Vrijdag 15 augustus: Een setlist als een bloedbad
Vlug, we hebben jongeren nodig om dit verslag te redden! Enter: de eeuwig jeugdige (mvs), veteraan van vele Pukkelpoploopgraven, en altijd bereid een spurtje van Club naar Backyard te trekken. Dat treft, want terwijl (ep) wakker wordt in de Marquee, is dat dus de opdracht.
High Hi moet in de Marquee bewijzen dat het de Pukkelpopdonderdag overstegen heeft en komt daar aardig mee weg in een energieke set: we horen veel dat gisteren ontbrak bij de indierockers van eigen bodem. Tegelijk trappelt de band ook wat ter plaatse, want op een échte doorbraak blijft het maar wachten. Het is hen van harte gegund, maar kom dan wel eens fermer uit die schulp. Aan de présence hoeft het alvast niet te liggen.
‘Postpunk’, wordt in de Club aangekondigd, maar dat toont alleen maar hoe uitgekleed dat woord tegenwoordig is. In die traag openbloeiende opener “Scream From New York, NY” laat Been Stellar immers meer hang naar de weidsheid van U2 horen, verderop klinken ze al eens als een lief popbandje. En tussenin passeren we nog wel wat stations. “Breakaway” doet het dromerig drammend, “Shimmer” mag broeierig opgloeien. En het is al zo heet!
In “Passing Judgement” en het geweldige schreeuwerige “Manhattan Youth”, waarmee deze New Yorkers twee jaar geleden aan het venster kwamen kijken, mogen de spierballen dan toch wat rollen. Het neemt niet weg dat naarmate de set vordert de songs almaar meer nondescript worden. Dan valt ook de zwakte op van Sam Slocum, een wel heel beperkte zanger. Maar daar is alweer afsluiter “I Have The Answer”, een sleper die zich gaandeweg laat ombouwen tot episch anthem. Want zo is het dus ook wel; steevast horen we in deze puik spelende belofte exact dat: iets wat nog kan komen. Op hun leeftijd is dat geen schande.
Balu Brigada is ondertussen nog zo’n bende jonkies, uit Nieuw-Zeeland deze keer. De hapklare indiepop van het viertal, met van die typisch jengelende gitaartjes die een zomer kunnen maken, blijft meer mocktail dan cocktail. Wat valse bescheidenheid heeft nog nooit slachtoffers gemaakt, dus speelt de groep verbaasd te zijn dat er meer volk dan verwacht is. Wie vooralsnog meer van dat wil, kan uitkijken naar de debuutplaat die eerstdaags verschijnt.
“Bedankt iedereen om in de bakkende zon hier met ons te staan.” En toch. Onder ons gezegd en gezwegen vinden we Slow Crush geen band voor dit harde daglicht. Niet dat de band dat daarom ooit zal toegeven: met verbetenheid ploegen Isa Holliday en kameraden zich door hun set, zoals gewoonlijk vol wazige, gruizige gitaren en zachte zang. Binnen twee weken komt er een nieuw album aan, zegt de zangeres, en de groep diept daarvan alvast “Haven” op. Afgaand op dat nummer moeten we van die derde worp geen grote veranderingen verwachten, maar dat hoeft ook niet. Op het Backyardpodium laat het gezelschap horen nog steeds Belgiës beste antwoord op My Bloody Valentine en consorten te zijn. Conclusie? We hebben het nog altijd liever donker bij deze band dan deze verzengende hitte, maar ze hebben toch maar standgehouden. Zon – Slow Crush: 1-1.
