gedrapeerd over het drumstel van Shmoofy – op zijn identiteitskaart staat gewoon Cody Dosier, maar u mag hem ook Gumball noemen. Shmoofy wordt vergezeld door Falcon Bitch (oftewel Juli Keller) op gitaar en Ricky Moto op bas (echte naam onbekend), en die bijnamen zeggen alles over hoe ernstig het er hier in de Club aan toe gaat. Being Dead bevindt zich in hetzelfde rommelige hoekje als Dehd, The Bug Club en misschien ook wel The Moldy Peaches, waar altijd wel een extra bakje fuzz klaarstaat om de boel in te verdrinken, maar waar ook stiekem wondermooi samengezongen wordt.
In “Van Goes”, gelijke delen B52’s en Parquet Courts, doen Shmoofy en Falcon Bitch dat met twee totaal verschillende refreinen door elkaar, en toch smelt het samen alsof God het altijd zo bedoeld had. Ook in “Problems” en “Blanket Of My Bone” zit zo’n honingzoet stukje, maar dat dan een heel nummer aanhouden, ho maar. Daarvoor wil Being Dead veel te veel kanten tegelijk uit, met een surfgitaartje hier en een girlgroupmomentje daar, en hoe aanstekelijk dat bij momenten ook is, je dreigt wel voortdurend verloren te lopen in de songs. Dat het drietal zich vooraf al op de Aperol Spritzen gestort heeft – “please, sponsor us!” – helpt ook niet echt om de boel in het gareel te houden. Zoveel potentieel, zo weinig focus: het had ons rapport uit het middelbaar kunnen zijn.
The Last Dinner Party loopt zich warm voor zijn tweede album, en daar hoort een nieuwe look bij. Na de frullerige gothic-look rond debuut Prelude To Ecstasy krijgen we hier nu statige, zwarte outfits die een soort behekste party-chic uitademen. En nog steeds begrijpen we hier niet veel van. De Londense freules serveren ook nu een brouwsel dat aan elkaar hangt met zoveel dramatische haken en theatrale ogen, grossiert in schalkse schijnbewegingen en brute bochten dat het soms moeilijk volgen is.
En toch. Het zestal gelooft duidelijk zelf zo hard in zijn modus operandi dat je toch even wil meegaan. Want altijd, of het nu in “Burn Alive” of “Caesar On A TV Screen” is, schuilt er wel een melodie waar je je oren voor spitst, Abigail Morris is het soort frontvrouw dat voor haar rol geboren is. En het hart klopt ook op de juiste plaats. Terwijl toetseniste Aurora Nishevci een liftmuziekje tingelt, projecteert de groep een QR-code waarmee je rechtstreeks kunt doneren voor een Goed Palestijns Doel. Directe actie noemen ze dat, en dat valt alleen maar toe te juichen.
Er wordt al heel de zomer geluld. Er wordt véél geluld. En als het over Kneecap gaat, dan is het lullen zelfs niet grappig meer. Het gaat meer over opgeklopte controverses – niet meer dan afleidingsmanoeuvres – dan over de muziek, en dat is eigenlijk flink onterecht. Ook zonder alle paniekzaaierij/beschuldigingen/aanklachten blijft het Noord-Ierse raptrio immers een overrompelende live-band; een hiphopband die de essentie van zijn genre begrijpt.
De statements zijn er sowieso. Nog voor de band opwandelt, spelt het scherm uit dat ook de Belgische regering medeplichtig is met wapenleveringen. Halverwege laten Liam Óg Ó hAnnaidh, Naoise Ó Cairealláin en J. J. Ó Dochartaigh weten dat ze als Ieren hun geschiedenis kennen, en altijd aan de kant van de verdrukte volkeren zullen staan. “Benjamin Netanyahu is een oorlogsmisdadiger” is het feit – geen mening – dat ze meegeven, en daarop volgt over woeste ravebeats “Guilty Conscience”; hoogst toevallig toeval, zeggen ze dan.
