Konfrontationen 2013 :: 18-21 juli 2013, Jazzgalerie Nickelsdorf

Groeten uit Nickelsdorf in Burgenland, die Sonnenseite Österreichs. Nadat we hier vorig jaar zowat het meest memorabele en unieke festival uit meer dan twintig jaar concertbezoek mochten meemaken, was een terugkeer in 2013 een vanzelfsprekende zaak. Met een veelbelovende line-up als die van dit jaar ziet het er bovendien naar uit dat Konfrontationen een topeditie zal meemaken.

Het festival is intussen trouwens al aan z’n 34e editie toe. Het voortbestaan ervan hing regelmatig aan een zijden draadje, maar van makkelijke toegevingen, laat staan een verwaterde programmatie, is geen sprake geweest. Sinds 1980 passeert hier al de wereldtop van de improvisatie, met vooral de Europese tenoren, maar ook een resem vertegenwoordigers van de Amerikaanse avant-garde. Bill Dixon, John Carter, Roscoe Mitchell, Peter Brötzmann, Evan Parker… ze waren hier allemaal, en velen van hen meerdere keren. Het is bovendien een festival dat recente evoluties nauw op de voet volgt. Zo kwamen kleppers als Vandermark en Gustafsson hier spelen voor hen elders een platform gegund werd, kreeg de experimentele elektronica al vroeg een voet tussen de deur en is het tot op vandaag een uitgelezen evenement om aanstormende artiesten te ontdekken. Het Deense Selvhenter, vier jonge vrouwen die slechts één langspeler en een handvol optredens op de teller hebben, gaat hier ongetwijfeld zieltjes winnen.

Maar er valt meer te beleven, veel meer. Verdeeld over vier dagen vallen er een stuk of twintig sterk uiteenlopende concerten mee te pikken. De meeste daarvan in de tuin van de Jazzgalerie van organisator Hans Falb, terwijl voor een drietal concerten verhuisd wordt naar het Kleylehof, in het midden van de glooiende velden een paar kilometer verderop. Op de slotdag vindt er naar goede gewoonte ook een concert plaats in de lokale Evangelische Kirche. Dat duoconcert van Isabelle Duthoit (zang/klarinet) en trompettist Franz Hautzinger zal aansluiten bij een traditie van meer ingetogen middagconcerten. Vorig jaar was het kerkconcert van Ab Baars, Meinrad Kneer en Billy Elgart nog een van de festivalhoogtepunten.

Er zal echter ook een paar keer volumineus uitgehaald worden. Als het festival geopend wordt door de noise-uitspattingen van Selvhenter, dan heeft Mats Gustafsson, hier sinds jaren kind aan huis, z’n Fire! Ensemble op sleeptouw genomen voor het slotconcert. In die band zitten met o.m. Martin Küchen, Sten Sandell, David Stackenäs en Goran Kajfes heel wat kleppers van het hoge Noorden. Daartussen passeren nog enkele radicale experimentalisten en grondleggers als John Butcher, Joëlle Léandre, Paul Lovens, Eddie Prévost, Evan Parker en Alexander Von Schlippenbach, waarvan er heel wat zullen aantreden in een eerbetoon aan de overleden Lawrence ‘Butch’ Morris. In die bezetting komen muzikanten van minstens drie generaties en een stuk of acht nationaliteiten aan bod. De spirit van het festival zal daar misschien het meest voelbaar zijn.

Ken Vandermark is ook nog eens present, deze keer met zijn keihard swingende DKV Trio, terwijl Necks-drummer Tony Buck op zaterdagavond in dialoog gaat met Christian Fennesz en bassist Joe Williamson. En verder wordt het vooral ontdekken wat een hele hoop minder bekende namen zullen brengen: zo staat bassiste Rozemarie Heggen (ooit nog lid van The Ex) er met een kwintet, wordt er een vlammende trioperformance aangekondigd van rietblazer Marco Eneidi en passeren namen als Werner Zangerle, Franz Hautzinger en het klarinettrio Paed Conca, Michael Thieke en Hans Koch (samen Porta Chiusa). Kortom: te veel om in een handomdraai uit de doeken te doen. En dan kan je iets verderop in een schuur nog terecht voor allerhande geluidskunst.


