Immanuel Kant :: Kritiek van het oordeelsvermogen

Immanuel Kant (1724-1804) is met recht en rede opgenomen in het pantheon van de grote (Westerse) filosofen. Die roem dankt hij aan wat omschreven wordt als zijn `kritische periode` die in 1772 startte en drie werken beslaat: Kritik der reinen Vernunft (1781), Kritik der praktischen Vernunft (1787) en Kritik zum Urteilskraft (1790) waarbij het laatste werk voor Kant zelf als de brug tussen de eerste twee kritieken geldt en zijn systeem finaal vervolledigt.

Gedurende het grootste deel van zijn leven was Kant, net zoals de meeste (Duitse) filosofen een aanhanger van een vorm van het rationalisme, dat stelt dat rede de enige of voornaamste bron van kennis is. Het empirisme daarentegen meent dat kennis (louter) voortkomt uit ervaring en de mens als een onbeschreven blad geboren wordt. David Hume trok die stelling zelfs zo ver door dat hij finaal tot een scepticisme kwam dat onder meer oorzaak en gevolg in twijfel trok. Kant zou na eigen zeggen na het lezen van Hume`s A Treatise on human nature (Traktaat over de menselijke natuur, 1739-40) uit zijn dogmatische sluier gewekt zijn waarna hij zijn eigen visie op de grondslagen en grenzen van de menselijke kennis uitwerkte in Kritiek van de zuivere rede en die het transcendentaal idealisme noemde. In dat werk behandelde hij het kenvermogen en de zintuiglijke wereld of zoals hij het zelf omschreef het rijk van de natuur.

In het daaropvolgende werk, Kritiek van de praktische rede, richtte hij zijn blik op het vermogen tot begeren (de ethiek), of het rijk van de vrijheid. Dit wordt in tegenstelling tot het kenvermogen volledig bestuurd door de rede. Voor beide vermogens stelt Kant dat er bepaalde a priori principes (los van de ervaring) bestaan, al betekent dit niet dat beide vermogens/`rijken` met elkaar verbonden kunnen worden. Toch laat het idee van een verbinding tussen beide Kant niet los, in 1787 liet hij in een brief aan Carl Leonard Reinhold weten dat hij ook voor de vermogens van lust en onlust a priori-principes ontdekt had en dat hij deze verder zal uitwerken in Kritiek van de smaak, dat de teleologie behandelt.Dat werk is nooit geschreven maar Kant had wel zijn brug tussen beide `rijken` gevonden. Door de zintuiglijke wereld (natuur) en de bovenzintuiglijke (de rede en moraal) met elkaar te verbinden, kon de mens zich voorstellen dat ook de zintuiglijke wereld berust op een doelmatig en zedelijk ontwerp.

Kritiek van het oordeelsvermogen beslaat twee onderscheiden delen: Kritiek van het esthetisch oordeelsvermogen en Kritiek van het teleologisch oordeelsvermogen. Strikt genomen behoort enkel het eerste deel tot het oordeelsvermogen, dat de gevoelens van lust en onlust behandelt. In dit deel stelt Kant dat een esthetische uitspraak in essentie subjectief is. Waar we objecten leren kennen door begrippen er op toe te passen, wordt `het schone` bepaalt door wat dit object bij de kijker oproept (een gevoel van lust). Toch mag dit niet verward worden met een smaakoordeel, want het esthetisch oordeel is belangeloos, niet-zintuiglijk, doelmatig (echter niet door een externe wil), algemeen en daardoor ook noodzakelijk. Het wordt door iedereen gedeeld. Eenzelfde analyse maakt ook opgeld voor `het verhevene` (een gevoel van onlust) waarnee in vergelijking al het andere klein is in macht of grootte. Sommige werken vertalen het door Kant gebruikte `erhaben` dan ook als `het sublieme` in plaats van `het verhevene`.

Kant concludeert in dit deel dat waar het bij het schone gaat om een spel tussen verbeeldingskracht en verstand, het bij het verhevene gaat om een spel tussen verbeeldingskracht en rede. De ware kunstenaar is volgens Kant een genie, `het schone` koppelt hij immers los van een imiteren van de natuur, het oordeelsvermogen is wetgevend van zichzelf. De rede onderscheidt hij dan weer in die van het kenvermogen (het mathematisch-verhevene) en die van het vermogen tot begeren (het dynamisch-verhevene), waarbij die vernogens de mens de mogelijkheid geven gevoelens van onlust te vertalen naar die van lust. Op die manier weet Kant zijn leer van het esthetisch oordeelsvermogen te koppelen aan zijn visie op ethiek (de praktische rede). Een esthetisch vermogen, of het nu om het schone dan wel het verhevene gaat, leidt tot een zedelijk/ethisch vermogen.

Kritiek van het teleologisch oordeelsvermogen is niet alleen minder complex maar ook gedateerd. Kant stelt zich namelijk tegen het idee van een mechanistische natuur ten voordele van een doelmatige. En als die doelmatigheid er is dan kan dat alleen maar omdat er ook een schepper is, zelfs al kunnen we die niet rechtstreeks kennen. Hierdoor krijgt de mens een unieke plek als wezen dat zowel een `cultivering van de vaardigheid` als een `cultivering van de discipline` kent. En die beide cultiveringen leiden niet alleen tot een harmonieuze samenwerking maar ook tot de zedelijke, ethische mens die als einddoel geldt en daarvoor door God beloond wordt met onsterfelijkheid. Kants visie is zonder meer achterhaald, al blijft het een indrukwekkende getuige van zijn scherp redeneervermogen en mag het niet los gezien worden van de zogenaamde pantheïsmestrijd die uitbrak rond 1785 en Spinozistische ideeën (naar Baruch Spinoza, 1632-1677) rond determinisme en zelfs atheïsme opnieuw onder de aandacht bracht.

Hoe indrukwekkend Kants denken ook is, eenvoudig is het niet. Dat geldt in nog belangrijkere mate voor Kritiek van het oordeelsvermogen, net omdat het zo sterk steunt op enerzijds de twee vorige kritische werken en anderzijds ook geschreven is op een moment dat de Verlichting als ideaal onder vuur kwam te liggen. Vanuit filosofisch en historisch oogpunt blijft het werk evenwel een mijlpaal dat zelfs in de 20e eeuw nog tot nieuwe interpretaties en lezingen leidde bij zulke uiteenlopende, grote denkers als Hanah Arendt, Jean-François Lyotard, Jacques Derrida en Jürgen Habermas. De inspanningen van vertalers Jabik Veenbas en Willem Visser, die de drie delen vertaald hebben, kan niet onvermeld blijven. Te meer omdat ze ook een uitgebreide en heldere inleiding bij het werk geschreven hebben dat als een handvat en hulpstuk geldt bij het lezen en duiden van het werk. Kants kritische werken zijn verplicht leesvoer voor iedereen die ook maar enige interesse in filosofie heeft, en deze vertaling vormt daarbij een niet te onderschatten meerwaarde.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in