STONE komt met de fiets uit Londen – of toch, frontman Fin Power doet dat. Respect! Stone graait al enkele jaren naar de oppergaai, en mag nu dus de Main Stage van Pukkelpop op stelten komen zetten. Met zijn rock richting Shame en Arctic Monkeys bewijst de Britse band, met roots in Liverpool, zich alleszins als potentiële vaste waarde voor Main Stages hier en elders. Halverwege houdt Power – met zo’n naam en stamboom (kenners weten dat pa John frontman bij Cast en bassist bij The La’s is) mag ‘t geen wonder zijn dat hij hier nu staat – een pleidooi voor artistieke vrijheid en integriteit. Strubbelingen in de muziekindustrie, weet u wel. STONEs volgende album zal bijgevolg nadrukkelijker dan ooit van hén en niemand anders zijn.

Da’s iets om naar uit te kijken, want STONE heeft bakken potentieel voor wat het beoogt. De humor zit ook snor: Power kondigt classics van de band aan als “Wonderwall” en “Angels”. Graag! Power neemt gretig de tijd en moeite in zijn rol van Frontman: we zien hem crowdsurfen, molenwieken, stuiteren, allemaal op het heetst van de dag. Zelfs een cover van wijlen Ozzy’s “War Pigs” kruipt in de set. “I wanna feel like someone else”, horen we later, en we denken: wees vooral jezelf, Fin, dat werkt het best. Dat hij als jood de genocide in Gaza zo benoemt, en een furieus “free Palestine” afsteekt, toont ook nog eens een diepmenselijk hart. Geslaagde passage, voor de hele band trouwens, op vrijwel het grootste podium tot nu toe voor STONE. In april komt de band naar de AB, en de ticketverkoop start volgende week. We geven het maar mee.
Poppunk en nu-metal door elkaar halen kan ernstige gevolgen hebben: vraag maar aan South Arcade. De Britse band, populair door TikTok-video’s van zijn repetities, haalt de mosterd bij vergane gloriën als Avril Lavigne, Limp Bizkit en Linkin Park. Net op tijd voor die voorbijrazende nostalgietrein! Op zich brengt de band zijn songs allemaal best aardig, in een explosieve set dankzij krachtige frontvrouw Harmony Cavelle. Desondanks hebben Cavelle en gevolg niets te bieden dat kan verhullen dat ze niet meer zijn dan een knipoog naar wat ooit hip was. Dat kan niet blijven duren, tenzij de band zichzelf een eigen smoel aanmeet. Parallel in de Lift wil het jonge Londense vijftal Bby met zijn springerige indiepop duidelijk een feestje bouwen, en ja, single “Hotline” is catchy gerief, akkoord. Die ene song onthouden we graag, maar verder valt er weinig op.
“Jullie zijn met veel, what the fok!” Het is niet omdat Joachim Liebens voor de tweede keer een volle Marquee mag trotseren dat hij het daarom gewoon is. De frontman doet sowieso niet aan routine; een concert van The Haunted Youth is telkens weer op het scherpst van een scheermesje, een nieuwe gelegenheid om de rauwste emoties bloot te leggen.

Dat de groep al enkele jaren leurt met de songs van debuut Dawn Of The Freak, voel je; ze zijn verbouwd, worden uitgerekt, én het zijn ondertussen klassiekers geworden. Opener “Broken” krijgt halverwege een vuiler randje, “Teen Rebel” wordt uitgesponnen tot het niet meer is dan een soundscape die als bij toeval opnieuw bij een zing- of klapmomentje belandt. En ook “I Feel Like Shit And I Want To Die” krijgt die filmische benadering die bij de nieuwe songs nog nadrukkelijker naar de voorgrond komt.
“Emo Song”, een nummer dat van Slowdive had kunnen zijn, was daarvan het meest verpletterend, een melodie vol, welja, emotie, die almaar krachtiger wordt gespeeld, een hartvuur dat oplaait. “Into You” is onvergetelijk; de Perfecte Popsong. En dan is er nog “In My Head”, alweer zo eentje dat minutenlang mag doorgaan, en almaar harder gaat knallen; als ware dat ene zinnetje een nagel die Liebens met zoveel mogelijk kracht in de tafel wil hameren.