Heel veel ervaring hebben de vier vrouwen van Selvhenter eigenlijk nog niet, maar ze mochten het voorbij jaar wel al aantreden op enkele van de belangrijkste Europese festivals voor vrije muziek. Het was dan ook een kwestie van tijd voor ze ook eens in Nickelsdorf zouden opduiken. Als festivalopener hadden ze de weinig benijdenswaardige taak om het startniveau te bepalen in de laffe hitte, maar net als een half jaar geleden in Brussel deden ze dat door uit te pakken met hun melange van opzwepende, vaak simultane ritmes, groteske klankvervormingen en momenten van vrije improvisatie.

Er werd alleszins geen tijd verspild aan overbodigheden. Met een tiental stukken in vijftig minuten bleef alles compact en lenig, en geholpen door een potige, soms agressieve sound was dit meteen een oplawaai van formaat. Het vertrok vanuit ritmische stapelingen van Anja Jacobsen en Jaleh Negari die misschien niet altijd even strak zaten, maar wel zorgden voor een enorme stuwing (de drang om de benen los te gooien leek bij sommigen dan ook groot), terwijl de iele altsaxgalmen van Sonia LaBianca de groepssound een Oosters tintje gaf. Door de diep brommende trombone van Maria Bertel kreeg de muziek soms een verrassend heavy karakter, helemaal niet zo ver verwijderd van daverende doommetal.

De set zat erg knap in elkaar, met een paar stukken, zoals een duet voor de blazers die naturel rond elkaar friemelden, die voor een rustmoment zorgden, maar het is vooral een band die je moet beleven als er collectief op het gaspedaal gestampt wordt, de rollende ritmes blijven en blijven denderen, de minimalistische structuren omgezet worden in een maximalistische sound en je een combinatie krijgt die het terrein opzoekt tussen gierend kabaal, psychedelische golven en Afrikaans aandoende uitbundigheid. Hoewel het concert niet vrij was van enkele foutjes (vooral wat timing betrof) en dit niet direct het soort band is waar Konfrontationen bekend om staat, waren de reacties zeer enthousiast. De handschoen werd meteen voor de voeten van de volgende artiesten geworpen en Frk B. Fricka ging vlotjes van de hand. Birkenstock-noise rules.

Het concert van Cosmic Brujo Mutafuka beloofde een knaller te worden. Met zo’n naam en twee Mexicanen (bassist Itzam Cano en drummer Gabriel Lauber) aan boord die zo een postje konden opeisen in een extreme metalband, leek hysterische kliederjazz een realistische verwachting, dus het was even verschieten toen voorman/altsaxblazer Marco Eneidi – na een onsamenhangende, in twee talen gebrabbelde inleiding – begon aan zijn concert, dat soms een al even verwarrende/verwarde indruk maakte. Nochtans beschikt de man over een mooie toon en een knap bereik waar de invloeden van Ornette Coleman en Cecil Taylors rechterhand Jimmy Lyons in lijken door te schemeren. Bij Eneidi is de link met de avant-garde van de jaren zestig en zeventig ten allen tijde tastbaar.

Hoewel de man speelde met en hele resem knallers uit de improvisatie, van Peter Brötzmann tot William Parker, en hij de ambitie niet schuwt, bleef het in dit concert bij een aaneenschakeling van veelal compacte ideeën die elkaar nooit voor de voeten liepen en gescheiden werden door korte denkpauzes. Van een overkoepelende spanningsboog of en coherent verhaal viel eigenlijk niet veel te merken; stukken werden soms zeer abrupt afgerond en het onaffe karakter van de improvisaties gaven de indruk van een work-in-progress. Nochtans ging het overduidelijk over drie prima muzikanten, kreeg de muziek ademruimte, ging de ritmesectie de leider nooit voor de voeten lopen en is Eneidi het soort muzikant dat haast onopgemerkt verschuift van fijnmazige riedels naar meer expressieve squeals en honks.

