Op tour met A Place To Bury Strangers :: het dagboek van Rape Blossoms (deel 4)

Dezer dagen toert Rape Blossoms door Europa als voorprogramma van A Place To Bury Strangers. De vier bandleden houden voor ons afwisselend een dagboek bij over hun ervaringen. Vandaag is het, intussen naar goede gewoonte, de beurt aan Wesley Buysse.

ENFANTS DU SOLEIL

“Ben ik nu de enige die gesmoord heeft,” vraagt Dav en gezien we niet voor iedereen kunnen spreken stellen we hem voor het eens rond te vragen om zeker te zijn. Het is voorbij twaalven en de rustdag is ingegaan, maar deze kan al snel onze rug op. Terwijl Dav de hele afspeellijst van Lasgo er doorjaagt, wenkt Dino ons. Dino is als merch guy zowat de vijfde Beatle van APTBS en ook als aimabele Duitser een uit de duizend, dus neem ik de kortste weg. Ik passeer een van de postrocksikken en hij vraagt ‘Ça va?’ waarop ik snel ‘Merci’ zeg en me uit de voeten maak. Dino zegt dat hij alle grote platenbazen vanonder Merkels rok heeft weten lokken voor ons optreden in de Lido te Berlijn volgende week. Dit doet ons klamme handjes krijgen en we denken een transfer te zullen moeten doorvoeren. Dav heeft na een oppervlakkig gesprek met Bob, de chauffeur en sound engineer van APTBS, veel respect voor hem gekregen omdat die gast, het is toch zot, dat allemaal maar doet. Dat Lennert elke dag honderden kilometers vreet, ik geen oog dichtdoe om die mannen van Enola te vriend te houden en Jona tot bloedens toe een beeldarchief zit aan te leggen om Kubrick tegen te zeggen maakt precies weinig uit. Maar als we dan alle drie nog eens elke avond de ziel uit onze instrumenten moeten ranselen terwijl hij halverwege de set (zes nummers) in de patattenmand valt, kan Dav voor ons part solo verder, drugged and unplugged. Zijn Frans is te goed om hem zomaar te dumpen en we moeten onze schaarse gage voor vanavond nog zien te pakken krijgen, dus bedekken we deze misser met de mantel der liefde en een scheut whisky.

Bob begint te ronken en trapt het af met APTBS in zijn ruim, en als in Grand Theft Auto slingeren we achter hen aan. Het wit dieselkonijn voert ons naar het hotel waar twee tweepersoonsbedden op ons liggen te wachten. Ik zag hier bij de reservatie geen graten in maar de jongens huiveren, dralen in de deuropening als koeien bovenaan een trap en bezwangeren elkaar met schaamte. Om de slaap en de totale overgave zo lang mogelijk uit te stellen tuinen we in het voorstel van die van APTBS om nog te komen partyen op een van hun kamers. We moeten twee verdiepingen klimmen om Oliver, Dion, John en Burgers aan het voeteind van beide bedden te zien geilen op het petieterig laptopscherm waar Sabrina met Boys het beste van zichzelf brengt. Een fles doet de ronde puur op vertrouwen en om de lachspieren los te maken spelen de jongens via YouTube ‘vocals only’-video’s af van Van Halen en Pearl Jam. We proberen ook grappig uit de hoek te komen maar met onderhuidse angst als raadgever falen we miserabel. Wanneer Dion luid geeuwt en kangoeroes besluit te tellen, kunnen we er niet langer onderuit. We worden de deur gewezen en druipen af naar onze kamers. Paren worden gevormd, lichten blijven lang branden. Dav kijkt me met grote ogen aan en ik stommel en struikel en grabbel en betast plots iets hard – de laatste kluts Havana Club – en twijfel even of ik hem niet beter meteen in een coma knuppel maar geef het hem uiteindelijk als knuffel. Dit werkt, zijn lichten gaan uit maar de mijne niet want Jona en Lennert leveren zo te horen nog een strijd op leven en dood om het deken – tenminste, dat hoop ik toch.

Vier waters vloeien stil en vruchteloos samen aan de ontbijttafel. We drinken een soepkom koffie en merken dat het zondag is omdat de redacteur van Enola ons nieuwste dagboekluik gewoon gecopy-pastet heeft en de weliswaar doelbewuste spelfouten (perfectie is te frustrerend voor de concurrentie) er nog schoon in staan te blinken. Begrijpelijk, de 100ste Ronde eist ieders aandacht op. Wel raar dat Kristof en Ian Thomas meerijden. Er klinkt gestommel op de trap – het signaal dat we weer sociaal zullen moeten zijn met die mannen van APTBS, anders nemen ze ons eten af. Altijd die klap over twenty-four hour drones en Death By Audio doorspekt met ‘yeahhh’, ‘fuck yeah’, ‘awesome’,‘dude’ etcetera … Onze verzuurde Vlaamse bodem kan dit niet aan en ergens verdenken we hen ervan het ook allemaal een beetje vervelend te vinden – al dat sleuren en rammen voor een paar extra likes op Facebook, who cares? We bulderen met croissantflarden tussen onze tanden maar laten het gesprek tegelijk een stille dood sterven tot Burgers uiteindelijk Jenga zit te spelen met suikerklontjes en Oliver confituurvlootjes en peper- en zoutvaatjes op een leeg glas fruitsap stapelt. Gelukkig gaat het bad art alert af en moeten we de zaal verlaten. We spreken af aan een bowlingzaal maar vergeten het adres te vragen. Niemand maalt erom.