“Falling Into Pieces” wordt instrumentaal gehouden, al flitst dat ondertussen gewoonlijke “don’t kill yourself I love you” op het scherm – desnoods even met de Palestijnse vlag als achtergrond. De frontman heeft ondertussen een exemplaar daarvan om de schouders hangen, en zelfs zonder een ‘Free Palestine’ is dat duidelijk genoeg.
De kindertafel roert zich nog eens, want het is alweer bakje vol daar voor de Main Stage waar Pommelien Thijs haar tweede passage mag maken. Blad-Steen-Schaar van (ep) verloren, en dus is het (mvs) die de bonen gevreten heeft. Tja, dat zal hem leren zich een popkid (c Pet Shop Boys) te noemen.
Kijk, we zouden ons kunnen opwinden over het zielloze bandwerk dat ze bij haar Nederlandse broodschrijvers heeft gekocht, maar blijkbaar is dat wat u wilde. U zong mee, u ging uit uw dak, en kreeg een show die elders ongetwijfeld weer onder de kritiekloze vijfsterrenrecensies zal worden bedolven. Terwijl het natuurlijk een één-steroptreden was waarin elk nummer volgens hetzelfde stramien ging, enkele nieuwe songs hoogstens een iéts ruigere gitaar hadden – oeh, gewáágd! – en de ballads zo mierzoet waren dat onze tanden er nog pijn van doen.
Kortom? Pffff.
Bartees Strange, uit Baltimore, is van vele markten thuis: we horen punk, jazz, een snuifje hiphop en zelfs soul, ergens diep in zijn stem. Zijn carrière bracht hem al in het zog van grote namen als Phoebe Bridgers en Lucy Dacus. Laat die dienstrol geen maatstaf zijn van ‘s mans kunnen, want als hij zich laat gaan, trekt hij righteous solo’s uit zijn gitaar. Helaas komt zijn beste stem er niet door, helemaal vooraan – slechte geluidsmix. Hij heeft ook de pech om in de Club te moeten concurreren met dat kindertafelfenomeen op de Main Stage. Anderzijds: weinig getuigen.
Elke bijt heeft zijn vreemde eend, zo ook Pukkelpop 2025. Met meer dan 32 jaar op de teller is Karate wellicht de ouderdomsdeken op dit festival. Het Amerikaanse powertrio verdient zijn plaats in de halfvolle Club, daar helemaal niet van, maar het ruikt naar – vergeef ons het cynisme – een package deal met jongere artiesten. Laat vallen, de muziek telt. Karate neemt zijn taak hardnekkig serieus, lekker kabbelend tegen de stroom van de dag in. De college rock van de nineties blijft door de aderen van het trio stromen, en de baslijnen laten een achtergrond in jazz horen. Soms merken we zelfs sporen van bluesrock. Tuurlijk zijn er na al die jaren nog foutjes en haperingen, maar hier getuigt de omgang ermee net van ervaring.
Ondertussen trakteert The Linda Lindas ons op onvervalste poppunk aan de Backyard. Verbaast het iemand dat het all-female viertal uit Southern California komt en onderdak heeft bij Epitaph Records? Het siert de band niet te hard van stapel te lopen met zijn invloeden. Zo kreeg single “Racist, Sexist Boy” pluimen van onder andere Thurston Moore en Kathleen Hanna (Bikini Kill). De extatische, hyperactieve bindteksten zijn net als de muziek zelf gemeend, maar daar oogst een band nog niet per se succes mee.
Ja, Pommelien werkt hard, zo gaat het verhaal, maar dat alleen maakt nog geen kwaliteit. En overigens, er zijn er hier vandaag die harder werken. Ciara Mary-Alice Thompson, ondertussen beter bekend als CMAT, is vierklauwens uit Biddinghuizen komen afgesjeesd om hier na Lowlands haar tweede show van de dag te spelen. “En ik beloof dat dit de beste zal worden”, gaat het meteen. Zelfvertrouwen is bij haar deel van de fabrieksinstellingen, en dat is ook hoe ze eindelijk dat TikTok-moment in de wacht heeft gesleept.

