WERCHTER 2016 :: Opgeschuimde melk en half uitgegomde beats

Doordat team Enola de voorbije weken flink ging warmlopen in Spanje, Portugal (Primavera Sound) en Nederland (Best Kept Secret), verschijnt het topfit aan de start van de eerste binnenlandse festivalmarathon die Rock Werchter heet. Onze laptop raakte ongeschonden binnen, en door de goede raad van ons moeder – “je zal donderdag dus beter laarzen aantrekken” – blijven ook onze voeten voorlopig helemaal droog. Ready, Steady, Go!

Een dag is nooit zo nat of de zon schijnt altijd wat, luidt een oud spreekwoord. En zo is het maar net. Jazeker, bij aankomst priemt een enkele zonnestraal door het wolkendek. Perfect om even in de sfeer te komen met een biertje in de hand, dachten we zo. Ware het niet dat Enola-opperhoofd (mvs) ons vandaag in hoogsteigen persoon nauwlettend in de gaten houdt. Plichtbewust als we zijn, stellen we het inpilsen dus nog even uit, en duiken meteen The Barn in waar soulzanger Samm Henshaw ons verblijdt met zijn warme soulstem. De Brit van Nigeriaanse origine laat zich begeleiden door zijn vrienden, die zich The Sound Experiment noemen. Zijn bekendste nummer “Only Wanna Be With You” krijgt een gospelversie mee en dan vindt Henshaw dat hij zelf genoeg gezongen heeft. De band zet “My Girl” van The Temptations in, en Henshaw richt zijn microfoon tot het publiek, maar daar heeft u op dit vroege uur duidelijk nog geen boodschap aan. De aanhouder wint, en met “Wonderwall” heeft hij meer succes. Henshaws enthousiasme werkt aanstekelijk, benieuwd of zijn mentor James Bay het er zondag op de main stage even goed zal van afbrengen.

Isaac Hayes! Otis Redding! Booker T. & The M.G.’s! Allen brachten ze in het verleden platen uit op legendarische label Stax. Een eer die vorig jaar ook Nathaniel Rateliff en zijn band The Night Sweats te beurt viel. In tegenstelling tot voorgenoemden kleurt Rateliff echter niet zwart, maar vertoont hij met zijn vele tattoos, rosse snor en dito baard eerder gelijkenissen met de spelers uit de voorlinie van het IJslandse voetbalteam. Of met de barista van uw lokale koffiebar, zoals u wil. Rateliffs krachtige stem sluit dan wel weer aan bij de Staxzangers. The Night Sweats blijkt een goed geoliede liveband, van in het begin van de show mag de saxofonist zich volledig laten gaan. Na twintig minuten volgt de radiohit “I Need Never Get Old”, waarna The Barn druppelgewijs leegloopt. Jammer, zo mist u het verleidelijke, uitgesponnen “Shake”, waarin de twee gitaristen het tegen elkaar opnemen, alsook de uitbundige afsluiter “S.O.B.”. “The Night Sweats, in the middle of the day”, glundert Rateliff helemaal uitgevloerd aan het einde van de set. Het eerste feestje van de dag is alvast een feit.

Snel spoeden we ons richting KLUB C waar de Amerikaan Ryan Bingham aan zijn set begint. Maar die haast blijkt nergens voor nodig: we kwamen nog maar zelden zo een lege tent binnengewandeld. We kunnen u echter geen ongelijk geven. Op basis van onze Spotifyprospectie hadden wij een Dylanesque folkzanger in gedachten, maar toen we de KLUB C naderden, hoorden we eerder een Bryan Adams uit Nashville aan het werk. The Horror, The Horror. Binghams witte countryhoed en de stokoude violist kunnen tellen als gimmick, en op een bepaald moment is Cotton Eye Joe en die bijbehorende linedance niet ver weg. “Dat moet toch een package deal zijn, hoe komt zo een band hier anders terecht?”, vraagt collega (jp) zich luidop af. Paul – excuses: Sir Paul -, als jij het bent: breng de volgende keer interessantere vriendjes mee, kunnen we dat afspreken?

De keren dat het Britse Elbow ons hier de voorbije jaren volledig inpakte, zijn inmiddels talrijker dan de keren dat wij Fernand Huts al op een ongepaste uitspraak betrapten. Dit jaar werd Elbow niet gevraagd, dus treedt zanger Guy Garvey maar met zijn eigen band aan. Opener “Courting The Squall” komt zacht en zeemzoet binnen, als het laagje opgeschuimde melk op uw cappuccino. Verderop durft Garvey al eens verder te gaan dan de emblematische, in melancholie gedrenkte songs die hij voor Elbow schrijft. Zo steunt “Harder Edges” op de dwarse drumslag van drummer Alex Reeves en krijgt ook het dwingende “Belly Of The Whale” een hoekig ritme aangemeten. Doorheen “Angela’s Eyes” wordt een postpunkgitaartje geweven. Afsluiter “Open The Door”, een nummer dat Garvey nog snel bijeenschreef om wat extra schwung in zijn festivalsets te krijgen, doet wat het moet doen: iedereen met een goed gevoel en met een brede glimlach op het gezicht opnieuw de wei insturen.

“Stop! Or I’ll preach you to death!” Henri Rollins laat het autoritair galmen met dezelfde overtuiging waarmee hij vroeger “Sucker! I’m a liar” bulderde. Staat hem wel, die lange zwarte pastoorssoutane, en het blijft bulderen bij Gutterdämmerung. Vrij naar Wagners bijna-gelijknamige opera, waar de Antwerpse Zweed Björn Tagemose zijn “luidste stille film ooit” losjes op baseerde. In prachtig gestileerd zwart-wit krijgen we dus een nauwelijks te volgen metalopera over de duivel, god, en een satanische gitaar.

