Jazz Middelheim 2018 :: 9-12 augustus, Park Den Brandt

Ah, Middelheim, editie #37. Vier dagen jazz in Park Den Brandt op een moment dat het genre al even in een scharniermoment lijkt te verkeren. Dat valt ook te zien, want voor het eerst in zijn geschiedenis zal er één dag een tent zonder stoelen zijn (of dat is toch de bedoeling), en dat voor een line-up die de resoluut de kaart van de hete kleppers trekt. De andere dagen zijn wat klassieker, met een mix van binnenlandse en buitenlandse namen, traditionele en meer moderne bands.

9 augustus

De plaatselijke weergod Franky DB had code oranje voorspeld (tot groot genoegen van de hoofdsponsor) en in het Antwerpse Park Den Brandt maakte men zich ook op voor stormweer: er stond zowaar een hihopshow op het programma! Zowel Jazz Middelheim als Gent Jazz zetten de laatste jaren sterk in op verbreding van zowel publiek als programma. Dat liet zich de laatste jaren duidelijk merken met opvallende programmatiekeuzes, maar met Black Star (en ook wel met Kamasi Washington) op de affiche werd er duidelijk gemikt op een jong en divers publiek. En dat lukte: we zagen de laatste jaren al vaker jong, hip volk rondhuppelen, maar dit keer zat er duidelijk ook meer kleur tussen de anders zo bleke gezichten in het park.

Maar er was duidelijk ook wat frictie: voor de eerste keer ooit werden de stoelen uit de tent geweerd (beeld u het eens in, een hiphopfeestje voor een zittend publiek), waarop velen gewoon de houten klapstoelen aan de bar-zone confisqueerden en zich zo doodleuk voor het podium parkeerden. Iets waar ze achteraf flink spijt van zouden krijgen. Anderzijds miskeek de organisatie zich ook lelijk op het in grote getale aanwezige publiek. Als je meer kaarten verkoopt door staanplaatsen, moet dat ook logistiek kunnen opgevangen worden. In plaats daarvan konden de eet- en drankstands het publiek nauwelijks de baas en liepen de mobiele urinoirs ’s avonds gewoon over. ‘t Was proper.

Maar goed, het is hier geen Test Aankoop. Muziek dus. Die is in eerste instantie terug te vinden in de kleine, maar toffe club stage in de gedaante van een jong Gents trio Steiger. In 2017 rammelden ze stevig aan de vaderlandse jazzkooi met het uitstekende And Above All en dit jaar staat er al nieuw werk in de steigers. Altijd leuk, zo’n jeugdig enthousiasme, zeker als dat ook op het podium te zien is. En inderdaad: de drie snaken op piano, bas en drum hebben er veel zin in. De hoekige, complexe thema’s zitten knap in elkaar en de improvisaties spelen met spanningsbogen en sfeerschepping, maar zijn ook niet vies van een dissonante por tussen de ribben. Het geheel bulkt ook van het spelplezier en dat trekt het publiek over de streep. Het welgemeende applaus op het eind van de set is dan ook oververdiend. In het oog houden, die gasten.

Eerste grote klepper van de dag: de terugkeer van TaxiWars. Na twee platen op twee jaar was het even stil geworden rond Tom Barman, saxofonist Robin Verheyen, drummer Antoine Pierre en bassist Nicolas Thys. Hun respectievelijke hoofdbezigheden en het feit dat ze enkele duizenden kilometers van elkaar wonen, is daar natuurlijk niet vreemd aan. Maar kijk, het viertal staat hier alweer te blinken op de mainstage en tovert naast reeds gekend werk ook enkelen nieuwe nummers uit de hoge hoed. Dat nieuw spul lijkt op het eerste zicht wat rustiger voor de dag te komen, zoals in “Dropshot”, “Irritated Love” en “They Tell You’ve Changed”, waar Verheyen zijn sax inruilt voor heerlijk mooie Fender Rhodes.

Maar TaxiWars kan ook hitsig uit de hoek komen, zoals bij oudgedienden “Fever”, met een koortsig jakkerende Verheyen, het lekker geile “Soul Repair” of een furieuze instrumental waar het trio Verheyen/Thys/Pierre de bloedhonden van de leiband laat. Barman toont zich het hele optreden trouwens van zijn beste kant: een publiek mennen moet je deze ouwe rot niet meer leren, net als een deftige tekst schrijven. Luister maar naar de heerlijke flow van “Bridges” en “Death Ride Through Wet Snow”. Barman geeft tweede frontman Verheyen ook meer dan genoeg ruimte om met een aantal knappe saxsolo’s flink punten te scoren, zonder de ritmesectie de adem af te snijden. Alles tezamen gaf TaxiWars het publiek een perfect gedoseerd optreden: van alles ruimschoots genoeg, van niks te veel.

Matthias De Craene begint in de club stage aan zijn driedubbele shift van de avond. Later zal hij Dijf Sanders nog vergezellen en aantreden met zijn band Nordmann, maar eerst is er MDC III. Voor dit project kiest hij resoluut voor donkere, bezwerende luisterstukken die bulken van donkere, dreigende sfeerschepping, eerder dan voor mooi uitgewerkte composities. De Craene experimenteert naar hartenlust met digitale effecten, blaastubes, dierengeluiden en ander ongeregeld. De twee drummers die hem bijstaan, exploreren de mogelijkheden van hun kit terwijl ze met broeierige, Afrikaans getinte ritmes de nummers voortstuwen. Veertig minuten woedt er in de clubstage een tropische bosbrand. Chic. Wreed chic.