Kneecap heeft zich dan al lang veelzijdig getoond. We hebben klassieke nineties-hiphop op zijn pak-hem-beet Cypress Hill/Beastie Boys/Osdorp Posse gehad, de meer poppy rap met Grian Chatten van Fontaines D.C. van “Better Way To Live”, en het snoeiharde “Your Sniffer Dogs Are Shite” waarvoor – vanzelfsprekend – een moshpit wordt gevraagd. In de eindspurt worden nog wat tandjes bijgestoken. En al die rare klanken uit hun keel? “Jullie hebben geen psychotische episode, het is gewoon Iers wat wij rappen.”
“I’m Flush” is ondertussen ziedende raprock, “Get Your Brits Out” niet alléén een goeie woordspeling. Neen, Kneecap heeft die polemiek niet nodig, en dat weten ze zelf ook. “We zouden niet liever hebben dan dat we dit niet elke avond zouden moeten zeggen”, klinkt het. Maar het is wat het is, en soms moet je gewoon principieel je punt maken. Onthou niettemin dat dit ook zo gewoon een goeie, opwindende groep is, die ook zou overrompelen als hij gewoon over de bloemetjes en de bijtjes zou rappen.
Intussen in de Club: nog maar eens postpunk, of toch niet? Yard Act is zo’n bandje dat met “The Overload” een jaar of vijf geleden doorbrak onder die uitgeholde verzamelnaam, en intussen alles probeert om zich aan dat label te ontworstelen. Vorig jaar, op Rock Herk, werden ze nog vergezeld door een duo zangeressen-danseressen, maar die gingen vermoedelijk te veel met de aandacht lopen, want vandaag is Yard Act weer gewoon een jongensclubje. Jammer, want de extra soul die de dames toevoegden, ontbreekt in de wat moeizame eerste paar nummers. James Smith, humeurig als altijd, voelt het ook, al weigert hij de schuld bij zichzelf te zoeken: “What are we doing wrong? Nothing? So it’s you then?” Sympathiek, James, maar probeer toch ook zelf een beetje je best te doen.

Gelukkig is daar “Dream Job” als log, dansbaar redmiddel waarmee de band een tweede adem lijkt te vinden, en vanaf dan is de machine alsnog vertrokken. Smith zal het niet graag horen, maar Yard Act is op zijn best als hij even zijn klep houdt en de rest van de band mag loosgaan, zoals in het verpletterende slotduo “The Trapper’s Pelts”, met die moddervette sax, en een langgerekt “The Trench Coat Museum”, nog altijd het allerbeste dat Yard Act gemaakt heeft. Het swingt, het stuitert, en het groovet vooral onweerstaanbaar, waardoor je aan het eind al lang niet meer wat in het begin nu ook weer het probleem was. Netjes herpakt, jongens.
In de Backyard is het altijd een beetje 1999, maar zelden meer dan op dit moment. The Get Up Kids staan hier immers de vijfentwintigste verjaardag van Something To Write Home About te vieren, een plaat die diep in de emo-hartjes van heel wat late dertigers en vroege veertigers zit. Dat is dan ook precies de identiteit van het kluitje dat zich hier verzameld heeft: het jongere geweld heeft geen idéé dat hier iets belangrijks gebeurt. Meer bepaald: het grandioze openingsbod “Holiday” / “Action And Action”, dat nog net zo recht naar het hart gaat als tweeënhalf decennium geleden. Er zit geen spatje sleet op de gouden harmonieën, de hooks zijn niks van hun kracht verloren, en zelfs de zang van Matt Pryor houdt verrassend goed stand – over onze na twee songs al schorgeschreeuwde keel zullen we het verder niet hebben.
Geen enkele kans dat deze band hier ook maar één zieltje bij wint vanavond, maar wie het destijds ook maar een beetje voelde, doet dat vanavond des te meer, en knijpt dan ook met plezier een oogje dicht als de set ongenadig inkakt tijdens de songs die níet van die legendarische plaat komen. Dan is er immers alweer zo’n “I’m A Loner Dottie, A Rebel”, vol onvervuld verlangen, of “Close To Home”, frustratie tot een heerlijke song gebald. Was dit het concert dat de wereld nodig had? Zeer zeker niet, maar deugd deed het wel.