Meer dan dat zijn het de acteurs die Gutterdämmerung zijn opwinding schenken. Al in de openingsscene zien we Jesse ‘The Devil’ Hughes opdraven als revolverheld, Iggy Pop met engelenvleugels is helemaal gieren, net als Grace Jones als, ja wat eigenlijk? Het ontlokt het publiek telkens een groot herkenningsapplaus. Wanneer wijlen Lemmy opdoemt als krijgsgeneraal gaat de tent collectief uit zijn dak.

Meer dan een opera, is dit immers een liefdesbrief aan de metal. Achter het scherm rijgt een band de klassiekers aan elkaar. “War Pigs”, “Rammstein”, “Raining Blood” en natuurlijk “Ace Of Spades”; het zijn moshmomenten die door Jesse Smit vocaal uitermate accuraat worden neergezet. Het is vrolijk entertainment van de zwarte soort, dat zijn climax krijgt wanneer Brent Vanneste van Steak Number Eight voor het eerst sinds de halve finale van de Rock Rally 2006 — eindelijk nog eens! — zijn loodzware “Oh Fortuna”-versie loslaat over de eindgeneriek. Toemaatje voor Lemmy, dan: op aansturen van Rollins nog eens dat “Ace Of Spades”. Omdat Lemmy “born to win” was, zoals het scherm leest. En omdat er nog wat vuur in de kanonnen zit. Heerlijke show.

Ha, daar zijn jullie, we vroegen het ons al af! We zijn nog maar net binnen in KLUB C of de bordjes achter ons springen onverbiddelijk op rood, tot grote spijt van het jonge festivalvolk dat nog massaal komt aandraven en de doortocht van Flume tot hun grote teleurstelling van buiten de tent moet volgen. Na een korte intro knalt deze Australiër meteen zijn prijsbeest “Holding On” de set in. Wat volgt is een uurtje moody electro vol half uitgegomde beats. Digitale sfeerzetting, zoals u wil, waarin verhakkelde synths aankomen als subtiele, smachtende stroomstootjes. Pas na een dik half uur volgt een eerste stevige drop. “Never Be Like You” doet denken aan de vocale en fysieke acrobatieën die FKA Twigs hier vorig jaar tentoonspreidde. Flume buigt zich over zijn apparatuur, maar er gebeurt verder weinig op het podium. Tijdens “Say It” mept de jongeman wat op zijn elektronisch drumpad, maar daar blijft het bij. Best aanstekelijke nummers, dat wel, maar wij volgen de horde oude sokken richting The Barn.

Even willen we de geluidsman van New Order een tweede zit aan de broek smeren. Wat van bij het begin een pompende show moet zijn — zo ziet het er ook uit met de Berlijnse jaren tachtigbeelden die over “Singularity” worden gelegd — klinkt alsof de deuren van de dancing hopeloos gebarricadeerd worden door een boom van een buitenwipper en je de muziek van ergens ver weg nog een beetje hoort boenken. Terwijl we zo moeten blijven aanschuiven horen we ook “Crystal” en “Tuti Fruti” verzuipen.

Binnen bij “Plastic”, en dat is net het goeie moment. Als in: de geluidsman heeft waarschijnlijk nét Joke Schauwvliege zich zien reppen om Opa Macca te zien beginnen, en vindt eindelijk het schuifje dat naar boven moet. De Kraftwerkachtige electrotrein mag dreunen en jakkeren, en we mogen nu ook de synths van Gillian Gilbert horen. De lichte euforie die we bij “Perfect Kiss” voelen is er eentje van verlossing. Het is niets vergeleken met het pandemonium dat “True Faith” losmaakt. Bollen? Wie heeft bollen nodig als de beste danceband aller tijden besloten heeft zijn blik grootste hits open te trekken?

Naast ons wordt een hysterische Britse blondine gek. En toch vinden we “Blue Monday” na dat hoogtepunt een tikje minder impact hebben. Tikje, wat wil zeggen: het slaat nog altijd in als de modderfucking bom die het in 1983 was, toen New Order definitief bewees meer te zijn dan een post-punkband die probeerde zijn legendarische frontman te overleven. En toch volgt “Love Will Tear Us Apart”, al eeuwen niet meer het doemerige liefdeslied dat het ooit was, maar een uitgelaten feestnummer waar hoogstens een beetje melancholie door schemert. “Forever Joy Divison” wordt over een foto van Ian Curtis geprojecteerd. Verleden en heden zijn een en ondeelbaar, en zo is het goed. Werchter had zijn eerste hoogtepunt beet.

Nog voor hij op het podium verschijnt, heeft Sir Paul McCartney ons vandaag al een tweede keer liggen. Na de package deal met Ryan Bingham – we blijven hem ervan verdenken, tot het tegendeel bewezen is – laat hij ons een ruim een kwartier in de koude staan, zodat we het slot van New Order voor niks geskipt hebben. Ruim twee uur later is alles echter vergeten en vergeven, want wat een puikbest optreden is dit. McCartney komt op met beide vuisten in de lucht, alsof de overwinning al binnen is. De Liverpudlian heeft in het verleden natuurlijk al alles bewezen. “We spelen voor jullie wat oude nummers, wat nieuwe en enkele van daartussen”, spreekt hij ons toe, vooraleer hij “Can’t Buy Me Love” inzet. De setlist is inderdaad opgebouwd uit Beatlesnummers, solotracks en Wings-songs. We blijven gelukkig wel gespaard van het groteske “Mull of Kintyre”, wellicht zaten de doedelzakken nog vast op de pendelbus.

De Beatle werd een paar weken geleden 74 en is twee dagen ouder dan Brian Wilson, die we begin deze maand nog een erg belabberde prestatie zagen afleveren. In tegenstelling tot de Beach Boy is McCartney wel nog goed bij stem, en ook op zijn gitaarspel zit nog geen verval, zo laat hij horen in “Let Me Roll It”, dat een stevig rockende coda krijgt aangemeten. Al worden we vanavond het meeste ontroerd door de akoestische nummers als “Blackbird” en “My Valentine”, waarvoor McCartney voor het eerst achter de piano kruipt, en die hij opdraagt aan zijn vrouw Nancy Shevell.

