Gianfranco Calligarich :: De laatste zomer in de stad

Beweren dat het Rome van Fellini neerkomt op ocharme één roemrijk beeld van Anita Ekberg in de Trevi-fontein, het is even aanstootgevend onjuist als menig tweet van de voormalige president van de VS. Net zoals La Dolce Vita veel meer dan het romantisch sentiment de decadentie, de tragiek en de tristesse van Rome bezingt, zo maakt Gianfranco Calligarich de moeder aller Italiaanse steden evenzeer tot personage in zijn onlangs herontdekte De laatste zomer in de stad.

Wie het even hoort donderen in Keulen: u bent niet alleen. Hoewel Calligarich in eigen land ondertussen is uitgegroeid tot een gerespecteerd auteur, is er nauwelijks werk van hem vertaald. Op zich hoeft dat niet te verwonderen, want de schrijver is in feite een redelijk recent fenomeen te noemen. Hoewel de Italiaan in 1947 werd geboren, keerde hij pas een kleine twintig jaar geleden terug naar de literatuur. Het recent in diverse talen uitgegeven De laatste zomer in de stad stamt nochtans uit 1973. In de tussentijd pende Calligarich vooral voor film en televisie, werk dat hem buiten de landsgrenzen weinig aanzien opleverde. Toch is L’ultima estate in città het werk van een getalenteerd auteur met een eigen stijl. Intelligente woordspelletjes, spitse dialogen, levendige beschrijvingen aangevuld met nauwelijks geëxpliciteerde psychologie die niettegenstaande ongewoon indringend uit de taal zelf naar boven komt: dat de roman door stemmen in de pers als een ‘klein juweel’ werd betiteld, is verre van onterecht.

Centraal zet Calligarich het personage Leo neer, een vereenzaamde intellectueel die een miezerig bestaan onder de ouderlijke vleugels in Milaan ontvlucht, om onder te duiken in een Rome waar geschiedenis en rijkdom welig tieren. Waar zoveel grandeur heerst, zijn er echter ook schaduwen en anonimiteit. Het is daarin dat Leo rondscharrelt, zich bezattend tussen verschillende baantjes, een voorschot nemend op werk dat hij misschien ooit een keer zal aannemen. Kortom een luizenbestaan, tot een zekere Arianna zijn pad kruist. Wat volgt, is een atypische variatie op het aloude thema van de onmogelijke liefde. Niet zozeer maatschappelijke context of interpersoonlijke wrijving staat een duurzame relatie in de weg, wel datgene wat als het noodlot zou kunnen betiteld worden. Verwachtingen, verlangens, onvermogen, pathologische zelftwijfel, angst: tussen Leo en Arianna doemt als het ware de menselijke conditie zelve op. Het decor voor die conditie is de nacht, een duister dat contouren zodanig onscherp maakt dat het verschil tussen toenadering en verwijdering zodanig doet vervagen dat de lezer er samen met de karakters door in de war geraakt. Calligarich dompelt de lezer onder in een ballet van hunkeren en wegduwen, een oratorium waarin het woord verstomt als het luid en duidelijk zou moeten klinken. O, tragedie!

Calligarich hoedt zich ervoor om de roman niet te laten uitmonden in een voorgekauwd slot, een na te vertellen formule die uitsluitsel geeft over waarom Leo en Arianna gedoemd zijn elkaar wel en ook niet toe te behoren. Het waarheidsgehalte van de haast mystieke band tussen beide karakters bestaat in wezen veel dieper, bij wijze van spreken in de taal zelf. De opening van het boek is wat dat betreft veelbetekenend: met een weemoedig, schijnbaar gelaten doch van poëzie doordesemd idioom stuwt Calligarich de lezer een verhaal in dat uit alle poriën een ongrijpbaar fatum ademt. In termen van leeservaring doemt de hartverscheurende finale zich steeds onvermijdelijker aan, zonder dat de schrijver zijn publiek tot speelbal maakt door allerlei verwikkelingen te suggereren of hoop op een ander soort einde te laten gloren aan de horizon van elke bladzijde. Integendeel is de stijl, hoewel zeer gevoelig en rijk aan beelden, nooit pompeus, nooit emotioneel wollig, nooit te barok.

Net de schijnbare eenvoud – waaruit niets anders dan een totale beheersing van het vak spreekt – diept de overheersende miserie almaar verder uit. Zodoende plengt de lezer geen hysterische tranen, maar vormen zich waterlanders van waarachtigheid en nederigheid. Alsof Calligarich zinnen gevonden heeft voor de onzegbare staat van de mens – nergens zo eenzaam als in een onbestaanbare liefde.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

12 − zeven =