In het verleden was hij ook wel in de weer met grootschaliger en projecten, maar hier ging het dus volledig om een meer gefragmenteerde aanpak waarin zijn ontglippende, ontwrichte stijl en gespreide gulpen (vaak een korte stoot in het lage register, gevolgd door een riedel in het hoge) steeds een nieuw begin leek aan te kondigen. Het concert miste dus wel een consistente spanning, maar werd afgesloten met een vurige brok passie, die nog eens werd overtroffen door het zinderende bisnummer dat het hoogtepunt van het concert werd. Kortom: een goede, maar wat ongelijke performance, iets dat ook bevestigd leek te worden door de wat stuurse blik van de leider. En die mutafukas waren dus helemaal niet gevaarlijk als ze leken.

Net zoals de aangekondigde starturen soms wel eens met de voeten getreden worden in Nickelsdorf (hoe laat het precies ten einde gaat zijn zal geen mens voorspellen), zo durft ook het programma nogal eens aan wijzigingen onderhevig te zijn. Als er een concert wordt toegevoegd, dan ga je natuurlijk niet klagen, zeker als het betekent dat je cellist Tristan Honsinger, in deze contreien vooral bekend als lid van de Instant Composers Pool, nog eens te zien krijgt. Die speelde een duoconcert met de Japanse pianist Chino Shuichi. Die was ons eerlijk gezegd volstrekt onbekend, maar blijkt al sinds de vroege jaren zeventig een alomtegenwoordige figuur in pop- en improvisatiemiddens en een muzikant die ook werkte voor dans en theater. Dat het geen doorsnee concert zou worden was snel duidelijk.

Hoe je het dan allemaal moet omschrijven is geen simpele zaak, want zo’n Honsinger voelt zich zowel thuis in het gezelschap van andere strijkers als experimentele rockers en allerhande strekkingen uit de vrije improvisatie. Zijn idiosyncratische stijl, die nog eens aangedikt wordt door zijn smoelentrekkerij, gekreun en mimeact (wat dat betreft wordt hij enkel nog voorbijgestoken door Charles Gayle), is compleet hors catégorie en getuigt van een immense instrumentbeheersing en een vermogen om zichzelf en zijn improvisaties nieuwe leven in te blazen. Deze keer leidde dat tot een ononderbroken performance van vijftig minuten. Die was voorspelbaar onvoorspelbaar (vrije improvisatie in z’n puurste betekenis), maar ook moeilijk verteerbaar.

Zo’n stuk moet immers kunnen ademen, pieken en dalen volgen, afwisselen qua densiteit. Honsinger en Shuichi gingen zowat het hele gamma af, van lieflijke, soms pastoraal aandoende passages tot bruuske intervalsprongen en muzikale action painting. Shuichi streelde de toetsen, liet de handen heen en weer springen en dook in de pianobuik voor metalige klanken. Honsinger leek kinderliedjes uit z’n kindertijd te parafraseren, rammelde bakingrediënten af in het Italiaans en voerde stukjes theater op waarbij voortdurend de grens tussen Stan Laurel en vroegtijdige dementie bewandeld werd. Dat schijnbaar afgeronde passages steeds opnieuw een springplank vormden voor een verlenging (en nog eentje, en nog eentje…) maakte het wel allemaal wat vermoeiend, al zorgde het aan het einde ook voor een grote ontlading.

Natuurlijk is ‘vermoeiend’ een relatief begrip. Zet die performance naast die van John Butcher, Mark Sanders en George Graewe in 2012, en het voelt allemaal aan als een gezellig familie-uitje. Vooral Butcher ging zich te buiten aan zijn bovenmenselijke trukendoos door zo’n breed gamma aan klanken en technieken aan te spreken met zo’n meesterschap dat het bijna leek op een waanzinnig overdadige demonstratie. Deze editie staat hij er twee keer, waarvan de eerste in het gezelschap van meesterpercussionist Eddie Prévost, en van de grondleggers van de Britse vrije improvisatie, en de aanstormende Franse bassist Guillaume Viltard. Dit trio maakte ook een album in de opvallende nieuwe reeks Meetings With Remarkable Saxophonists die Prévost recent uitbracht. Een band die al een en ander liet horen dus, en nu ongetwijfeld de grenzen opnieuw ging verschuiven.

