Once Upon A Time in Hollywood

In 1969 was de sky niet de limit. Er landde een mens op de maan en op de Oscaruitreiking van dat jaar won Midnight Cowboy, een film over een mannelijke prostituee, de Oscar voor Beste Film. Dat beide mijlpalen überhaupt mogelijk waren, leek enkele jaren voordien nog ondenkbaar. Quentin Tarantino richt de camera op het Hollywood van die tijd, een haast mythische plek als je even nagaat wie er toen allemaal actief was. Een plek waar filmgoden zich onder de mensen begaven.

We volgen de avonturen van een dynamisch duo, Rick Dalton en Cliff Booth. Dalton is een ietwat verloren gelopen televisiester die aan het einde van de jaren 50  hoge ogen gooide met zijn westerntelevisieserie ‘Bounty Law’. Booth is zijn stuntman, manusje van alles en beste vriend. Beiden proberen, acht jaar na het einde van de serie in 1961, de eindjes aan elkaar te knopen in een industrie waar populariteit even vergankelijk is als de krant van gisteren. Hun afspraak met Marvin Schwarz – een heerlijke cameo van Al Pacino – brengt misschien licht aan het einde van de tunnel. Als dat niet lukt, kan Rick nog altijd proberen om contact te leggen met zijn buren, regisseur Roman Polanski en actrice Sharon Tate, die onlangs naast hem zijn komen wonen op de Cielo Drive.

Tarantino houdt in zijn negende film zijn geliefde Hollywood een spiegel voor. De stad is immers gebouwd op het zweet van een beperkte groep met talent en een leger aan ‘would be’ acteurs. Dalton, de onkreukbare held uit een westernserie, is er nooit in geslaagd om echt door te breken op het witte doek en is als gevolg daarvan zwaar neurotisch, mediageil en aan de drank. Bovendien stottert Rick als hij echt moet presteren of onder druk wordt gezet. Niet meteen een X- Factor om mee uit te pakken in de bikkelharde Hollywoodkringen. De regisseur schrikt er ook niet voor terug om naast fictieve ook niet-fictieve acteurs uit de cinema spitsroeden te laten lopen. Zo mogen ‘womanizer’ Steve McQueen en vooral ‘lean mean fighting machine’ Bruce Lee het ontgelden. De familie van Lee heeft intussen al laten weten dat ze ‘not amused’ is met de portrettering van het martial arts icoon. Wellicht speelt het ego en de angst voor imagoschade van de familie ook een belangrijke rol in het niet vatten van de postmoderne ironie van Tarantino. Waren de vorige films van de cineast al doorspekt met verwijzingen naar andere films, dan kunnen we in het geval van Once Upon A Time in Hollywood spreken van een ware orkaan aan visuele knipogen naar de films en televisieseries die Tinseltown in de jaren 60 voortbracht.

Werkelijk elk beeld verwijst wel naar een of andere illustere talkshow, westernserie of film die vandaag enkel nog bij diehard cinefielen gekend zijn. Meer dan ooit tevoren mikt Tarantino op deze doelgroep. Soms wordt het zelfs behoorlijk metafysisch. De scène waarin Sharon Tate in een cinemazaal naar The Wrecking Crew kijkt, is daar een mooi voorbeeld van. De actrice Margot Robbie speelt een fictieve versie van Sharon Tate die naar de echte Sharon Tate kijkt. De echte Sharon Tate speelt op haar beurt het personage Freya Carlson in The Wrecking Crew. Deze metabenadering zal ongetwijfeld leiden tot  lange, filosofische discussies onder filmliefhebbers.

We respecteren de expliciete wens van Quentin Tarantino om niets over het einde te vertellen. Niettemin willen we toch een poging wagen om er in omzwachtelde termen wel iets over te zeggen. Het einde van de film Once Upon A Time in Hollywood  is wellicht het meest volwassen einde dat je kan verwachten van Tarantino. Niet alleen maakt de cineast hier een interessant statement over de aard van fictie, het is ook een welgemeende ‘fuck you’ naar de idolatrie die ontstaan is rond Charles Manson en zijn bende. Bovendien blijft de mythe van Sharon Tate als ‘zonnekind’ en het spreekwoordelijke ‘mooiste meisje van de klas’ onaangetast. Om deze redenen kan Once Upon A Time in Hollywood, ondanks het trage kabbelende tempo, beschouwd worden als een van zijn belangrijkste werken.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in