LUH :: ”Liefde is veel krachtiger dan dat schattige dat folk er van maakt”

Met Wu Lyf heeft ie gretig van de hypetoeter getrokken, en dat leverde een fikse kater op. Geen wonder dus dat Ellery Roberts zijn nieuwe band LUH, die hij met zijn Nederlands lief Ebony Hoorn oprichtte, bijna onder de radar losliet. Artistiek liggen de ambities echter veel hoger. “Wat die rondreizende Amerikaanse evangelisten doen, dàt trekt me aan.”

“Wu Lyf is dead to me”. Met die krachtige boodschap, zonder ruggenspraak met de rest van de groep, plaatste Ellery Roberts eind november 2012 een definitief punt achter de groep die hij met jeugdvrienden Evans Kati en Joe Manning was gestart. Het kwam als een donderslag bij heldere hemel, want de Britse groep had de blogosfeer de twee jaar vooraf stormenderhand veroverd. Mysterieuze tumblrposts en een bewust wazig gehouden online aanwezigheid hadden de nieuwsgierigheid aangescherpt, de muziek bleek de online drukte waard. Wu Lyf paarde tribale drums aan sacraal orgel, deed in zijn beeldtaal iets dat aan de Britse relzomer van 2011 refereerde, en trapte zo de tijdsgeest op zijn staart: het was de schuld van de kapitalisten, de maatschappij, wat dan ook, en jongeren waren boos en zochten een uitweg. Het klonk verschrikkelijk juist.

Wat we niet door hadden was dat het wel heel jong was, dat bandje dat de vinger zo stevig in de pijnlijke plek duwde. Twintig-éénentwintig jaar, en absoluut niet opgewassen tegen de storm die over hen zou rollen. Dat geeft Ellery Roberts ook toe, wanneer we hem kort voor het concert van zijn nieuwe band LUH (Lost Under Heaven) in de Botanique ontmoeten. “Dat speelde zeker mee, onze leeftijd. We waren niet volwassen. En zelfs als je jarenlang met elkaar opgroeit, ga je niet per sé de zelfde richting uit. We hadden de groep helemaal op ons eentje uitgebouwd. Zonder platenfirma of iets anders. We hadden gezorgd dat we vrij waren, maar toen kwam het moment waarop ik me afvroeg wat die vrijheid betekende als we ze niet gebruikten. Dat deden we niet. We waren iets moois gestart, maar uiteindelijk bleken we toch niet meer dan een simpel rockbandje dat de platgetreden paden bewandelde.”

“Neem nu alleen het feit dat we interviews weigerden, wat ons zogezegd een enigma maakte. Heel die hype die ons onder de aandacht bracht was alles wat we nooit hebben willen zijn. Meer nog: we wilden er de antithese van zijn, en daar gingen we helemaal van in de knoop. Ik zag er de lol niet meer van in. Eerst was het nog leuk, maar gaandeweg kreeg ik een afkeer van hoe muziek verkocht werd en moest worden. Zeker in Groot-Brittannië is popmuziek iets dat wordt geconsumeerd, terwijl je je klem zuipt aan de bar. Ik kon het niet meer aan, de plakkerige vloeren, de platheid… En er was ook ontgoocheling. Op een bepaald moment besloten we dat iedereen die één van onze eerste singles kocht een soort van aandeelhouder van onze Lucifer Youth Foundation werd. We wilden eerlijk met onze fans communiceren, hen dicht bij de band betrekken, maar al snel ging dat heel erg als een gimmick aanvoelen. Wij hadden daar als negentienjarigen veel romantischere ideeën over dan wat het eigenlijk was. Iedereen zag het als een coole marketingstunt, terwijl het net het tegendeel moest zijn. Heel die LYF werd uiteindelijk gewoon een fanclub, niets meer dan Lady Gaga’s Little Monsters. Wu Lyf was gewoon een popband met fans op het internet. Het was mijn illusie te denken dat het iets meer was.”

Gabberbeat

En dus koos Roberts voor de vlucht vooruit. Weg van Manchester, naar Londen, waar hij op zijn
eentje aan muziek begon. Aan een solo-album dacht hij niet echt. “Die wens had ik niet, dus bleef het bij losse, onaffe songs.” Maar ondertussen kwam de liefde langs in de persoon van Ebony Hoorn. De Nederlandse studente audiovisuele kunst zou hem uiteindelijk naar Amsterdam meetronen, en gaandeweg begon het koppel samen muziek te maken.