Eerste vaststelling: de intussen 71-jarige Prévost is nog altijd een erg gretige en energieke muzikant. Of het nu gaat om zachtjes ritselen met de brushes, op zoek gaan naar cimbaalmanipulaties of lekker ouderwets erop los ratelen: hij doet het allemaal met nonchalant gemak en een razend knappe timing. Butcher ging van zijn kant natuurlijk weer volop aan de slag met zijn befaamde instrumentbeheersing door z’n ademhaling, druk en speeksel voortdurend aan te wenden. Dat leidde als vanouds tot smak-, slurp- en reutelklanken op de tenor- en sopraansax, maar eigenlijk ook tot een meer coherente (lees: minder overdadige) aanpak dan in 2012. Zelfs als hij zich beperkt tot amper hoorbare verschuivingen van gelaagde harmonieën blijft de controle immers verbluffend en onvergelijkbaar.

Viltard zat dus gevangen tussen twee meesters die er met imponerend gemak zaten te spelen, maar hij weerde zich meer dan behoorlijk. Dat deed hij door niet enkel z’n beste beentje voor te zetten en het gamma van de contrabas ten volle te benutten, maar ook een keer door mooi het voortouw te nemen door zijn instrument percussief te bespelen, waardoor het met gesloten ogen amper mogelijk was om Prévost en de bassist van elkaar te onderscheiden. Dat het gebeurde met vanzelfsprekende homogeniteit was nog het mooist van al. Ook deze drie kozen voor het lange verhaal (even onderbroken door een iets te snel klappende enthousiasteling) en een overboord gegooide handleiding, maar het werd allemaal zo sterk in elkaar gepast dan er geen sprake was van verslappende aandacht. Ondanks het late uur – het trio begon er pas aan rond 00.40u en rondde het boeltje vijftig minuten later af – werd het snel duidelijk: de lat voor de rest van het festival was gelegd.


Ruisende cimbalen, amper hoorbare gestreken bas, geconcentreerde lyriek. Het wordt snel duidelijk dat het concert van het viertal John Butcher, Joëlle Léandre, Sylvia Brückner en Raymond Strid (in zijn eerste van drie beurten) niet dat van het grote gebaar of de robuuste swing zal worden. Butcher verkent de hogere regionen van de tenorsaxklank, het samenspel overstijgt aanvankelijk amper het fluisterniveau en Brückner zit er bij als een sfinxachtige figuuur. Als ze dan toch participeert op piano of met een op een tafel uitgestald percussie-amalgaam, dan is dat eerder sober. Met figuren als Butcher (heel even in de weer met volièregetjilp) en de immer strijdvaardige Léandre, wiens vastberadenheid en overgave van het gezicht druipt, heb je natuurlijk al genoeg volk aan boord dat de aandacht naar zich toetrekt.

Het is echter Strid die voor ons de revelatie van dit concert is. Er gaapt al een behoorlijk groot stilistisch verschil tussen het Trespass en het Tarfala Trio, maar ook hier toont hij weer zijn verfijnde instrumentbeheersing, die samen met het wrijf- en schraapwerk van Brückner zorgt voor een sound die tegelijkertijd puur en voluptueus is. Er valt geen greintje jazz te bekennen in deze in de Europese avant-garde gewortelde muziek, maar het is zeker niet altijd ondoordringbaar. Soms gaat het er haast machinaal ratelend aan toe of met een haast aandoenlijke lieflijkheid. Er komt echter ook de nodige humor aan te pas (vooral Strid zorgt voor enkele momenten van comic relief) en de excentrieke performance van Léandre (de vrouwelijke tegenhanger van Barry Guy?) zorgt ook voor de nodige zelfrelativering. Een prachtig concert om de dag mee in te zetten.