Ze legt het uit voor ze aan die hit toekomt, waar die vandaan komt. Hoe beelden van haar vorige tour, met onder andere een onvergetelijke passage op Best Kept Secret, giftige commentaren ontlokten over haar uiterlijk. Onzin, natuurlijk, weerlegt ze: “want ik ben ongelofelijk sexy” Ze schreef als riposte “Take A Sexy Picture”, en bedacht er onder de titel “Woke Macarena” een onnozel dansje bij. U zit wel op die video-app, u beeldde mooi alle vrouwelijke functies uit op dat “I did the butcher / I did the baker / I did the home and the family maker / I did schoolgirl fantasies”.
En zo waren er nog tal van momentjes. Die linedance met al haar muzikanten in dezelfde brave rokjes, bijvoorbeeld, terwijl zij een wankele pirouette draaide. Voor een knuffelmoment met haar hele band werd de boel even stilgelegd. “I Wanna Be A Cowboy, Baby”; dat is natuurlijk weer de two-step dansen. Wij zijn hierbij vorig jaar al over onze voeten gestruikeld, we passen.
En dan was er nog een korte toespraak hoe ze mee in een lange rij Ierse artiesten staat die last gekregen hebben met hun activisme. En ja, “Free Palestine, dat natuurlijk ook”, maar ze wil het toch eens hebben over de staat van de Ierse politiek. “Euro-Country” heeft een kwaaie tekst, maar blijft helaas ook weer een stapvoetse ballad. En dat is jammer, maar het euvel van deze onweerstaanbare, plezante show: hoe geinig CMAT is, haar songs staan niet op gelijke hoogte. Daar is nog werk aan, wil ze echt een blijvertje zijn.
De postpunkers van High Vis staan voor zichtbaarheid, want ze vonden hun naam in fluohesjes. Hoewel ze in de Club clashen met Max Colombies Oscar & The Wolf op de Main Stage, loopt het toch aardig vol voor de kwaaie Britten. De vocals van frontman Graham Sayle schurken aan bij de hardcorepunkroots van de band, terwijl de gitaren relatief rustiger water verkiezen. Scheuren doen ze wel, maar klinischer. “I choose to lose”, klinkt het nijdig in de gelijknamige afsluiter, met nog meer dan vijf minuten op de klok. Zo maakt High Vis zijn eigen set koud, terwijl er meer in kon.
Op de Main Stage is Max Colombie ondertussen aan zijn afdaling en terugkeer uit de hel begonnen. Net als in het Sportpaleis afgelopen voorjaar vertelt hij van op, voor en in een glitterende spiegelbox het verhaal van hoe hij zichzelf de afgelopen jaren verloor aan drank en drugs, en opnieuw terugvond. Dat hij dat doet met een tot in de puntjes uitgekiende show is al lang geen verrassing meer, maar wekt niettemin nog altijd bewondering op.
Want wat voor onmiskenbare popmachine is Oscar & The Wolf geworden! Bij “The Game” spurt een troep dansers een eerste keer het podium op, Colombie strut voor hen uit met in glitters op zijn shirt ‘faggot’. Dat heet: owning it. “Angel Face” is daarna, na een eerste gesproken interlude die van die neerwaartse spiraal vertelt, een mooi eerste hoogtepunt.