En dan is het aan de grote jongens. Bij Kamasi Washington kan je dat gerust letterlijk nemen: alles is groot aan de componist/saxofonist uit Inglewood, LA. Hijzelf is met zijn afmetingen en voorkomen (die Afrikaanse gewaden!) een meer dan imposante verschijning, net als zijn zevenkoppige band The Next Step vol onwaarschijnlijke toptalenten. Het komend anderhalf uur zal hij putten uit zijn nu al reeds indrukwekkende discografie, waarvan The Epic en het recent verschenen Heaven & Earth ontzagwekkende opussen zijn. Het staat dus in de sterren geschreven dat heel wat onvergetelijke kleppers dit keer de rol zullen moeten lossen. En inderdaad: slechts zes nummers krijgt het publiek op de main stage te horen. Washington trapt de set af met “Street Figher Mas”, de laatste single uit Heaven & Earth, een wat meer laidback nummer dat drijft op een dubby baslijn dat vooral in het begin worstelt met de geluidsinstallatie. Maar eens alle instrumenten proper in de PA zitten, krijgt de ode aan het legendarische videogame de behandeling die het verdient: groots en catharsisch, zoals wel vaker bij de epische werkstukken van Kamasi.

Bij “The Rythm Changes”, het enige nummer uit The Epic, kan zangeres Patrice Quinn voor de eerste keer voor het voetlicht treden. En dat is zoals gewoonlijk een kleine triomf: de tengere dame heeft een fluweelzachte, maar tegelijk krachtige en dragende stem die perfect in het geluid van Washington past en haar voordracht is zoals altijd zalvend, maar ook bezwerend en gedetermineerd. Geef die vrouw alsjeblieft een solocarrière. Ook Kamasi’s vader Ricky Washington vervoegt de band op tenorsax en geeft de compositie daarmee extra kleur, net als de knappe solo van tromobonist Ryan Porter. De toetsenist van dienst die de extraverte Brandon Coleman moest vervangen, heeft nog wat last van flanellen benen, maar weet zich best staande te houden tussen al dat ongebreideld talent. Bassist Miles Mosley mag zijn eigen compositie “Abraham” aan de setlist toevoegen en dient het optreden een leuk, maar niet onvergetelijk shotje soul toe. Dan is het eerder het knappe “Truth”, uit de EP Harmony & Difference, dat het publiek betovert door vijf verschillende melodielijnen tot één bloedmooi geheel te smeden.

Het afsluitende tweeluik “Space Traveller’s Lullaby” (opgedragen aan de dromers uit het publiek) en “Fists Of Fury” zijn twee typische Heaven & Earth-nummers. Weids en open met een spirituele ondertoon. Beide nummers zijn op plaat niet bepaald uppercuts, maar krijgen live wel een iets meer swingende, uptempo uitvoering. “Space Traveller’s Lullaby” wordt zelfs even gelardeerd met een streepje reggae. En Kamasi zelf krijgt de ruimte om met een paar onwaarschijnlijk straffe solo’s zijn exorbitante talent te tonen. Saxofoonsolo’s doen het doorgaans goed op een jazzfestival (want, wel, does the pope shit in the woods), maar menslief, dit is toch écht next level shit.

Het is op zo’n momenten dat Kamasi duidelijk laat zien dat hij diegene is die de hele zwik naar een next level kan tillen. Want eerlijk gezegd: dat misten we wel een beetje. Zelfs drummirakel Ronald Bruner Jr., die doorgaans samen met zijn evenknie Tony Austin de hele band, zelfs de hele zaal tot in opperste extase kan opzwepen, houdt het vooral bij sterk, maar gecontroleerd en ingehouden spel. Het vat dit niettemin uitstekende concert van Kamasi Washington een beetje samen: allemaal heel erg knap, maar het échte vuurwerk, dat ontbrak er wel aan.

Ellenlange rijen voor het toilet + ellenlange rijen voor het eten + ellenlange rijen voor de bar = geen concert van Dijf Sanders. Dikke kak, zoals ze dat in de Koekenstad zeggen.

Aan het hoofdpodium heeft de massa zich intussen verzameld voor de echte headliner van dag één: Black Star with Hypnotic Brass Ensemble. Black Star is de alliantie tussen twee grote heren van de hiphop: Talib Kweli en Yassin Bay (u misschien beter bekend als Mos Def). Met hun album Mos Def & Talib Kweli Are Black Star uit 1998 zetten beide heren hun stempel op de hiphopkaart met een muzikaal pamflet vol knappe, zielvolle rhymes met boodschappen van vrede en vrijheid als tegengif voor de brute gangstarap die toentertijd hoogtij vierde. Maar niettemin wordt er een feestje verwacht, en dat krijgen we ook.

Het optreden begint mooi op tijd. Met een dj-set. Van een half uur. Niet bepaald de gewoonte, maar het doet het publiek warmlopen voor het stomend feestje dat er zit aan te komen. Het zittend publiek druipt met stoel en al af om plaats te maken voor de uitgelaten menigte, die gretig aan het dansen slaat. Zo uitgelaten zijn de aanwezigen, dat ze zelfs de arme Lies Steppe uitjouwen, die plichtbewust haar intro van het podium brengt. Dat hoeft nu ook weer niet.

Vervolgens is het dan toch de beurt aan de twee hiphop-sterren om de mainstage te bestieren. De eerste twintig minuten enkel begeleid door de dj. Wat leuk is (met een erg fijn “Astronomy” bijvoorbeeld), maar niet meer dan dat. Het is pas wanneer het Hypnotic Brass Ensemble de arena betreedt dat het vuur werkelijk aan de lont werd gestoken. Want die blazers, die kunnen er wat van. Het hele orkest, waar ook een drummer, bassist en gitarist deel van uitmaken, speelt een verdomd strakke set, die ook de twee soms wat slouchende rappers bij de les houden. Het levert onder meer een knappe uitvoering van “Brown Skinned Lady”, een leuke maar cheesy reggae-tribute en een lichtjes fantastisch “UMI Says” vanop Yassin Bays fenomenale plaat Black On Both Sides op.