Dan het DKV Trio. Een beeld zegt soms meer dan al die woorden.

Maar er is natuurlijk veel meer dan dat. Het was niet enkel lawaai (integendeel) of spierballengerol, maar wel een performance die bij momenten het dak eraf dreigde te blazen. Je hebt dan ook te maken met een trio met een enorme staat van dienst, een stel muzikanten dat in zijn eerste levensfase al een paar prachtige albums maakte (probeer zeker Live In Wels & Chicago of hun samenwerking met Fred Anderson, beide verschenen op het Okkadisk-label, op de kop te tikken) en wat recenter de machtige 7CD box Past Present uitbracht. Die laat horen dat de synergie van de band nog steeds intact is, iets waar we ook getuige van waren van dit bevlogen concert. Toen de aankondiger hen inleidde als het originele DKV Trio, leidde het bovendien tot een grap waar voortdurend op gevarieerd werd. Een ontspannen sfeer die de ideale voedingsbodem vormde voor een bevrijdende performance.

Van Vandermarks oneindige resem projecten is dit misschien wel een van de meest toegankelijke en sterkst in de freejazz verankerde. Ritme staat daarbij centraal, en dan niet enkel door het vloeiende spel van meesterdrummer Hamid Drake, maar ook door het direct in elkaar hakende spel van bassist Kent Kessler en Vandermark, die hier z’n liefde voor structuur en meer traditionele geluiden niet kan wegsteken. Op tenorsax, baritonsax en klarinet kon de man van Chicago zich te buiten gaan een staccato uithalen en terugkerende thema’s, zich inschakelen in de aanstekelijke grooves van z’n ritmesectie en zelfs eens een prachtige ballade spelen. Uiteindelijk bleef echter de gedreven communicatie en het vloeiende domineren. Het DKV Trio liet horen wat er kan gebeuren als drie fantastische muzikanten een plateau bereiken waar de muziek voor zich lijkt te spreken, als een collectieve stem die hen overmeestert en als kanaal gebruikt. Machtige performance die terecht onthaald werd op een stormachtig applaus. De beste concerten laten de grenzen tussen muziek, muzikant en luisteraar bijna volledig vervagen.

De ondankbare job om na die triomf het publiek bij de les te houden was weggelegd voor Kege Snö, het kwartet Roland Keijser (alt- en tenorsax, fluit), Niklas Barnö (trompet), Joel Grip (bas) en Raymond Strid (drums). Door z’n opvallende hoedje leek Keijser een beetje op een blanke Fred Anderson, maar hij zou niet enkel daardoor opvallen. Deze band speelde doorgaans redelijk lichtvoetige jazz die aansloot bij het oudere werk van het Ornette Coleman-kwartet en hier en daar zelfs een beetje deed denken aan Masada of het al eveneens naar Coleman lonkende kwartet van Eric Boeren. De band koos ervoor om geen micro’s te voorzien voor de blazers, wat het concert ten goede kwam, want het leek wel plaats te vinden in een intieme club en slalomde tussen zwierigheid en een tricky timing die vaag verwant leek aan die van een band als Atomic.

Ondanks het gebruik van heel wat compacte thema’s, waarvan sommige met een statige elegantie, waren er volop schittermomenten ingelast in de muziek, die mooi ingevuld werden door de muzikanten. Keijser en Barnö wentelden losjes rond elkaar, kwamen regelmatig tussenbeide in de composities en vulden elkaar mooi aan, terwijl Grip zich bewees als een van de aanstormende bassisten van Noord-Europa, en Strid ritselde, kletterde en neuriede à la Bennink. Het concert kreeg nog een verrassende wending aan het einde, toen de saxofonist voor een paar stukken overschakelde op fluit voor muziek die geworteld was in de Zweedse folkmuziek, en vervolgens ook nog eens vergezeld werd door Barnö. In een andere context was de impact van dit kwartet ongetwijfeld nog groter geweest, maar we onthouden ze toch als een van de mooie ontdekkingen van het festival.