Alsof de rest van deze bezopen eclectische dag niet gebeurd is, pakt IDLES rond een uur of halftien de Main Stage in met een vanzelfsprekendheid die zelfvertrouwen spelt. Gitarist Mark Bowen wandelt in kek glitterjurkje de catwalk af, en wuift naar de rest van zijn maten. Aan de overkant ijsbeert Joe Talbot zenuwachtig terwijl “Colossus” zich met dreunende drumslagen op gang trekt. “ARE YOU READY TO COLLIDE???” brult de frontman na die klassieke opener, en u weet wat dat betekent. Het is het universele signaal voor pandemonium, waanzin in de pit.
IDLES trekt niet de volste wei van dit weekend, wel die met de meeste liefde. Eén die anderhalf uur lang ook een wij is, die een vuist maakt tegen extreem-rechts en alle andere ongezonds. “The best way to scare a fascist is to read and get rich”, verandert Talbot de originele tekst, en dat vat het zowat samen. Een “Viva Palestina” past ook altijd wel ergens in het metrum. U heeft onderwijl de circle pits maar voor het uitkiezen: die grote in het midden, toch maar dat kleintje daar rechts vooraan? Talbot verenigt ze in een sit-down waaruit prominent enkele Palestijnse vlaggen omhoog prikken.
Dat is tijdens “I’m Scum”, een breed grimlachend omarmen van elke belediging die Talbot als working classman in ontvangst mocht nemen. Het zegt iets over zijn levensvisie dat hij die omvormde tot een vrolijk jolig refrein waarin het heerlijk zingen is hoe “dirty, rotten, filthy scum” we dan maar zijn. “Make it spin”, commandeert de zanger even later, terwijl gitarist Lee Kiernan het middelpunt van een ziedend klotsende mensenzee vormt. Bowen staat even verder ook in het volk zijn instrument te mishandelen; zijn onmiskenbare star quality zet zijn frontman bijna in de schaduw, maar IDLES is de band niet die daar dan een egozaak van zou maken; als het maar werkt voor de groep.
Dat er tussendoor ook uit recenter, complexer materiaal wordt geput, maakt dit bij momenten een minder evident concert. Het logge “Car Crash” dreunt wel, maar trappelt ook ter plaatse, en ook “POP POP POP” schiet naast zijn doel. Maar dat doet al lang niet meer ter zake als we na een voorbijgevlogen set plots al aan een explosief “Danny Nedelko” zitten. “Dit is een anti-fascistenlied”, benadrukt Talbot de essentie. En hij draagt het op aan alle “moedige vluchtelingen”. Waarna de boel schuimbekkend van de ketting mag, en wij samen de lijn trekken van Freddie Mercury, naar Malala en Mo Farah. Allemaal migranten, inderdaad. Voor hem staat ondertussen geen mens meer stil, kolken we gezamenlijk als een grote deegmassa vol vel en zweet.
Als Florence ooit zong over “A kiss with a fist”, dan was dit optreden een mokerslag van een knuffel, een uitbarsting van liefde, uitgedrukt in joyeus geweld. IDLES toonde zich op Pukkelpop, bij dankbaar duister, nu al als een headliner. Was het niet wat betreft opgekomen volk, dan toch minstens wat betreft attitude.
Zullen we dan maar verder surfen op die vibe? Welja, al heeft Deadletter in de Lift aan de overkant aanvankelijk toch wat moeite om op een gelijk energieniveau te raken. In “Credit To Treason” hort de postpunk wat, de sax van Nathan Pigott komt er niet helemaal door. En dat de band er met “Mother” meteen zijn enige trage achteraan gooit, is ook niet slim.