Het publiek eet uit de hand van de twee rappers. Niet alleen vooraan, maar ook achterin de tent waar er volop gedanst wordt. En niet alleen door het jonge volkje; kwieke vijftigers staan ook vlotjes te shaken op de opzwepende beats van het zootje ongeregeld op het podium, dat ook maar eens een vlot half uur overtijd ging. Wie op zoek was naar revolutionaire, geïnspireerde hiphop, kwam waarschijnlijk van een koude kermis thuis. Maar kwam je om de heupen los te schudden? Dan was je hier zeker aan het goede adres. En dat mag ook wel eens op een jazzfestival, niet?


10 augustus

Belgendag in Middelheim. Maar misschien toch even beginnen met de aanstootgevende gruwel die de vip-zone anno 2018 geworden is? Op het moment dat het concert van De Beren Gieren startte, waren de zijbeuken zo goed als volledig gevuld, maar de zone tussen de mixtafel en de paar voorste rijen, pakweg 400 plaatsen, was een lege woestijn van metaal en plastic. Voorbehouden aan vips en houders van het hospitality arrangement, die op dat moment ongetwijfeld van culinaire hoogstandjes stonden te smullen of te netwerken. Ronddwalende groepjes bezoekers konden niet anders dan beteuterd toekijken en vervolgens vijfentwintig rijen verderop een plaatsje zoeken, terwijl honderden stoelen leeg bleven (tot er nog een paar aangesloft kwamen of het signaal gegeven werd dat het plebs ook mocht plaatsnemen in de zone). Je zal als muzikant maar naar die leegte moeten kijken. Een beeld dat pijnlijk samenvat hoe fout het kan lopen. Valt het tij nog te keren? Doe het dan, in godsnaam.

Maar kijk, we waren er voor de muziek en voor de feestjes op de podia, want er waren een aantal speciale data/gebeurtenissen te vieren. Zoals de vijfentwintigste verjaardag van het Brussels Jazz Orchestra, dat een hele dag de Club Stage mocht inpalmen en doorheen vier concerten een staalkaart van z’n redelijk imposante kunnen bracht. We pikten daarvan de eerste drie sets mee. De eerste daarvan werd aangegrepen om een paar projecten uit de laatste vijf jaar in de kijker te zetten: The Music Of Enrico Pieranunzi, het Brel-project, Wild Beauty, met muziek van Joe Lovano, en Smooth Shake, een samenwerking met oude getrouwe Bert Joris. Zo de pakken, zo de muziek: klassiek en elegant.

Het BJO valt al jaren niet meer op een valse noot te betrappen, of het nu gaat om het ingetogen, exotische geschuifel van “Persona”, de zwier van “Oud Daily Bread” of de weelderigheid van “Nasty Boy”. De arrangementen zijn kleurrijk, maar nooit pompeus, de solo’s smaakvol en het samenspel hecht, met Toni Vitacolonna als motor en Frank Vaganée als dirigent. Erg hip en flashy is het natuurlijk niet, maar bij het BJO weet je wat je krijgt. Die elegante kern bleef ook bij de volgende twee projecten overeind. Met zangeres Fay Claassen en gitarist Peter Hertmans werd muziek gezet op gedichten uit de bundel Kaneelvingers van Stefan Hertmans (broer van).

Het begon instrumentaal, met wat meer vaart en een iets compactere aanpak. Met de breed lachende Claassen erbij was het laveren tussen jazzorkest-met-zang en een poëzievoordracht met muzikale ondersteuning. Hier en daar doken treffende beelden op (vingers als levende asperges), maar het orkest deed als vanouds z’n ding, met muzikanten die af en aan liepen om hun solo te brengen, hier en daar als commentaarstem. Best wel fijn, al begon het vanaf “Kaneelvingers 3” misschien ook wat té gezapig te worden. Wat extra pit was er wel in set #3, die opgebouwd werd rond het recent verschenen We Have A Dream, waarvoor de band gezelschap kreeg van misschien wel — naast Bert Joris — zijn meest ideale partner: zangeres Tutu Puoane.

Het plaatje klopt helemaal bij Puoane: ze heeft het charisma, de stem en vooral het inlevingsvermogen om een song nog net een niveau hoger te krijgen. Met een orkest als het BJO zal de muziek nooit helemaal barsten van verontwaardiging — daarvoor wordt er te veel gemikt op serene klasse — maar Puoane voegt wel de kleur toe, of het nu gaat om een liefdevol eerbetoon aan Martin Luther King of songs van Joni Mitchell, die ze intussen volledig beheerst. “They Dance Alone” van Sting blijft iets dat we met de beste wil van de wereld niet doorgeslikt krijgen, maar “Four Women” (Nina Simone) was net als op het album een hoogtepunt, een aanklacht met geheven hoofd en lichtjes bittere ondertoon.

FONS., dit jaar de afvaardiging van het Koninklijk Conservatorium Antwerpen, vierde op het hoofdpodium zijn entree door de grote poort met mentor/saxofonist Logan Richardson. Hopelijk hebben ze ook begrepen dat de grote leegte in het middenblok van de tent weinig te maken had met de kwaliteit van hun spel, want dat mocht er wel zijn. Richardson gaf aan het einde van het concert mee dat hij niet het gevoel had te werken met studenten, maar met professionals. En zo voelde het ook aan, want het kwartet durfde het aan om composities ver te laten uitwaaien. Tenorsaxofonist Lennert Baerts speelde veel unisono lijnen met de coach, maar kreeg (of nam) ook volop de tijd om uitgebreid te soleren, terwijl gitarist Jeroen Reggers en drummer Gert-Jan Dreessen even gretig aan de slag gingen.

Hier en daar misschien zelfs iets te gretig, want de gebalde kracht van een “Reindeer” (een verwijzing naar de Nederlandse gitarist Reinier Baas) was soms een beetje zoek in andere stukken, ook al dreven ze op lome grooves die konden omslaan in knappe versnellingen. Het was nog een beetje onwennig en de compacte spanningsboog werd soms wat uit het oog verloren (misschien omdat de band z’n gekregen 75 minuten ook volledig volspeelde), maar er werd niettemin geëxperimenteerd met zijstappen die geurden naar funk, donkere processies of zelfs de rockende onheilssirene van Nordmann. Talent zat, het is nu al uitkijken naar wat komt.