Gaandeweg sleurt Colombie ons de discotheek in. De langoureuze geitjeszang van “Breathing” maakt plaats voor “Princes” dat pit in de kont krijgt met een uitgebreide flard van Doja Cats “Paint This Town Red”. Yup, he said what he said, en dus gaan we nu echt dansen. “Nostalgic Bitch” en “Obsessed” zijn een beukend clubfeestje, een nog meer daverend “Fuck Hard” wordt onnozelweg even stilgelegd omdat een bandje zegt dat de band hiermee over zijn toebemeten tijd gaat. Alsof niet iedereen steevast een half oog op het schema heeft en wéét dat de band nog eens 25 minuten te gaan heeft. Met een “fuck off” gaan we dus door, een laatste interlude in, en dan de eindspurt waarin het vuurwerk niet wordt gespaard. Chappell heeft geluk dat dit haar jaar is, want eigenlijk was Oscar & The Wolf ook al een headliner.
Alle zever backstage laten, en rammen maar. Sons laat zich kennen als venijnige speedrockmachine die vuile riffs afvuurt alsof ze op oorlogspad is. Veel zieltjes hoeven de laureaten van De Nieuwe Lichting 2018 niet te winnen, want dankzij het thuisvoordeel is het snel koppen lopen voor de Backyard, en niet door verdwaalde fans van het popcircus dat straks op de Main Stage van start gaat. Helaas voor Sons is het veel te snel te veel van hetzelfde. Nieuwe single “Hello” haalt niet alleen het tempo wat omlaag, maar klinkt ook nogal knullig – “Monkey see, monkey do”? Afsluiten, na andermaal uitgebreid het publiek te bedanken, doet Sons met een nieuwe song. Vergeten hoe die heet.
Wie Vampire Weekend maar een uur speeltijd geeft, weet dat hij een slager is. Wat hij ook doet, Ezra Koenig weet dat hij bij het opstellen van de setlist een bloedbad moet aanrichten. Hij doet wat hij moet, schrapt een handvol klassiekers en favorieten, en houdt iets over dat aanvoelt als een compromis dat niet in de buurt komt van het uitbundige feestje afgelopen december in Amsterdam, maar dat kon het hier ook nooit worden, tenzij Chappell Roan haar plaats had afgestaan. Haar kasteel paste niet op dit kleinere podium, anders had ze haar meerdere wel erkend; dat spreekt.

Alle gekheid op een stokje: dit was een puik concert, maar het lokte helaas maar een halfvolle tent. Koenig laat het niet aan zijn hart komen, en leidt de boel droog in met een “Good evening Pukkelpop, we are Vampire Weekend. We hebben vijf albums uit, waarvan het laatste Only God Was Above Us is, en we beginnen met materiaal daarvan.” Te weten: een op een typische riedel feestelijk openbloeiend “Ice Cream Piano”.
En die sfeer laten we niet meer los. Op “Classical” komt een man achteraan het podium interpretatieve dans performen, “Unbelievers” heeft zoveel ongein niet nodig. “This Life” is het moment waarop het publiek wachtte om helemaal uitbundig te gaan. Dolenthousiast wordt meegezongen, terwijl roadies in wegenwerkershesjes de boel klaarmaken voor het vervolg: een lange vioolintro voor “Sympathy”.
Het is nog altijd heel erg clean, flirtend met een soort perfectie die al snel als afstandelijk kan aanvoelen, maar vandaag werkt het. Het uptempo “Cousins” is een welkom dansmomentje, waar de zevenkoppige band met gusto ook het vingervlugge “A-Punk” achteraan smijt. “Oh jij wil “Horchata”? Sorry, we hebben maar een uur.” Maar kom, de frontman zingt toch maar vlug de eerste zin even a capella. “Meer tijd hebben we niet”, want met “Walcott” zijn we toe aan een vrolijk orgelpunt van een heerlijk licht, maar veel te kort optreden.
Mogwai staat voor de vijfde keer op de affiche, maar voor die vorige passages moeten we al de helft van de leeftijd van Pukkelpop terug. Waar de Schotse postrocktrots had mogen spelen als er geen Chappell Roan had bestaan, zullen we nooit weten, maar het is flink sneu dat de Club, eigenlijk maar het derde podium, voor aanvang nog niet eens halfvol loopt. Maar goed, vanaf de eerste noot telt alleen nog de muziek, en die eerste keer dat de lichtshow de band in silhouet toont, geeft bijna een zichtbaar aura. Ja, we zijn vertrokken voor 75 minuten loutering door gitaren die ons tussen hemel en hel sleuren.