Meer anekdotes volgen, over “In Spite Of All The Danger”, het eerste nummer dat The Beatles – toen nog The Quarrymen – ooit opnamen (“Het kostte ons amper vijf pond”), over George Martin, over hoe het Russische ministerie Engels leerde door hun muziek, en over de andere Beatles (“George Harrison was een uitstekende ukelelespeler!”). Er volgt vuurwerk tijdens de Grand finale “Live And Let Die”. En als je daarna aan de piano gaat zitten en rustig “Hey Jude” inzet, dan hoeven wij niks meer te zeggen, laat staan te schrijven. Een Britse die-hard fan vertelt ons nog dat McCartney volgend jaar te zien zal zijn in de nieuwe Pirates of the Caribbeanprent die “Dead Men Tell No Tales” zal heten. Maar laat deze McCartney nog maar levend wat verhalen vertellen, hij is er onklopbaar in.

Voor het slapengaan duiken we nog even KLUB C in waar James Blake het licht mag uitdoen. Op Glastonbury toverde de Brit plots Bon Iver op podium, vanavond volstaan hijzelf en zijn twee bandleden voor een betoverende ervaring. Opener “Life Round Here” wordt tien minutenlang uitgesponnen en ook in “Timeless” verstopt Blake een vals einde, waarna het nummer nog even doorgaat. Er volgen een handvol tracks uit het nieuwe album “The Colour In Anything”, dat zeker niet zijn beste is, maar dat Blake wel toelaat zijn sets meer integriteit en authenticiteit te geven. Vertrouwen in zijn eigen stem ook, die in “Love Me In Whatever Way” slechts door een zachte bas en een streep piano ondersteund wordt, en toch door alles heen klieft. Pas te midden van de set, tijdens “I Hope My Life” doet Blake ons ontwaken uit de roes en trekt hij een blik dansbare post-dubstepsynthcapriolen open. Vlak voor “Retrograde” verontschuldigt hij zich langs zijn neus weg voor de Brexit. Beleefde jongen, en het sein om ons ook richting exit te begeven. Een minder definitieve, dat wel, want morgen zijn we opnieuw van de partij.


Dag Twee

Ahhhh, beerstench, how I’ve missed you …. Bij het betreden van het festivalterrein valt het (kvp) dadelijk op: die modder hier valt nogal mee, al dat zand doet eerder vermoeden dat straks de zee weer gaat opkomen. Een enthousiaste liefhebber van megafestivals is uw verslaggever niet, maar de aanwezigheid van Robert Plant, Rammstein en Gary Clark Jr op dezelfde dag kon gewoon niet genegeerd worden. Verder kijken we uit naar de strapatsen van Richard Hawley, maar wie weet welke verrassing(en) deze dag gaan brengen?

Het plan was om enkele minuten Blackberry Smoke mee te pikken, om daarna richting Barn te vertrekken. Driewerf helaas, een kapot toilet op de bus die ons van parking C naar het festival moest brengen, gooide roet in het eten. De chauffeur vond er namelijk niet beter op om een omweg van 30 minuten te maken, zodat de jongedames met kleine blaas zich aan de kant van de weg konden laten benetelen.

Op naar Gary Clark Jr dan maar. Deze “toekomst van de blues” (dixit president Obama), heeft alleszins succes bij jong en oud, want ook de jeugd is massaal aanwezig in de Barn. Hij vliegt erin met een rotvaart, wie nu nog slaapt, wordt nooit meer wakker. De Amerikaan vertraagt pas na een twintigtal minuten, om “My Love”, een funky sleper vanop zijn laatste album, te brengen. Een mens zou zweren dat Prince op het podium staat. Daarna trekt Clark terug de snelheid op, en dendert hij met zijn kompanen richting einde. Gary Clark Jr rijgt de solo’s aan elkaar, wisselt een Gibson af met een Fender (“oh heiligschennis” denkt nu de bluesliefhebber met oogkleppen), en gunt tussendoor zijn vaste gitarist ook nog een open doekje. De sterkte van Gary Clark Jr is dat hij blues perfect mengt met funk en reggae, maar het blijft overwegend blues. De jongens en meisjes lusten er alleszins pap van, de handjes gaan geregeld de lucht in en de tent blijft goed gevuld. De traditionele afsluiter “My Healing” vertelt hoe muziek alles kan oplossen en weer goed maken. Daar is Gary Clark Jr vandaag alvast in geslaagd.

Terwijl Bring me the Horizon op het hoofdpodium variaties van hun ene hit “Throne” met gigantisch veel lawaai reproduceert, wandelen we naar de Barn voor wat we oneerbiedig het hoofdstuk “meisjesmuziek met wat ballen” durven te noemen. Daughter werd opgericht in Londen, waar de leden elkaar tegenkwamen in een rockschool. Ze zijn bij uitstek een Europese groep, gitarist Igor Haefeli komt uit Zwitserland, de drummer komt uit Frankrijk en zangeres Elena Tonra is Engels met Iers en Italiaans bloed. Tonra zingt wondermooi, maar opboksen tegen het geroezemoes in de tent blijft het hele optreden moeilijk. Vooral achteraan is hun muziek net dat, achtergrondmuziek. Spijtig, want wat ze brengen klinkt wondermooi en ontroerend, wat een prestatie is op deze gitaren-rock-Werchter-dag.