“Ik ontdekte dat ik het veel leuker vond om samen met Ebony muzikale dingen te doen. We werkten op een meer conceptueel niveau, want door haar beeldende achtergrond konden we alles veel opener en experimenteler benaderen. Waar ik nog meer in songstructuren denk, werkt zij meer op een atmosferisch soundscapeniveau. En zo konden we tussen die twee polen heen en weer schieten.”

Het resultaat werd Spiritual Songs For Lovers To Song, een debuut dat de bezeten atmosfeer van Wu Lyfs Go Tell Fire To The Mountain paart aan rustigere momenten, maar waarop net zo goed en loodzware beat wordt losgelaten. “Gabber”, grijnst Roberts. “Heeft Ebony me leren kennen toen ik voor het eerst in Amsterdam kwam. Fascinerende turbocultuur, die eigenlijk een tegenreactie op onze maatschappij is: zo hard in hyperdrive gaan dat de wielen er af vallen en de boel instort. Het paste gewoon bij die song “$oro”, waarin ik het kapitalisme op de korrel neem. Het is het breekpunt van het album: we zijn zes songs ver in de cyclus, en dit is het donkerste, diepste punt waarin alles in een zwart gat verdwijnt. Het nummer bouwt enkel op, strofe, refrein, brugje, … en er kwam een punt waarop we ons afvroegen waar het nu naar toe moest. Die beat was het perfecte antwoord: het heeft iets wilds dat ik wel kan smaken, een intensiteit. Ken je dat gevoel, dat je in een club staat en je je volledig losgekoppeld voelt van de muziek rond je? Dat moet het zowat zijn, dus het is een interessant nummer om live te brengen, want eigenlijk willen we het publiek daarmee van ons vervreemden. Ik vind het altijd gek als mensen zeggen dat ze dat een geweldig moment vinden, want ik heb net een vreselijke song willen schrijven, maar dan één die toch nog een zekere vorm van esthetiek behield.”

“$oro” is een klassiek duivels pleidooi, waarin Roberts in de huid van een rasechte kapitalist kruipt en nu eens zijn kant van het verhaal belicht. “You know I earn a life like this”, krijst hij. “The game is rigged”. Zeer American Psycho werp ik op. Hij glimlacht. “Ja, dat kan. Dat soort invloeden heb ik misschien wel meegenomen, maar eigenlijk ontstond het gewoon uit een reflectie over protestmuziek. Waarom moet die altijd zo depressief zijn, dat verslagen solidair gevoel hebben? Dat voelt absurd, en ik vroeg me af hoe je dan wel een statement kunt maken over een cultuur die je eigenlijk haat. Want uiteindelijk wil je vooral niet klinken als die kwade mens die van de ene kant van het hek naar de ander schreeuwt. En laat ons eerlijk zijn: het is een schaduwspel. We hebben allemaal die kant, dat pure egoïsme, in ons. Het is interessant om dat dan over tegenover jezelf te zetten, en te omhelzen.”

Los daarvan is het centrale begrip op Spiritual Songs For Lovers To Sing niettemin liefde. Roberts beaamt zonder tegenpruttelen. “Ik denk dan ook dat dat de meest bepalende aanwezigheid is van waaruit je de wereld kunt begrijpen, en die je toe laat er in te bestaan. Aanvankelijk hadden we het album dan ook opgevat als een soort van afscheiden; weg van de wereld. Maar nu de plaat er is, en we er over moeten praten met anderen, wordt het veel meer een gedeelde ervaring. Liefde is een soort leidend principe geworden. En neen, het is niet zoiets schattigs als waar folkzangers overzingen. Liefde is veel krachtiger, toch in mijn ervaring.”

“Eigenlijk is de plaat behoorlijk autobiografisch”, geeft Roberts toe. “Het is de documentatie van ons leven en onze gevoelens. Maar het was belangrijk dat het als een songcyclus zou werken, en dus beginnen we erg neerslachtig en depressief, om naar een positief einde te evolueren. Zoals ik ook leerde dat je uiteindelijk zelf de verantwoordelijkheid moet nemen om jezelf uit de put te sleuren, dat niemand anders dat kan. Vandaar dat het culmineert in “Lament”. Dat ‘To the powers of old / To the powers that be / You fucked up the world but you won’t fuck with me’ is mijn onafhankelijkheidsverklaring: ik leef in deze wereld, en heb de verantwoordelijkheid daarvoor. Zelfbeschikking; daar gaat het om.”