“Benieuwd wat de toekomst gaat geven” was acht jaar geleden ook onze commentaar toen we De Beren Gieren voor het eerst zagen in de Gentse Vooruit. Het antwoord kregen we intussen: een indrukwekkend parcours met een handvol opvallende samenwerkingen, bevlogen concerten en sterke albums die bulkten van het spelplezier en experimenteerdrift. De Beren Gieren heeft intussen ook wel een transformatie ondergaan. De baldadig botsende jazz vol kwieke wendingen en prikkelende humor zit er nog altijd in, net als die overduidelijke invloed uit klassiek (vooral dan in het spel van Fulco Ottervanger), maar het groepsgeluid is wat opgeschoven. Elektronica en minimale elementen hebben zich meer naar de voorgrond gewurmd, wat leidt tot een meer uitgesproken hedendaagse flair.

Dat heeft het trio een jonger publiek bezorgd en een reputatie van het heetste Belgische jazzsnoepje in het buitenland. Op het hoofdpodium werd die status moeiteloos ingelost. “Rebel Jazz To Rebel Against” en “Vakantiebestemming” vormden een prachtig een-tweetje dat duidelijk maakte dat de drie intussen met hun composities spelen alsof ze deeg zitten te kneden. Er waaien (post-)klassieke geluiden door, maar via oogcontact en indrukwekkende instincten jagen ze de muziek langs vieve tempowissels en bonte stijlbreuken. “We Dug Out Skyscrapers” en “De Belofte Treurwals” van het recentste album lieten horen waar de band anno 2018 voor staat. Het speelse zit er nog in, maar er wordt veel langer uitgeweid en uitgehangen in oorden van nevelige soundscape en minimale abstractie. Toch wel een opvallend contrast met oudere composities als “Oude Beren” of “Asbrokken”, die het meer moesten hebben van hoekigheid en jeugdige energie. De eerlijkheid gebiedt ons te zeggen dat ze ons bijna een paar keer kwijt waren in die nieuwere stukken, maar toch: wat zijn De Beren goed geworden. Het zou meteen het hoogtepunt van de dag worden.

Exact vierenveertig jaar geleden zat Philip Catherine in een Brusselse studio om met een Europees-Amerikaanse band September Man op te nemen. De plaat werd hier en daar omschreven als een “geniale lp”, maar laten we eerlijk zijn: het was een plaat van z’n tijd, op de wip tussen pastoraal getinte ECM-jazz en de fusion die in 1974 grote sier maakte. Voor het eerst zouden de muzikanten van toen ook het podium delen als de Philip Catherine Reunion Band. En eerlijk, dat viel eraan te horen. Geen idee of het iets te maken had met het feit dat niet gekozen werd voor een integrale albumuitvoering. Slechts drie composities uit de plaat werden door de set gestrooid, die voor de rest een aantal stukken van verschillende leden bij elkaar bracht.

Het concert kwam erg moeizaam op gang. Er stond heel wat klasse en ervaring op het podium, maar je hoorde nooit de eenheid die De Beren Gieren wel toonde. Voor de muzikanten hun draai gevonden hadden, was Catherines “Kwa Heri” alweer voorbij en belandde je bij het eerste deel van “When It Is” uit September Man, een moment voor het ijle trompetgeluid van Mikkelborg, die zowel muzikaal als qua lichaamshouding een paar tics overnam van Miles Davis (waarmee hij nog samenwerkte op diens Aura). Het stuk ging naadloos over in zijn “Glass Painting”, dat een paar keer hopeloos dreigde de mist in te gaan.

Catherine gaf meermaals teken aan toetsenist Jasper Van ‘t Hof om in te vallen, maar die begreep duidelijk niet wat van hem verwacht werd en perste dan maar wat schreeuwlelijke synthklanken uit z’n klavier. Tandpijn.

En helaas was dat soms ook van toepassing op het geheel: Catherine speelde met die befaamde, vloeiende lyriek (van de verrassende agressie die hier en daar op September Man te horen was, viel hier minder te merken), maar loste vaak op in richtingloos fusiongefriemel. Als de studioversie van “Nineteen Seventy Fourths” vierenveertig jaar na opname nog klinkt als een degelijke variant op de elektrische Miles, dan was deze versie ronduit bombastisch en belegen. En dat kon je helaas ook zeggen over dit concert, alle goede intenties ten spijt.

Het was duidelijk dat Melanie De Biasio de hoofdattractie was. De tent barstte ei zo na uit z’n voegen voor het concert begonnen was en het was meteen ook de eerste keer dat het geleuter in en rond de tent verstomde (ligt het aan ons, of wordt zo’n festivaldag met grote headliner steeds meer een toeristische uitstap?). Het paradepaardje van de Belgische jazz, dat zowel mocht opdraven op Gent Jazz als Jazz Middelheim, bracht wat van haar verwacht werd: een duistere, sensuele trip van anderhalf uur. Sinds het succes van No Deal is haar sound nog meer uitgebeend en herleid tot de essentie: die donkerbruine fluisterstem en bakken eromheen gemetselde sfeer. De woorden worden gepreveld met de intimiteit van een biecht en mikken samen met het ronddrentelende fluitspel op maximale trance.

alt

En dat lukt, want de bedwelmende jazzchanteuse van weleer schurkt dezer dagen dicht aan bij het doemerig minimalisme van Bohren & der Club of Gore, maar dan met een Alice Coltrane/Yusef Lateef-twist. Dat klonk bij momenten (“Gold Junkies”, “With All My Love”) best indrukwekkend, maar je miste wel de spontaniteit en levendigheid van weleer. De befaamde naakte naturel van De Biasio voelde intussen ook wat geaffecteerd aan. Het was een vlekkeloos uitgevoerde show, maar niet de overstijgende ervaring, het was geen parcours om samen met haar af te leggen. Er werden geen trappen, laat staan risico’s, genomen, geen extase gezocht. Er werd gestart en geëindigd bij zwarte romantiek, ook in “Afro Blue”, even beklemmend als verlammend. Je miste de belofte van meer. En zo werd de zo geroemde minimale sound van De Biasio ineens verleidelijk én pompeus, alsof ze verloren gelopen was in haar zelfgecreëerde mythologie.