Zijn ze bij Daughter eerder introvert, dan gaat het er bij Oh Wonder in de Klub toch iets elektronischer en eclectischer aan toe. Ook al drijft ook deze groep op het geluid van een ijle vrouwenstem in combinatie met een iets donkere mannenstem, hun totale sound is toch nét iets anders. Anthony West en Josephine Vander Gucht vullen elkaar ook mooi aan. Staat zij in het begin wat onwennig achter haar keyboard te zingen, dan verklaart hij direct hoe blij hij is om hier te (mogen) staan, en dat ze nog nooit voor zo’n groot publiek gespeeld hebben. Zo win je natuurlijk direct veel harten. Vander Gucht is wel een elegante en kleurrijke verschijning, de blauwe, gele, groene en oranje vlakken op haar zwarte jurk passen perfect bij de videoprojectie.

En dan maken we ons nu klaar voor een paar uur plezier in de Barn. Hmm, misschien eerst even een sanitaire stop?

De Barn zit nauwelijks halfvol, en dat is jammer, want wat Richard Hawley presteert, getuigt van groot vakmanschap en kunde. De Brit uit Sheffield speelde een tijdje bij Pulp, waar hij zich in de schaduw van Jarvis Cocker bekwaamde als songwriter. Een geval van stille waters, diepe gronden? Wie kort door de bocht gaat, beweert dat de Engelsman sfeervolle soulrock brengt. Gelukkig komt daar live een dikke bindende saus van gierende gitaren bij. Hawley’s diepmenselijke bariton is in staat om zelfs de meest hardvochtigen onder ons te doen smelten, zijn in southern soul gedrenkte twang kan ontroeren, zonder te melig of te soft te worden. Een mooi rustpunt na een half uurtje rocken komt er met het zacht gezongen “Open Up Your Door”, met de gecroonde woorden “Open up the door, ’cause I can’t hear your voice anymore / Open up the door, I can’t see you anymore”. Wie nu nog niet gesmolten is van hartzeer, zat even op een andere planeet. Gelukkig kan Hawley zich ook als rocker laten gelden, zijn Pulp-verleden speelt daarin zeker mee. Dat dat duidelijk hoorbaar is, vindt het publiek — dat hartverwarmend reageert op ‘s mans korte bindteksten — zeker niet erg. Afsluiter “In The Woods” is met zijn percussieritmes zeer onheilspellend. Volgens Richard Hawley is “Life but a dream”, maar hopelijk geen nachtmerrie?

Het is drummen voor een plaatsje om levende legende Robert Plant aan het werk te zien, het applaus klinkt dan ook tot ver buiten de Barn. Het lijkt wel of de ex-Led Zeppelin frontman aan een tweede jeugd bezig is. Zijn begeleidingsband The Sensational Space Shifters, zijn echter veel meer dan dat: ze bepalen mee het geluid van het geheel, en geven Plant ook de kracht en inspiratie om zijn oude klassiekers niet alleen af te stoffen, maar ook te voorzien van een nieuw arrangement, inclusief diverse tempowisselingen, Afrikaanse ritmes en percussie. Vooral gitaristen Justin Adams en Skin Tyson spelen regelmatig de sterren van de hemel, elk op hun eigen manier: Tyson zittend, op akoestische gitaar tijdens “Babe I’m Gonna Leave You”, terwijl Adams al zijn duivels ontbindt op “Fixin’ To Die”.

Plant heeft er ondertussen een gewoonte van gemaakt zijn evergreens ferm te herwerken, alleen de goede verstaander weet onmiddellijk wat hij brengt. Tijdens deze set haalt hij onder andere “Dazed and Confused”, “Rock&Roll” van onder het stof, en brengt ze alsof hij een jong veulen van nog geen 30 is. Zijn grote geluk is ook dat die herkenbare stem nog steeds meewil: hij hypnotiseert en bezweert tegelijktijd. Robert Plant brengt traditioneel ook hulde aan de muzikanten die hem beïnvloed hebben: zo begint de set met een zwaar herwerkt en bijna onherkenbaar gemaakt “Killing Floor”, en ook Howlin’ Wolf (“No Place To Go”) passeert de revue. Grappig ook hoe hij een flard “Mona” van Bo Diddley verwerkt in “Whole Lotta Love”.

Het mag duidelijk zijn: Robert Plant heeft met deze groep een nieuwe opwindende adem gevonden, benieuwd wanneer hij nog eens onze contreien aandoet. En passant vertelde hij ook dat de groep sinds maart niet meer had samengespeeld, en dat was eraan te merken, want iedereen stond er gretig en blakend van enthousiasme. Dit zijn geen muzikanten die om den brode spelen, maar mannen voor wie muziek levensbelangrijk en noodzakelijk is. Het soort muzikanten dat je ontroert, de adem ontneemt en je dan de nacht in stuurt.

Op de eerste dag van het festival kregen we Gutterdämmerung, een rockfilm met bijbehorende liveband, en op de tweede dag een liveband die er een rockshow van maakt: Rammstein. Terwijl velen hun voetbalkater aan het voeden waren, en anderen al op weg waren naar de uitgang, presteerden de Duitsers het om ons weer wakker te schieten. En neem dat maar gerust letterlijk: hun optreden knalde op gang met vier gi-gan-tische vlammenwerpers, die tot ver buiten Werchter te zien en te horen waren.

De groep rond zanger Till Lindeman maakt er de gewoonte van om iedereen met hun “Tanz-Metall” vanaf de eerste seconde knock-out te slaan, bang voor wat (uitver)grote gebaren zijn ze niet. Nu slaagden ze daar echter minder vlot in. Wat de Duitsers, met leden uit de voormalige DDR, wel tot in de puntjes verfijnd hebben, is het brengen van entertainment. Zo komt Lindeman eerst op in een kraakwit pak, om daarna verder te gaan in wat we gemakshalve een overall zullen noemen. Alle bandleden zijn bovendien ook geschminkt en zien eruit als marionetten, die enkel op de beat van de drums bewegen.