Hyperstaat van zijn

En toch zitten we hier opnieuw, op dezelfde plaats waar ik bijna op de dag na vier jaar geleden Wu Lyfgitarist Evans Kati voor een concert interviewde. En we weten allebei, Roberts en ik, dat de Botanique een plakkerige vloer heeft, en dat minstens de helft van het publiek straks een pint in de hand zal hebben. Waarom doet hij het zichzelf opnieuw aan, vragen we. Weet hij nu hoe hij datzelfde breekpunt, dat hem een punt achter Wu Lyf deed zetten, kan vermijden? Hij glimlacht ongemakkelijk.

“Het is gemakkelijker om te zeggen, dan om die uitspraak gestand te doen, maar: veel hangt af van hoe je naar de wereld kijkt, en ik heb door Ebony te ontmoeten een nieuw perspectief gekregen. Ik heb een andere motivatie om nu op het podium te staan; ik wil een ervaring delen met de mensen, in plaats van gewoon een liedje te zingen. Ik besef nu dat het een verdomd privilege is om hier opnieuw te mogen komen. Dat soort dingen zie ik nu iets helderder. Neen.: véél helderder, niet een beetje. Het komt er gewoon op neer dat wat ik en Ebony doen veel meer in lijn is met wie ik ben, en met wat ik eigenlijk had willen creëren met Wu Lyf. Daarmee konden we geweldige rock-‘n-rollshows brengen, maar LUH moet veel immersiever worden. Meer dan een concert.”

“Dus ja: natuurlijk heb ik gevolgd wat The Knife de afgelopen tien jaar op de podia heeft gebracht. Hun performances zijn een inspiratiebron, want dit is maar het begin: wat we nu doen is niet meer dan de naam LUH vestigen door een plaat uit te brengen, op te treden. Ik wil nog steeds weg van die plakkerige vloeren en open tappen. Ik zou liever een soort van installaties creëren, omgevingen waarin we ons werk brengen. Een beetje zoals die reizende evangelische priesters in het zuiden van de Verenigde Staten ook hun tent in de koffer van de auto hebben steken, om die her en der op te zetten als een soort van rijdende tentoonstelling. De dogmatische christelijke traditie waarin zij vastgeroest zijn interesseert me geen zier, de structuren en het mechanisme ervan des te meer.”

“Go Tell Fire To The Mountain”, citeer ik de titel van Wu Lyfs enige plaat. En ik vraag hem wat het is dat hem fascineert in die opgezweepte predikanten. Even wordt er gezocht naar woorden. “Eigenlijk is het een soort van performatieve eerlijkheid, die erg interessant is als harnas; het is een soort schild dat je draagt. En tegelijk kun je dat gebruiken om je demonen uit te drijven voor een publiek, waardoor het meteen ook een gemeenschapsgebeuren wordt. Het heeft iets nederigs om jezelf te tonen als een klein persoon, dat aspiraties heeft die verder reiken dan zijn nietige wezen. Maar ach, natuurlijk is het vooral bruikbaar op performancevlak. ‘t Is een soort van hyperstaat van zijn. Het is boeiend om jezelf daartoe op te werken.”

“Weet je”, vertrouwt Roberts ons bij het afscheid toe. “Een vriend van me zei laatst iets interessants, toen hij ons in Manchester had zien spelen. Het beviel hem hoe het publiek geen voorspelbare houding aannam. Een hiphoppubliek gedraagt zich altijd zoals van een hiphoppubliek wordt verwacht, en rockfans zijn rockfans. Niets daarvan bij ons, zei hij: mensen stonden er wel aandachtig, maar ook een beetje verward te kijken. En ik begrijp het. Zelfs Ebony en ik begrijpen niet altijd waar we nu mee bezig zijn, en waar we naar toe willen. Enfin, we hadden wel een idee waarmee we begonnen, maar nu moeten we begrijpen hoe het werkt. Dit zijn de eerste stapjes, nu moeten het project op poten krijgen en doen draaien. En dan is het afwachten waar het heen gaat. Dat vind ik wel spannend. “

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

1 × vijf =