11 augustus

Jazzliefhebbers tevreden stellen, dat is zoiets als Theo Francken aanmanen tot fatsoen: forget about it. Dus kan je er ook van op aan dat er altijd wat geëmmerd en gemord zal worden over wat nu alweer geen jazz is en wie al dan niet over het paard getild is of nooit een noot heeft kunnen spelen. Maar soms moet je ook erkennen dat sommige dingen goed zitten. Een gebrek aan aandacht voor de Belgische jazz viel de organisatie ook dit jaar niet te verwijten, want die zo bejubelde nieuwe generatie mocht uitgebreid z’n ding komen doen op Dag 1, terwijl ook heel wat ervaren klasbakken aantreden doorheen de vier dagen. En zo werd de tricolore tweede festivaldag nog een beetje verdergezet op Dag 3, met twee (toch deels) Belgische acts op het hoofdpodium. De eerste, het Ben Sluijs Quartet, maakte twee jaar geleden nog z’n debuut op de club stage en was nu terecht gepromoveerd.

alt

Sluijs stond er om zijn nieuwe album Particles voor te stellen, dat hij opnam met oude getrouwe Dré Pallemaerts (drums) en jongelingen Bram De Looze (piano) en Lennart Heyndels (bas). Twee jaar geleden viel er al een bijzonder evenwicht te horen en dat was ook nu weer het geval. Zoals verwacht werd het ook een echte groepsperformance. Sluijs is het voorbeeld van de integere, bescheiden muzikant die zichzelf niet graag in de kijker zet. Hij nam dan ook plaats tussenpiano en bas, alsof hij duidelijk wilde maken dat elke schakel van belang was. En dat klopte, want dit was een gelijkwaardige bedoening waarin elke deelnemer zijn persoonlijke stempel drukte. De muziek laveerde van (s)lome, Oosters/exotisch getinte grooves als “Arada” en “Mali” naar impressionistische schetsen en rondgestrooide momenten met wat meer pit in.

Sluijs wisselde af tussen (alt-)fluit en altsax, een instrument dat hij nog altijd als geen ander kan laten zingen, terwijl Pallemaerts regelmatig speelde met iets dat leek op totale vrijheid; subtiel borstelend, hinkstappend op de cimbalen, met een onvoorspelbare cadans. Muziek met regelmatig een ingetogen, serene insteek, maar ook soms met een intrigerende wrijving, zoals in “Miles Behind”, waarin het leek alsof het kwartet op twee snelheden speelde. “Air Castles” maakte dan weer duidelijk wat een fijnzinnig componist de leider is, terwijl dat op zijn beurt dan weer mooi contrasteerde met het subtiel dansende “Jemima”, dat vol stak met knap roterende patronen en een subtiele frivoliteit. Afsluiten gebeurde met “Cell Mates”, misschien het meest ‘klassieke’ jazzstuk van de set, inclusief snedig spel van Sluijs en oppokend vuur van Pallemaerts, maar ook hecht ensemblespel. Laat de brede grijns van Heyndels tekenend zijn voor dit concert. Klasse.

Toegegeven: we hadden het vroeger soms een beetje moeilijk met Robin Verheyen. Of beter gezegd: we zagen steevast een razend getalenteerde muzikant, eentje met gretigheid en een imposante technische bagage, maar bij concerten bleef soms dat onderhuidse gevoel hangen dat het er niet altijd uitkwam. Verheyen kon ondanks zijn ervaring en kwaliteiten als componist en improvisator soms een beetje stug of wat schools klinken, alsof er werd gespeeld met de voet op het rempedaal, ook al stond hij er soms met grote namen uit de New Yorkse scene. Dat is misschien verleden tijd, want de Verheyen die we nu op het podium zagen met zijn Quartet — pianist Marc Copland, bassist Drew Gress en drummer Billy Hart, de muzikanten waarmee hij in 2017 When The Birds Leave uitbracht –- maakte indruk.

De New Yorkse Kempenaar hanteert nog altijd doordachte composities die duidelijk zijn stempel dragen en steevast een verbond zoeken van een traditioneel en een modern jazzgeluid, met vage uitlopers uit de klassiek. Met zo’n collega’s krijgt hij ook volop de kans om te schitteren, wat dat hij deze keer ook aangreep met iets dat nog het best te omschrijven viel als bevrijding. Deze Verheyen speelde zowel in de bedachtzame (een prachtige ode aan Paul Motian, wiens belang voor de jazz nog altijd duidelijker wordt) als de vurigere stukken met een opvallende intensiteit. De tenorsax kon als vanouds lekker scheuren, maar het was op de sopraansax dat hij deze keer écht losbarstte, met melodieuze klaagzangen en extatische kreten die bij momenten herinnerden aan Coltrane, een van zijn grote voorbeelden. Verheyens composities voorkomen dat de muziek gaat ontsporen, maar het was mede dankzij deze ideale band, met de souplesse en aardse feel van een Hart, dat Verheyen zichzelf kon overstijgen. De saxofonist had alles onder controle én klonk tegelijkertijd als een bevrijd man, en speelde vermoedelijk het beste concert dat we ooit van hem zagen. Twee op twee voor het hoofdpodium.