Rammstein echter afdoen als een gimmick of carnaval à la Lordi, is echter veel te kort door te bocht. Hun muziek is uitgepuurd tot enkel de basics, en hun teksten zitten vol humor, ondanks het feit dat ze niet over de bloemetjes en de bijtjes zingen. Of toch wel, maar dan de pornoversie. Lachen was het alvast met “Hallo, Hallo, Können Sie uns hören, Wir kommen die Ruhe zerstören”. Ja, dat was nu écht wel duidelijk, regelmatig komt er vuurwerk aan te pas, en baadt de hele wei in het licht. Toch kan de groep niet verhinderen dat de exodus richting modderige tent of droge bus in volle gang is.
Zonde, want de mannen van Rammstein kunnen wel zingen, en weten perfect hoe hun songs moeten klinken in het genre dat ze zich eigen gemaakt hebben. En daar hoort ook het kerkorgel bij, dat de muziek wat verteerbaarder maakt.

De hits, zoals “Sonne”, “Du Hast” en “Amerika” waren de kers op de taart, maar wel voor een fel uitgedunde massa. Rammstein mag dan wel topentertainment zijn, wie al een hele dag in de regen heeft gestaan, heeft weinig boodschap aan het statische militarisme van de band.

Dag Drie

Zon! Waar gaan we dat schrijven? En dat terwijl Dour 2012-veteraan (mvs) zo klaar was voor nog eens een stevig modderbad. Blijkt Rock Werchter heel even in Blankenberge te liggen.

Want wat gedraagt die Mathieu Terryn van Bazart zich als een meisjesidool. Handje door het haar, even zwijmelend met de knieën schudden,… Wat is dit? One Direction op Tien Om Te Zien? Aan de gillende reacties uit het publiek te oordelen: bijna. En dan is er dat Nederlands. Afgelopen januari probeerde een enthousiaste Poppuntmedewerker ons aan een Groningse toog nog te overtuigen van de revolutie die de groep op dat vlak zal teweeg brengen, wij horen vooral gekunstelde rijmelarij waar alle persoonlijkheid van af is geairbrusht, gebracht met de gladde dictie van de gemiddelde schlagerzanger. Meer Clouseau dan Gorki, quoi, en dat is jammer voor wie zijn moedertaal hoog in het vaandel draagt. Alsof een woord als “hoerenkleren” zich zo moeilijk laat zingen.

Over de muziek anders geen kwaad woord. De lijzige, sexy beats mikken speels op de heupen, nummers als “Koortsdroom” en “Echo” zijn vlotte riedels die zich fluks laten meezingen. En dat gebeurt met hitje “Goud” tot ver voorbij het scherm tussen KlubC en Barn. In de verte zien we ondertussen een grote grijze wolk aandrijven, wij positioneren ons subtiel richting Barn. Liever snel naar de tent dan traag in de regen.

Bijkomende goeie reden om onder dak te zijn: de Australische Courtney Barnett die er in tegenstelling tot Pukkelpop vorig jaar deze keer wel zin in heeft. Stond ze er toen met de desinteresse en tegenzin van een slacker, dan staat ze nu meteen scherp. Het is dan ook wat vroeg voor een joint, en daar kunnen wij als publiek alleen maar van profiteren.

Barnett knalt er met haar Nirvana-lite ritmesectie droog de ene song na de ander uit, sans commentaire, en dat is ook niet nodig. Haar scherpte bewaart ze voor haar teksten, waar de uithalen niet te tellen zijn, dat “I think you’re a joke and I don’t even find you very funny” uit “Pedestrian At Best” voorop natuurlijk. Nadeel: hoe vinnig ook haar teksten, langzamerhand wordt het allemaal een en dezelfde song, al knalt “Nobody Really Cares If You Don’t Go To The Party” met zijn “I wanna go out but i better stay in”-refrein nog lekker als afsluiter. Eentje voor de Britten, pakt.

Zwart jasje, zwart en strak naar achter getrokken haar, rode lippenstift. Even denken we in de Klaratent te zijn beland, maar het is Jenny Beth van Savages die de Chantal Pattynlook rockt als geen ander. Opener “I Am Here” kan meteen tellen qua boodschap. Dit is ziedende post-punk, met woest tekeer gaande gitaren, een drumster die mept omdat iemand het moet doen nu Mohamed Ali er niet meer is, en een Beth die er zo vervaarlijk uitziet dat we er even bang van worden als we er toe aangetrokken worden.

De KlubC gaat overstag. Moet wel: je moest maar eens durven niét meedoen, ze komen achter u om met hun lange nagels uw ruggengraatloze rug open te leggen. Tijdens “Husbands” blaft frontvrouw Jenny Beth de voorste rijen in het gezicht om de muiterij te versterken. We hopen maar dat ze haar tanden gepoetst heeft. Brave huisvaders sterven verschillende doden of zitten in het beste geval op de parking te wachten op hun vrouw. Toch: soms is het allemaal iets te veel theater, te weinig song. Raken ze live mee weg, maar het is nipt.

“Zou zijn boeker hem haten?”, vroegen we ons af toen we zagen dat de bedaarde en bebaarde oud-Frameshoofdman Glen Hansard hier zou spelen. Fout gedacht: de Ier neemt het cadeau dankbaar in ontvangst en pakt een behoorlijk gevulde, slechtst discreet roezemoezende Barn in. Genoeg strijkers en blazers — de toeters en bellen van een festival — op het podium dan ook om de songs in te kleuren. “When Your Mind’s Made Up” barst mooi open, in de Van Morrisoncover “Astral Weeks” worden plots Eddie Vedder en Tom Barman genamedropt. En de citaatjes volgen elkaar op: een flard “R.E.S.P.E.C.T.” hier, een knipoog naar “Under The Bridge” daar,… Maar dat laatste is natuurlijk onvermijdelijk als Peppersdrummer Chad Smith het leuk vind om even wat marracas en tamboerijn te komen bijdragen. En toch laten we het gaandeweg zijn: het wordt tijd voor een eerste update, en teveel ingetogen singersongwriterij kan uw gezondheid schaden. “You can comeback anytime there’s nothing lost between us”, zong Hansard eerder, en zo is het maar net: we zien je stiekem nog steeds graag, Glen.