Évreux valt best wel te pruimen. De zon brandt maar wij blijven cool. We delen handtekeningen uit, neuriën iets van Rihanna en verlekkeren ons in een speciaalzaak aan diverse Suntory-producten tot de eigenaar zijn tweeloop bovenhaalt en bij wijze van waarschuwing een toevallige fazant schiet. Dav koopt dan maar een fles pommeau met een kater van hier tot in Bordeaux. Hij is erg aan toe. We reppen ons naar de Kapel van de Goddelijke Genade in de kathedraal waar hij in één teug al het wijwater opdrinkt. We vergapen ons aan een misplaatst orgel, nemen gotische groepsfoto’s en hummen broederlijk hymnes tot gestoorde boetedoeners wild met hun kruisen komen slaan. God komt niet tussen ook al is het zijn huis dus lopen we weg en hopen we op adem te komen aan een terrasje in de zon. Onderweg gooit een duif een tak op mijn hoofd alsof het allemaal nog niet duidelijk genoeg is en sukkelt Lennert, de enige die niet gedoopt is, in het water dat gezapig naar de kathedraal kabbelt, maar zijn ongeloof is sterk genoeg dus klimt hij er vanzelf weer uit. We wringen hem uit en leggen hem te drogen. Ondertussen doen we boodschappen. Een boogscheut later drinken we pommeau uit de fles, kijken naar alpaca’s die appels eten op YouTube en vissen eendjes uit het water – Jona scoort het hoogst maar zal de snavelafdrukken lang met zich meedragen – tot enkele Bomfunk MC- en Psy-lookalikes boel komen zoeken. Geweld leidt nergens toe dus zoeken we de Vito op om naar huis te gaan want ik moet morgen werken.

Hoewel we twee keer over de Seine rijden kunnen we kort zijn over de terugrit: Dav is klaarwakker en probeert de Ronde Van Vlaanderen te volgen, Jona zit in zijn ingebeelde donkere kamer en Lennert en ik proberen Pedro te spotten in het horror vacui dat Rouen heet. We stoppen aan een tankstation en leren aan de hand van splinternieuwe pictogrammen wat me moeten doen bij een aanslag. Momenteel beperken de mensen zich tot staren naar mensen die iets verderop op hun beurt staren naar nog andere mensen die nog iets verder enzovoort – een futloze keten van terloopse waakzaamheid waarbij je op je gemak nog een frisco kunt eten ook. Jona vraagt me of ik een banaan wil, ik zeg, “Neen,” en hij zegt, “Ewel ge krijgt er geen ook.” Het is duidelijk, het Meetjesland zendt haar golven ver uit.

In Lille kijken we eens goed rond, want morgen staan we er terug. Nu willen we vooral naar huis om onze vriendinnen uit te laten maar helaas, de douane houdt ons tegen. Ze hebben ons sinds de eerste voet op Franse bodem gevolgd op Instagram en Twitter en vinden onze muziek wereldtop en dus uiterst geschikt om iedereen tot gelijke munt te slaan. Ja wij willen vrede en vrije liefde maar moet dit werkelijk nu meneer de douanier, proberen we tot elke strubbeling uit de lucht geknald wordt. Wat een kloteboel. We laden ons materiaal uit, stellen ons op en geven van jetje op de tarmac. Alle andere gesjarelde passagiers wiegen hand in hand om ons heen en wie echt wanhopig is, zingt met Dav mee. Uiteindelijk brengt het geen fluit op want dat legertje automaten aan de slagbomen hebben al alle centen uit ieders zak gezogen, en dan nemen de douaniers nog de rest van onze platen gratis in beslag. Vrede kan soms wreed zijn.

Lennert dropt ons in Deerlijk en rijdt huiswaarts om zijn tanden te poetsen voor morgen. Wij worden opgewacht door Basil die zit te lachen en te kwijlen en al betrekkelijk goed kan rijden voor zijn leeftijd. In de auto vraagt Jona zijn vriendin of het lastig was, zo’n weekend zonder hem (knipoog), en zij zegt neen want zelfs al was hij thuis had ze waarschijnlijk geen hol aan hem. Niettemin vraagt ze hem hoe het daar is geweest en hij verwijst met vlakke hand naar het dagboek dat ze eigenlijk al had moeten gelezen hebben. Hun stilte dijt uit maar zal de liefde nooit overstemmen. Jona dropt ons aan de 019 en nu moet ik Dav nog droppen aan de achterkant van Gent-Sint-Pieters. Iemand met een kater weegt extra zwaar door op een bagagerekje en als die persoon nog eens continu zit te kankeren over de pijn aan zijn gat dan kan het allemaal niet snel genoeg gepasseerd zijn. Ik trap en trap en trap en zweet me te pletter tot we er zijn. Hij zegt ‘Salut’, en in plaats van een trein te nemen draait hij honderdtachtig graden en glipt dat vunze rendez-voushotel binnen. Ik stel me er geen vragen bij – zolang hij er morgen maar weer staat. Thuis krijg ik op mijn doos omdat er een stylostreep op mijn broek staat en het voelt aan alsof ik vreemdgegaan ben. In mijn hoofd misschien, maar dan nog, dat zijn mijn zaken. De rest van de avond zegt mijn vriendin niet veel – enfin, ze zegt sowieso niet veel. We eten frieten met andalouse terwijl Peter Sagan onnavolgbaar aan het woord is en blijkbaar moet blijven. Ik zie haar loeren en zeg luidop wat hij daar in zijn regenboogtrui al de hele tijd zit te denken: “Laat me gewoon met rust.” De kaaskroket is het enige wat we nog delen vandaag.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

5 + 16 =