Maar we moeten er ook niet flauw over doen: de hoofdreden waarom we deze dag aangekruist hadden, was de komst van het Fred Hersch Trio. Pianist Hersch is de voorbije jaren enorm productief en komt op de proppen met hoogtepunt na hoogtepunt in zijn toch al niet al te misselijke discografie. 2017 was een klein mirakeljaar, met een uitstekende soloplaat (Open Book) en een openhartige autobiografie (Good Things Happen Slowly), en die winnig streak werd verder gezet met het in Flagey opgenomen Live In Europe. “Plainsong” was de solo-aanzet en vervolgens was het trio vertrokken voor een concert dat het recent verschenen album als toetssteen hanteerde. En wat je te horen kreeg was niet minder dan the art of the trio, want met bassist John Hébert en drummer Eric McPherson beschikt Hersch over metgezellen die de meester moeiteloos kunnen volgen, aanvullen en ruimte geven waar nodig, terwijl ze zelf ook een opmerkelijke vrijheid krijgen.

Het is een trio dat doorgaans kiest voor minzame gratie, maar eigenlijk beschikt over een imposante dynamiek, want zelfs op fluisterniveau is er enorm veel gaande. McPherson is geen patserige drummer; hij kan een song gaande houden met simpele patronen en zachtjes cirkelende brushes of verdomd creatief aan de slag gaan met een simpel ideetje, maar met Hébert leidt het tot een enorme fijnmazigheid en gevoeligheid. Het drieluik “Snape Maltings”, “Scuttlers” en “Skipping” — aan elkaar gebreid tot een lange vingeroefening — was al een prachtvoorbeeld van hun unieke driehoeksverhouding, met dansende ritmes, eigenaardige accenten en dat onmiskenbare toucher van de meester. Die zorgde voor pure schoonheid met “For No One” (“Probably more McCartney than Lennon”) en ging stijlvol aan het heupwiegen in “Newklypso”, opgedragen aan Sonny Rollins.

Zo dobberde het Trio op de deining, met een lyrische hommage aan de in 2015 overleden pianist John Taylor en de verplichte Monkfinale, waarin een solo uitgevoerd “’Round Midnight” werd gekoppeld aan aan een trippelende trio-versie van “We See” die de timing van het drietal nog eens in de verf zette. Het was, kortom, een demonstratie, een prachtconcert van een van de jazzgroten van vandaag, eentje die laat horen dat die traditie een eindeloze bron van inspiratie blijft en eindeloos verrijkt kan worden. En daarmee begon Dag 3 steeds meer op een lang hoogtepunt te lijken.

alt

Dat kon natuurlijk niet blijven duren, want na zo’n briljante vertoning was het even slikken bij Jazz Loves Disney. Op papier geen reden tot paniek, want de link tussen Disney en jazz is er eentje die met recht en rede serieus genomen mag worden, maar het draaide anders uit. Hoe? Wel: ergens iets tussen kinderachtige spreekbeurt en een Disney On Ice-show zonder ijs. Ene Michiel Veenstra was MC van dienst en kwam als een volleerde schoolmeester z’n publiek informeren over ditjes en datjes uit de Disneygeschiedenis, terwijl de Franse Amazing Keystone Big Band, aangevuld met een legertje strijkers, een stuk of zestien klassiekers met stuk voor stuk bekende melodieën uitvoerde. Helaas was het herkenningsfeest vaselineglad, proefden de solo’s als Cola zonder bruis en had een kleine legertje vocalisten ook niet genoeg panache in huis om er een écht feest van te maken. Op een uitzondering (“Everybody Wants To Be A Cat”) na was dit zoutloos entertainment waar meer, véél meer, in zat. De tent ging een beetje overstag en wij hielden vooral de herinnering aan Fred Hersch intact.

In de club stage vielen vier concerten te horen van de Franse saxofonist en componist Sylvain Rifflet, die zich de voorbije jaren regelmatig in de kijker speelde. Van zijn vier beurten kregen we enkel de eerste helemaal mee. Het was een duo met Joce Menniel dat leidde tot een soort van elektroakoestisch amalgaam waarbij composities van onder anderen Christian Wallumrød en Michel Portal werden omgebouwd tot gelaagde constructies via loops, percussieve plops (en andere ongewone geluiden, zoals een mondharp) en strakke thema’s op fluit, tenorsax en klarinet. Nu eens speels, met een bijna delirisch effect, en dan weer wentelend in abstractie, die op zijn beurt weer kon omslaan in een traditioneler/naturel geluid zonder effecten. Prima concert, dat ei zo na verkloot werd door een kleine volksverhuizing voor het helemaal ten einde was. Boertigheid, meneer. Ook binnen de jazz. Maar kijk, hulde voor deze mooie dag.

12 augustus

Meer dan 20.000 toeschouwers voor deze 37ste editie van Jazz Middelheim, en dat viel eraan te merken, want ook op de traditioneel wat gezapiger slotdag was Park Den Brandt behoorlijk goed gevuld. Het volk was ook al verrassend vroeg op post. Dat had ongetwijfeld te maken met de vroege start en het goede weer, maar misschien ook wel met de eerste naam op de affiche. Puur op basis van reputatie zou je verwachten dat Aka Moon misschien wat later zou spelen, maar er volgden natuurlijk nog wat grote namen, waaronder een van hun belangrijkste invloeden. Nu viel alleszins weer op hoe het trio in meer dan 25 jaar (!) is uitgegroeid tot een uniek eiland in de internationale jazzzee.