De Tour de France mag vandaag dan begonnen zijn, Beirut heeft hem er zo goed als op zitten. Natuurlijk krijgen we doorbraakhitje “Nantes”, er is ook “My Night With The Prostitute From Marseille” of “Le Havre”. Dat laatste is een grapje, maar wie maalt er om als dat “The Peacock” net hetzelfde klinkt. En zo lijkt Zach Condon langzamerhand een triestige one trick pony, die maar een kunstje kan. Zeven nummers lang werkt dat. Het is etenstijd, de zon schijnt, en onze pint is fris. Stiekem zijn we heel even gelukkig, maar dan zingt het in ons hoofd toch van “No No No”. Het moet meer zijn dan dat.

Even ernstig: PJ Harvey is vandaag een headliner. Een headliner die moeilijk doet, en dus in The Barn wordt weggestoken, dat wel. PJ Harvey wil immers uw volledige aandacht, met minder neemt ze geen genoegen. Ze krijgt het. Tegen een pseudobetonnen achtergrond die haar onderwerpen — sociale woningen in Washington DC, het oorlogspuin van Afghanistan — reflecteren komt haar negenkoppige band opgemarcheerd. Ze toetert op haar sax, en zal dat blijven doen, terwijl haar songs beelden uit de donkere hoek van onze samenleving brengen.

Dit is een ander soort set dan vijf jaar geleden, toen ze magnum opus Let England Shake kwam voorstellen op het hoofdpodium. Deze keer staat ze tussen haar veelkoppige band, zodat het beeld al snel aan renaissanceschilderijen doet denken: een en al kronkelende lijven. De muziek volgt even somptueus. “The Glorious Land” verdrinkt bijna in zijn arrangement, “A Line In The Sand” danst. Deze PJ wil niet hermetisch zijn, reikt het publiek de hand, maar vraagt toch wat. Zeker in het midden van de set, waar het etherische “Dollar Dollar” moeilijk ligt te doen.

Wat een goeie zangeres, ook. Of ze nu het diepere “The Words That Maketh Murder” brengt, of het schrille “The Ministry Of Defence”, het blijft gecontroleerd. En dan volgen toch wat publiekslievelingen. “Down By The Water”, natuurlijk, maar net zo goed de bezwerende blues van “To Bring You My Love” of een razend “50ft Queenie”. Ze zet ze naar haar nieuwe hand, want niets zo dwingend als een concept. En zo hoort het. PJ Harvey toont wat een artieste moet zijn. Sven Gatz kan zich beter even niet op Werchter vertonen.

Veel nieuwe headliners van Werchterschaal zijn er de laatste tien jaar niet bij gekomen, en de oude garde, zo bewees Red Hot Chili Peppers daarnet, begint langzamerhand wat onfris te ruiken. Editors is er echter wel in geslaagd om tot de hoogste sport van de ladder door te stoten, en mag vandaag al voor de derde keer headlinen. Of dat terecht is, is een kleine maar pittige discussie waard. Klassiekers van het kaliber “Alive” of “Under The Bridge” heeft het kwintet rond Tom Smith nog lang niet achter de gordel zitten, een vrij consistent — enkel vierdeling The Weight Of Your Love mogen we echt als miskleun beschouwen — oeuvre dat nu al vijf platen beslaat heeft wel.

Consistent, dat wil ook zeggen: grote verrassingen zijn van Editors niet te verwachten. De synths zijn sinds In Dream uit vorige herfst opnieuw van stal gerold, de gitaren daarom niet aan de wilgen gehangen. Een set lang wordt vakkundig op het koord tussen beide gedanst, en zolang de kleur het zwart-tot-pikzwart van de post-punk is, bevalt dat. Jammer dus dat de ingehouden opener “No Harm” — door Smith in falset gezongen — niet naadloos overgaat in de zware baslijn van “Sugar”; de sfeer moet even gebroken voor een glad “Thank you”. En dat borsthaar, Tom, moést dat even omhoog getrokken truitje écht?

Smith is overigens nog lang geen Bono. Hoe groot het gebaar soms kan worden, hij blijft een klein figuurtje op een groot podium, dat zich lang blijft wegsteken onder zijn capuchon. In die zin is de scenografie, met zijn betonnen achterwand en grote ventilators meer bepalend dan de frontman, die de grote schermen links en rechts nodig heeft om een connectie met de wei te vinden; het is op het podium vaak zoeken waar hij nu weer is, zeker als hij achter zijn piano kruipt. Misschien is deze schaal dus toch nog een tikje te groot, maar veel zal het niet zijn. We zagen de groep in de andere richting nog maar afgelopen herfst worstelen met het kleine Depot in Leuven.

Het klinkt goed, anders. Dat wel. De beats van “Life Is A Fear” denderen als een olifantenparade over de wei, de shoegazegitaar van “Bones” gieren. Ma ar het is in “Eat Raw Meat = Blood Drool” en “All The Kings”, wanneer met de bruutheid van industrial wordt geflirt, dat Editors het hardste boeit. En dan dat vuurwerk — zoals steeds halverwege “Smokers Outside The Hospital Doors” en tijdens en langgerekt “Papillon” — is dan ook niet nodig. Een zoveelste verontschuldiging voor de Brexit — “Our country’s a bit embarrassing right now” — kan echter geen kwaad. Zo kunnen wij nog eens zeggen dat het ok is, jongens. Dat we beiden beter af zijn zo, zolang we elkaar maar niet helemaal uit het oog verliezen. Want met een indrukwekkend slotnummer als “Marching Orders” mogen ze altijd eens terugkomen. Maar kunnen we afspreken dat als ze nog één keer De Draak “No Sound But The Wind” brengen in plaats van — zoals elders deze tour — het ijzersterke “The Weight Of The World” de terroristen al gewonnen hebben?