Het is een valse start die we van deze band niet gewoon zijn, en die dus vanzelfsprekend rechtgezet wordt. Met “Madge’s Declaration” trekt de machine die dit zestal is zich op gang; de grooves zijn die van Gang Of Four, de hoekige voordracht hebben ze van vroege Talking Heads. “I got shoes / But no soul”, brult Zac Lawrence, en dat doet hij naar goeie gewoonte in dat welgevormd bloot bovenlijf van hem. Tiens, zijn dat niet verdacht veel vrouwelijke postpunkfans daar in de pit?
Terecht, want dit is postpunk die nergens voor terugdeinst. “If there is a God / Send a lightning bolt to me” brullen we met de benige frontman in dat puike “A Haunting” waarin de bas ploegt als moest Boer Bert maandag meteen kunnen inzaaien. U, altijd bereid een agrariër te helpen, stampt een eind weg; tijdens een knallend “Binge” – “wants, needs, hopes, dreams / life’s a binge” – deint de plankenvloer als een trampoline. “More Heat”? Dat tandje is dan al even bijgestoken, nog steeds het enige nummer waarvan de saxlijn meebrulbaar is.
Het is opmerkelijk hoeveel zieltjes Deadletter met dat eindeloze toeren van de afgelopen jaren heeft gewonnen. Wie hier staat, ként de groep, brult elk woord mee, en wie dat niet doet, loopt buiten met de intentie volgende keer ook de tekst van dat afsluitende “It Flies” uit het hoofd te kennen – “Joink! Joink joink!” nog aan toe. Straf bandje, nog altijd.
En dat is ook een Whispering Sons dat hier nog eens kwansuis komt bevestigen; gewoon omdat het kan. In het holst van de nacht, waar het hoort, in de Club, waar hun muziek thuis is, brengt de band een triomfrondje, en dat met een brede glimlach. Zelden zagen we zangeres Fenne Kuppens vrolijker, met meer zin op het podium staan. Zelfs de moves waren krachtiger, snediger, energieker, niet langer enkel het geïrriteerd, opnaaiende rondbanjeren.
Dat de setlist nog eens is omgegooid en het dwarse, balorige “Satantango” mag openen, toont alvast dat de groep het afgelopen anderhalf jaar niet is vastgeroest in routine. Single “The Talker” – “ha, hun Dry Cleaningmomentje”, aldus een snedige (lt) – is het bot vol rood vlees dat al snel voor de hongerige meute wordt gegooid. Waarna solfer- en zwaveldampen rond het podium opborrelen, en de poorten van de hel zich vijf minuten lang openen. “Is this the way the world ends”, doemt Kuppens met die onwereldse stem van haar in het voor eeuwig onverslijtbare “Hollow”.
Met die kleine Apocalyps voorbij zitten we op bekend terrein, waar Whispering Sons zich met gratie beweegt. “Het volgende nummer gaat als volgt”, leidt de frontvrouw in, en natuurlijk weten zij en kornuiten Kobe Lijnen, Sander Pelsmaekers, Bert Vliegen en Tuur Vandenborne hoe dat “Alone” gaat. Deze doorbraaksingle spelen ze desnoods achterstevoren op hun rug terwijl ze het dagblad lezen. Zelfvertrouwen, zegt u? Het is gek om het te zeggen over een band die al anderhalf jaar op tour is, maar dit vijftal geeft bijna de schijn herboren te zijn. Conclusie: de motor staat warm, het ijzer is heet genoeg om te smeden. Laat die vierde plaat maar snel komen.




Beste Evert
Pukkelpop begon op een voetbalveld in Heppen (Leopoldsburg), georganiseerd door de Humanistische jongeren…
Sorry voor ’t kort-door-de-bocht-werk, ’t is warm! Bedankt om alert te zijn!
Daar heb je natuurlijk helemaal gelijk in, Kris. We sturen Evert vanavond naar bed met de geschiedenis van Pukkelpop en hij mag er niet uitkomen tot hij die vanbuiten kan opzeggen!