Mogwai verveelt hier geen seconde, want Mogwai kán geen seconde vervelen. Elk nummer is een hoogtepunt, maar laat ons de toppers onder de toppers aanhalen. Met “Hi Chaos” haalt de band een eerste keer verwoestend uit. Klassieker “Mogwai Fear Satan”, al 28 jaar jong ondertussen, doet snakken naar adem. Dan is er nog, voorbij de helft, “Ritchie Sacramento”: alle remmen los, en dan dat refrein “Disappear in the sun / All gone / All gone”. Kippenvel in een hittegolf, het kan, maar alleen bij Mogwai.
Tien nummers, tellen we in de verpletterende triomftocht, en daarmee moeten we het doen, zelfs al zijn de 75 minuten die Mogwai op papier kreeg niet voorbij. Die tien waren evenwel van een verbijsterende, vernietigende schoonheid. Mogwai tekent – we moeten voorzichtig zijn, er komen nog twee dagen – misschien wel voor het optreden van het festival.
Want neen, in weerwil van misleidende berichten in de Fake Music Media was de komst van Chappell Roan niet de terugkeer van Jezus Christus. Wat het wel was: een heel erg degelijke, gelikte popshow, waar alweer (mvs) aan onderworpen werd – de volgende keer toch maar eens strootje trekken in plaats van dat blad-steen-schaar.
Het begint met een loeiende, langgerekte, pompeuze intro in een decor dat van Meat Loaf had kunnen zijn. En daar staat ze plots, boven in haar prinsessentoren: Kayleigh Rose Amstutz, gefaalde popster, die zichzelf herontdekte in de dragscene, en plots wel slaagde in haar missie. “Super Graphic Ultra Modern Girl” is de daverende opener die laat horen dat dit showbusiness is en niets anders. “Femininomenom” doet nog even een schijnbeweging langs een balladeachtige openingszet, maar is al even dans- als gangbare pop.
De ene kostuumwissel volgt de andere op, onderling inwisselbare nummers als “The Subway”, “HOT TO GO” en “Picture You” spelen haasje over. Het is niets bijzonders, niets opzienbarends, maar dat is dit paard van Troje in de mainstream natuurlijk wel op andere vlakken. Dat Chappell Roan de nieuwe patroonheilige van de queer community is, zie je als je rond je kijkt, en dat is goed zo. Hoe banaal haar liedjes zijn, zo belangrijk is haar boodschap van inclusiviteit, van hé-ook-jij-bent-oké in een tijd waarin dat soort evidenties opnieuw op losse schroeven staan. En dat refrein van een afsluitend “Pink Pony Club” is ook écht goed.
Onverbloemd gesteld: enola.be is een alternatief magazine, dit optreden was niet voor ons, we gaan hier niet over knorren. Dit festival zet de Pop in zijn naam dezer jaren met graagte in de verf, en op deze manier had het op zijn minst iets te betekenen. Leve Chappell Roan dus, zij mag er wezen.
We brullen en moshen morgen wel een beetje in de pit bij IDLES en Deadletter om het goed te maken.




Beste Evert
Pukkelpop begon op een voetbalveld in Heppen (Leopoldsburg), georganiseerd door de Humanistische jongeren…
Sorry voor ’t kort-door-de-bocht-werk, ’t is warm! Bedankt om alert te zijn!
Daar heb je natuurlijk helemaal gelijk in, Kris. We sturen Evert vanavond naar bed met de geschiedenis van Pukkelpop en hij mag er niet uitkomen tot hij die vanbuiten kan opzeggen!