Er is nog wat vuurwerk. Veelkleurige serpentines. Editors moet daar van af, maar dat is ook het enige. Voorlopig volstaat het, en kunnen wij eindelijk gaan slapen. De benen zijn moe, de voeten zo gezwollen dat de rubber laarzen nauwelijks uit willen. Werchter, je bent hard, dit jaar.

Dag Vier

Zondag. Dag van luiaards. Niet zo voor team enola, waarvan (jp) u vandaag mag voorzien van verse updates. Het terrein ligt er goed bij — het aantal meter zand en boomschors zal ondertussen zo’n twee meter dik zijn — en de benen zijn goed: met dank aan de heilzame modderbadjes van de voorbije dagen. Én: veel vrouwen op het podium, iets om naar uit te kijken na de sterke concerten van PJ Harvey, Daughter en Savages.

Aurora bijvoorbeeld, een bleek Noors opdondertje met een eurosongwaardig kleed dat tegen de wind in lijkt te leunen en wild gesticulerend haar electronisch getinte popsongs brengt. Noem haar het alternatieve zusje van Robyn. “Under The Water” krijgt de handen op elkaar terwijl ze ongegeneerd in het rond danst. Niet slecht voor iemand die zich naar eigen zeggen naakt op het podium voelt met zo veel toeschouwers. Ze staat ons kordaat te woord en wijst een huwelijksaanzoek af wegens te jong, net voor toepasselijk “Runaway” ingezet wordt. “Running With The Wolfs” en “Conqueror” sluiten de set af, die ondertussen tot een eerste hoogtepunt is uitgegroeid. Norway, 12 points

Dag Main Stage. We hebben u de laatste dagen niet zo vaak gefrequenteerd. Dat is misschien gedeelde schuld, maar laten we even toenadering zoeken bij The Strypes. Want Ieren hebben we graag: ze steunen hun voetbalploeg zonder krakeel en steken de EU tenminste geen mes in de rug. De garage- en bluesrock van het viertal rammelt vertrouwd als een deux chevaux, maar veroorzaakt niet de opwinding waar het op mikt, hitje “Blue Colar Jane” of Howlin’ Wolf cover “Smoke Stack Lightning” ten spijt. Daarvoor Is het podium nog even te hoog en te breed. Cheer up, boys in green, een zweterig clubzaaltje is jullie dankbaarder.

Terug naar de tent dan maar, oord van troost de voorbij dagen al en nu in het bijzonder met Lianne La Havas, de zonnigste frontvrouw die we ons kunnen bedenken. Met haar Griekse en Jamaicaanse roots, blote buik en een glimlach breder dan Farage na het Brexit referendum, is het ijs hier eigenlijk al gebroken nog voor de eerste noot van “Au Cinema” geklonken heeft. Het is dan ook muziek die zich makkelijk in het oor neervlijt, zoals de relaxe vibe van “Tokyo” of “Age”, waarin de Belgische mannen die nog niet verkocht waren het hof gemaakt worden.

Daar loert meteen het gevaar om de hoek: in al zijn gladheid dreigen de nummers iets te makkelijk in elkaar over te lopen en wordt het eigenlijk stiekem een beetje saai. Moeilijk om dat in het gezicht te zeggen natuurlijk en gelukkig heeft La Havas enkele trukjes in haar mouw om het probleem te verhelpen. In haar eentje ” I Say A Little Prayer” van Aretha Franklin coveren bijvoorbeeld. Een publieksspelletje voeren tijdens “Grow”. Stevig uithalen met ” Never get enough” en op de dansbenen mikken met het zwoele “Unstoppable”. Aan een derde album wordt gewerkt krijgen we te horen en dat kan toekomstige passages alleen nog maar beter maken

Wie het niet over toekomstige passages heeft is Iggy PopPost Pop Depression zou wel eens zijn laatste studioalbum kunnen zijn, dus niemand weet hoe lang de rimpelige rockheld er nog mee doorgaat. Als hij het al zelf kan kiezen, want Prince, Bowie en Lemmy indachtig vinden we het toch aangewezen om nog eens naar het hoofdpodium af te zakken. Daar worden we op een patat van jewelste getrakteerd: toppers worden in sneltempo geofferd als waren het personages in Game Of Thrones: Stooges klassiekers “No Fun” en “I Wanna Be Your Dog” openen de set, vlak daarna volgen “The Passenger” en “Lust For Life”.

Wie verwacht dat er dan gas wordt teruggenomen, moet niet wanhopen. Iggy is nog steeds capabel voor een uurtje topsport, is scherp en kronkelt over het podium. ” Sweet Sixteen” wordt met de jaren alleen maar obscener en tijdens “Real Wild Child” gaat Iggy bij de voorste rijen polshoogte nemen. Bij ” Nightclubing” draait hij zich rond een stoel als een volleerd stripper en voor “Repo Man” wordt de band nog eens stevig opgefokt. Recente single “Gardenia” en “Sunday” — omdat het zondag is — sluiten af. “Like a wreck, I’m sinking fast”. Niet vandaag Iggy. Headliner van de dag!

Komen hoogst persoonlijk de handelsbanden met Europa garanderen: de Britten Alex Turner en Miles Kane van The Last Shadow Puppets in hun witte Fred Perry polo’s. Je ziet meteen dat de twee heren bijzonder goed overeenkomen, maar ze zijn tegelijk macho genoeg om alle misverstanden weg te nemen, zelfs wanneer Turner tijdens “Bad Habits” herhaaldelijk “Let me hear you say Miiiiiiles Kaaaaaane”croont. Kosten nog moeite zijn gespaard en de strijkers komen dan ook niet uit een doosje. Dat zorgt bij een gejaagd, bijna heroïsch “The Age Of Understatement” voor een hoogtepunt. Helemaal aan het eind wordt met “Moonday Daydream” nog hulde gebracht aan David Bowie, niet voor het laast vandaag. Geslaagde set, maar dat is geen verrassing.