En misschien deed het ook wel deugd om ze nog eens aan het werk te zien in triogedaante. Doorheen hun carrière staken ze hun neus uit in de meest uiteenlopende richtingen, wat ook samenwerkingen opleverde met volk uit zowat alle hoeken van de wereld. Je zou er haast door vergeten wat een punch ze als trio al in huis hebben. Net als op het recent verschenen Now stond die bijzondere triosynergie centraal. Die kwam vooral uit de verf door de strakheid waarmee gespeeld werd. Michel Hatzigeorgiou (basgitaar) en Stéphane Galland (drums) zijn virtuoos complementair, een tandem die speelt met de precisie van de progrock, soms met de feel van de funk en steeds met de verwevenheid en kleur van de jazz. Altsaxofonist Fabrizio Cassol drapeert daarop zijn complexe, kronkelige lijnen die eruit vloeien met zo’n driftigheid dat het haast delirisch klinkt.

alt

Er werd geen tijd verspild aan overbodige boodschappen, anekdotes of voorstellingen. Aka Moon was er om zijn gekregen tijd maximaal te benutten en schudde composities uit de mouwen die zelfs voor gevorderde muzikanten een beproeving kunnen zijn. Aka Moon op dreef, dat heeft soms bijna iets van een hermetische bedoening, iets van een hypercomplex mechanisme waar je geen handleiding bij kreeg, maar je kan die halsbrekende wendingen, spurtjes, solo’s en interacties ook gewoon over je heen laten komen. Hier en daar had het de intimiderende kracht van King Crimson midden jaren zeventig, maar Aka Moon biedt meer frivoliteit en funk in zijn polyritmische vingeroefeningen. Een vaste waarde die blijft imponeren.

Met zo’n artist in residence kan het alle kanten uitgaan. Bij de ene kreeg je het gevoel dat het misschien net iets te vroeg was (Tigran Hamasyan), de andere vergaloppeerde zich in z’n hoofdgerecht (Jason Morans ‘Fats Waller’-project), en er was er ook eentje die er werkelijk iets memorabel van maakte (Vijay Iyer). Achteraf zullen we vermoedelijk gaan zeggen dat het voor Robin Verheyen net op het goede moment kwam, want het heeft er alles van dat de man intussen in die fase zit waarin hij als artiest enorm gegroeid is en er in slaagt om meerdere sterke projecten in de lucht te houden. Zoekt hij het met Taxiwars in een woelige grootstadvibe, dan was het kwartet met Copland, Gress en Hart een straffe lap moderne jazz waarin de leider zich ontpopte tot een écht sterke figuur.

Het trio met pianist Bram De Looze en drummer Joey Baron (ja, die van Masada & co.) ontstond toen Verheyen in 2017 van Bozar de vraag kreeg om iets rond Monk te doen. Snel bleek dat de combinatie daadwerkelijk steek hield en meer opleverde dan enkel geïnspireerde Monk-interpretaties. Het concert op Middelheim kon dan ook gelden als een vroege repetitie voor de albumopnames die in oktober plaatsvinden. Als dit concert iets uitwees, dan misschien wel dat Verheyen de lat ook als componist behoorlijk hoog legt. Het zijn geen voorspelbare basisstructuren met zoveel bars van dit en dat, maar behoorlijk ingenieuze en onvoorspelbare composities die niet enkel jazz als toetssteen hanteren, maar ook kamermuziek. Het resultaat klonk hier dan ook wat minder direct en ‘jazzy’ dan in het kwartetconcert van de dag ervoor, met De Looze en Baron die makkelijk meegingen in dat evenwicht van subtiliteit en complexiteit.

alt

Natuurlijk waarde de geest van Monk ook nog altijd door het concert. Het strekt Verheyen en collega’s wel tot eer dat ze kiezen voor een paar minder bekende van diens composities — “Boo Boo’s Birthday” en “Oska T.” uit Monk’s Columbia-periode, waar Verheyen een boon voor heeft — om onder handen te nemen, terwijl het vurige “Dance” aan de legende opgedragen was. Van die wat botsende stijl viel wel weinig te merken, want dit trio gaf er z’n eigen draai aan. Minder geslaagd was het moment met de solo’s. Of anders gezegd: drie solomomenten na elkaar zetten en nog eens opvolgen met een sluimerende compositie haalde de vaart plots wel heel erg hard uit het concert, maar dat werd snel weer rechtgezet en was slechts een kleine smet op (alweer) een prima concert. Verheyen maakte het deze editie waar.

Net als Aka Moon is Steve Coleman een figuur wiens jazz eigenlijk sui generis is. Van Afro-Amerikaanse vernieuwers als Anthony Braxton, Roscoe Mitchell en Henry Threadgill werd al uitvoerig gezegd dat ze een heel eigen universum gecreëerd hebben, maar dat geldt net zo goed voor Colemans oeuvre. Met zijn oudste band The Five Elements, weliswaar in een jonge bezetting, speelde hij een concert dat aanvankelijk weinig opmerkelijk leek te gaan worden, maar dat al snel omsloeg in een soms verbluffend originele en gedreven performance. Het ging van start met een gezapige groove met een reggae-achtige vibe, maar kreeg dan een tempoversnelling, waardoor het kwintet plots belandde in een snedige groove. Het was de start van een kolos van een marathon met een verschroeiende intensiteit.

De ritmesectie — elektrisch bassist Anthony Tidd en drummer Sean Rickman — speelde met een flow die potig en dansbaar was en vormde de ideale ondergrond voor het perfect op elkaar ingespelde duo Coleman en Jonathan Finlayson (trompet), die moeiteloos slalomden door de soms duizelingwekkend ingenieuze ritmes en structuren. Van op een afstand klonk het misschien als driftige funk, maar dan wel van de intergalactische soort. Prachtige bonus was vocalist Kokayi, ook al ruim twee decennia een Coleman-getrouwe, en nu goed voor een spervuur van woorden. Geen loos geweld of vermoeiend gedram, maar een expressieve toevoeging die volledig op maat van de muziek was. En als er al even gas teruggenomen werd, voor een ingetogen schuifelmoment, dan was dat op zijn beurt weer de aanloop naar een feest van staccato prikken en turbulente ritmes.

alt

Het was muziek die cumulatief werkte, enorm wervelend klonk en ook echt anders. Het was misschien al geleden van Vijay Iyers Holding It Down: The Veterans’s Dreams Project (2014) dat er nog eens zo’n bevlogen, originele en hedendaagse variant op de Amerikaanse jazz te horen viel. Het was lonken richting pop én cerebrale denkoefening, muziek op het scherp van de snede die gestuurd werd door een doordacht, onderliggend systeem dat zorgde voor slinks bochtenwerk en slingerende grooves. Een paar toeschouwers waagden zich aan een voorzichtige dans. Even later bleek het de ritmesectie van Fred Hersch te zijn, die verwonderd toekeek. En zo zwierde het kwintet laag op laag, met Coleman die hier en daar klonk als een espressosnelle Maceo Parker van Harvard, gesteund door een band die het allemaal zo verdomd makkelijk deed klinken. Goed, het had best wel wat compacter gemogen, dat laatste kwartier was er misschien te veel aan, maar wat een fijn weerzien en wat een concert.

Met Archie Shepp werd tenslotte nog eens diep in de jazz gedoken. De echte. Misschien een beetje ironisch, omdat hij ooit gerekend werd tot de barricadebestormers die de jazz in de jaren zestig op z’n kop zetten. Al was dat nooit om af te rekenen met de muzikale traditie, want die bleef altijd door zijn muziek waren, maar om andere, maatschappelijke redenen. Dat de 81-jarige veteraan er nu stond met een Tribute To John Coltrane mag ook niet verbazen, want de link tussen de twee werd al uitvoerig belicht en past helemaal in de recente aandacht die de figuur en muziek van Coltrane te beurt vallen. Zoals verwacht werd het concert opgehangen aan Shepps Four For Trane (1964) en aangevuld met een resem andere stukken die rond die periode (of iets later) werden opgenomen. Shepp had daarvoor een ijzersterke band meegebracht, met loyale pianist Carl-Henri Morisset, bassist Reggie Washington en drummer Hamid Drake, en naast hem in de frontlinie trompettist Randy Brecker.

Die heeft niet echt een muzikale voorgeschiedenis met Shepp, en dat viel eraan te merken. Brecker, intussen ook al 72, soleerde opvallend sterk en zuiver, maar van echte interactie tussen de twee was er weinig sprake. Het ging eerder om beurt afwachten. Dat kon je ook een beetje concluderen over de ritmesectie, die z’n werk uitstekend deed, maar vooral aanwezig was om te begeleiden en niet om in dialoog te gaan met de leider (een beetje jammer, met een van de meest veelzijdige en creatieve drummers van de laatste decennia achter de kit). Shepp liet z’n tenorsax als vanouds janken en ronken met die bekende zwalpende speelstijl, waarbij het soms lijkt alsof hij wat op dat mondstuk zit te sotsen. Het is een wat wankel, maar uniek geluid en het gaf een heel eigen draai aan Coltrane-klassiekers “Syeeda’s Song Flute”, “Cousin Mary” en “Naima”. Die kregen eigenzinnige invullingen, en werden soms iets te lang gerekt om spannend te blijven. “Naima”, nog altijd een van de ultieme jazzballades, was ook iets té schreeuwerig.

alt

Het echte hoogtepunt viel al redelijk vroeg in de set, toen Shepp “Blasé” aangekondigde uit het gelijknamige album uit 1969. Het komt uit een periode dat zowat de volledige jazz avant-garde verkast was naar Parijs en hun albums de meest uiteenlopende geluiden en invloeden combineerden. Op het album gingen nieuwlichters Shepp en Dave Burrell aan de slag met Philly Joe Jones en zangeres Jeanne Lee, die hier prima vervangen werd door gastzangeres Marion Rampal, die de ideale toon vond in deze broeierige en theatrale compositie die de temperatuur zacht de hoogte in joeg. Zo goed en evenwichtig zou het niet meer worden, want Shepp soleerde regelmatig zonder al te veel focus, net zoals hij z’n band steeds opnieuw voorstelde.

“Los Olvidados” uit Fire Music (1965) was Shepp op z’n meest expressief en geworteld in de traditie. Al was er ook nog Ellingtons “Prelude To A Kiss” (te horen op hetzelfde album), waarvoor de leider nog eens aan het zingen sloeg en dat hij koppelde aan muziek uit Attica Blues, de plaat die hij drie jaar geleden nog onder handen kwam nemen in Park Den Brandt. Het was dus een eerbetoon aan Coltrane, maar tegelijkertijd ook een soort dwarsdoorsnede van Shepps vroegere jaren. Bekeek je het vanuit het perspectief van interactie, dan bleef je echt wel op je honger zitten, want echt luisteren deed Shepp niet altijd. Anderzijds was het natuurlijk wel een gelegenheid om een van de voortrekkers van de fire music nog eens aan het werk te horen, en hij klonk nog altijd zo dwars en herkenbaar als vijftig jaar geleden.

Op de Club Stage kon je ook nog een interessant hoofdstuk uit de Belgische jazz en improvisatie meepikken, met Mâäkin verschillende gedaantes. Het was én een reis door de tijd, en een zelfportret in vier delen en een demonstratie van waar de band al twintig jaar voor staat. Het kwartet (Laurent Blondiau, Jeroen Van Herzeele, Sal La Rocca en Dré Pallemaerts) keerde terug naar het debuutalbum (van toen nog Määk’s Spirit) en was verankerd in de freejazztraditie, met sax en trompet die innig rond elkaar verstrengelden of het elastiek lieten vieren. Heel even lonkte het naar Ornette Coleman, of kroop er een potige baslijn in die het geheel een ritualistische wending gaf. Het eerste kwintet, met als blikvangers gitarist Jean-Yves Evrard en drummer Thielemans, stak daarna het vuur aan de lont, met ontwrichte snarentrekkerij, maar ook met verrassend lichtvoetige grooves die het atonale gefreak mooi inbedden. Bij het tweede kwintet lag de nadruk weer volop op de blazers (al gaf drummer Samuel Ber ook behoorlijk van jetje), met een sleutelrol voor Michel Massot, die met een bronstig pompommende tuba (of sousafoon?) het geluid ombouwde tot een kamermuziekversie van Sons Of Kemet. Het slot, het Big Ensemble, dat moesten we missen. U laat ons maar weten hoe het was. En noteer meteen ook de data voor 2019: 15 t.e.m. 18 augustus.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

15 − een =