Eveneens geen verrassing: dat we uitgekeken hebben naar Beck, de setlist die onze collega’s op Best Kept Secret noteerden indachtig. En ook hier wordt niet gewacht om de deur in huis te vallen, een ziedend “Devil’s Haircut” forceert meteen de hengsels. De vierkoppige band van Beck speelt snedig: ook “Black Tambourine” en “Soul Of A Man” laten de klauwen zien. “Think I’m In Love” neemt even een zijsprongetje naar “I Feel Love” van Donna Summer, wat de discoslet in u natuurlijk weet te smaken. Hadden we onze hoerenkleren maar bij, (mvs)! Halverwege is het alleen “Lost Cause” dat de hartslag even laat zakken en dat is meer dan genoeg.

Tijdens dit hitsinglefestival is ironisch genoeg geen plaats voor het pas uitgebrachte “Wow”, maar erg vinden we dat niet als we in de plaats wel “Dreams” of “The New Population” krijgen. Het punt is al lang gemaakt voor “Loser”, — u zingt dat zo massaal mee, is alles wel in orde met dat zelfbeeld? — “Sexx Laws” en “E-pro” al gespeeld zijn: Beck kan heel makkelijk een best of-set permiteren om maat van een festival. Daarin is logischerwijs geen plaats voor nummers uit het recenteMorning Phase, een rimpelloze waterspiegel die maar moeilijk gedijt buiten de veilige schelpen van een hoofdtelefoon.

Obligaat na een rondje rollen met de hitspieren: passend sluitstuk. Als bisnummer mag een langgerekt “Where It’s At” de kers op de taart zijn. Terloops worden de muzikanten voorgesteld en mogen ze een voor een een signature sound uit hun mouw schudden: de baslijn van “Good Times” (Chic), de gitaarrif van “China Girl” (David Bowie), de electronische klanken van “Home Computer” (Kraftwerk) en uiteindelijk 1999 (Prince). Voor een artiest met weinig staat van dienst zou het wat goedkoop zijn, maar vanavond delen ze in de uitbundigheid. Dat het een fijn weerzien was, meneer Hansen.

Het is niet alleen oude favorieten of jonge popmeisjes recenseren bij enola, nog net niet, soms moet er ook gewerkt worden. Als zo’n Macklemore en Ryan Lewis komen optreden, weten we ook wel ergens dat we dat, in tegenstelling tot hun platen, moeilijk kunnen negeren. Als je een twaalfjarige naast je hoort zeggen “hey kijk, twerkers” tijdens het plat afkalkeren van Prince’s “Kiss”, weet je dat dit niet de show is voor de meerwaardezoeker deze vierdaagse. Maar kijk, moesten we er een referendum houden, dan leert een snelle telling dat de absolute meerderheid van de dansende menigte hier het duo wil houden en daar leggen we ons bij neer.

En ja, nummers als “Thrift Shop” en “Can’t Hold Us” zijn anthems van deze tijd. En ja, het zal best memorabel zijn als je als fan op het podium je beste dansmoves mag tonen voor 80.000 mensen tijdens “Dance Off”. En ja, toen het geluid wegviel hebben jullie dat op een sympathieke manier laten overwaaien. Maar die speach over terrorisme was wel heel erg Bono. En dat gedoe met gitaren die helemaal niet aangesloten zijn is ook niet nodig. Als je muziek dan toch op tape staat, waar we voor een act als deze zelfs geen probleem mee hebben, kom er dan voor uit, Sleaford Mods-stijl. Of zoals Jamie xx, die ondertussen in The Barn plaatjes aan het draaien is, net zoals op Pukkelpop vorig jaar.

Ceremoniemeester — of beter meesteres — voor het traditioneel afsluitende vuurwerk op de slotdag is Florence Welch van Florence + The Machine. Dat lijkt ons wel heel erg veel eer, als je ziet dat een Beck of PJ Harvey in een tent worden geposteerd en Iggy Pop al om vijf uur het aperitief mag verzorgen. Per slot van rekening heeft Welch nog maar drie studioalbums bij elkaar geschreven en stond ze zeven jaar geleden nog voor een paar honderd man op te treden. Maar het kan snel gaan en kansen zijn er om te grijpen. Het is misschien net zoals Editors een artiest die in onze contrijen dankzij een extra zetje net boven de rest uitsteken.

Natuurlijk moet ze het ook nog waarmaken. En het moet gezegd: dit concert komt wel binnen. Over de stem van Welch, vaak op het randje van té maar er nooit over, is er geen discussie. Ze staat hier in een knalrode lange jurk — rood op rood — die haar zwierige en uitgestrekte loopbewegingen complementeren. En mede dankzij de openbare omroep zijn de songs ook steevast een feest van herkenning: “Ship To Wreck”, “Rabbit Heart”, “Shake It Out”, “Delilah”, “Cosmic Love”, Dog Days Are Over”, “Spectrum” en de cover van “You’ve Got The Love”: het is een behoorlijk lijstje dat de revue passeerde.

Er werd opgeroepen om kledingsstukken uit te doen, u doet dat. Meisjes worden op ondertussen stramme schouders gestoeld. Samenhorigheid. In een tijd dat meer dan ooit wordt opgeroepen om, en terecht, in het nu te leven, staat Florence Welch heel erg in het nu. Zeven jaar geleden kwam ze aan de boom schudden en dat brengt haar tot en met hier. In tegenstelling tot andere artiesten die op dit festival speelden, is het niet zeker of we haar binnen zeven jaar nog gaan kennen. Maar vandaag haalt ze haar slag wel binnen. Slaapwel Werchter, ge hebt u goed geweerd. Uw zand en boomschors zullen zich nu via de schoenen van duizenden bezoekers verspreiden over het hele land en ver daarbuiten. Tot volgend jaar!

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

dertien + 18 =