Met het trio Tony Buck (drums/percussie), Christian Fennesz (elektronika/gitaar) en Joe Williamson (bas) werd nog eens duidelijk dat de voorkeur voor vrije muziek helemaal geen moderne geluiden hoeft uit te sluiten. Konfrontationen liet al zeer vroeg elektronische muziek toe in zijn programma en de invloedrijke Fennesz was al eerder van de partij. Zorgde het Weense trio Radian tijdens de editie van 2012 nog voor een hoogtepunt terwijl het kot even ervoor nog op z’n kop gezet werd door The Cherry Thing, dan werd dat nu niet herhaald, maar kon je evenmin spreken van een tegenvaller. Het was een concert dat zich ook horizontaal bewoog, een geduldige ontvouwing die z’n kern vond in het gestage verderbouwen en variëren. Daarin vervulde een figuur als Tony Buck natuurlijk een centrale rol.

Het concert had dan ook een beetje de overkoepelende boog van een Necks-concert en het duurde aanvankelijk ook lang voor Buck meer deed dan wat rommelen met percussie of hier en daar spelen met cimbaalgeritsel. Ook Williamson droeg bij aan het drone-effect door lang in te zetten op traag strijkstokgeschraap. In combinatie met de klankexperimenten, ruisgolven en subtiele bleeps van Fennesz leidde het tot een symbiose die zich knap bewoog van afstandelijke ingetogenheid naar een meer extraverte variant die nu eens naar de ontregelde chaos, en dan weer naar tribaal aandoende industrial neigde. De pieken waren knap, het galeienritme van de finale even verrassend als bombastisch. Niettemin bleef het wat wringen dat het absolute hoogtepunt al een paar uur eerder te beleven viel.

Op 29 januari overleed op 65-jarige leeftijd kornettist, dirigent en graag geziene gast in Nickelsdorf Lawrence ‘Butch’ Morris. Als eerbetoon aan een van de opmerkelijkste figuren binnen de avant-garde van de laatste decennia, had de organisatie een Butch Morris Dedication Orchestra samengesteld, dat o.l.v. Morris’ voormalige vriend/collega J.A. Deane een performance zou brengen. Die band bestond uit maar liefst dertien muzikanten (Tony Buck, Paul Lovens, Hamid Drake, Els Vandeweyer, Magda Mayas, Hans Koch, Eric Arn, Joëlle Léandre, George Cremaschi, Tristan Honsinger, Christof Kurzmann, Liz Albee en organisator Hanz Falb achter de draaitafels). Het doel: het organiseren van geluid volgens de principes van Morris, die draaien rond het improviserend dirigeren.

Die theorie was oorspronkelijk bedoeld om zowel ‘zuivere’ improvisatoren als klassiek geschoolde muzikanten tot het uitvoeren van nieuwe muziek te brengen, en dat met een dialoog tussen de dirigent en de muzikanten. De dirigent stuurt met een lange lijst van handsignalen, waarmee hij muzikanten bij de performance betrekt of het zwijgen oplegt, hij laat ze luider en stiller of drukker en kalmer spelen, en de muzikanten zijn daarbij vrij om te kiezen hoe ze die rol invullen. Op die manier zijn alle partijen verplicht om hun comfort zone te verlaten en leidt het resultaat idealiter tot een volwaardige, nooit meer te herhalen performance. Het eerste dominante stuk werd door J.A. Deane zorgvuldig opgebouwd. Het vertrok allemaal bij een eenvoudig motief van basklarinettist Hans Koch, om van daaruit steeds breder uit te lopen.

Je kon aanvankelijk een speld horen vallen. Een lyrische Léandre werd snel vergezeld door een agressiever spelende Cremaschi, trompettist Albee voegde zich bij het gezelschap en voor je het wist stond het hele collectief op de rails en werden ze gestuurd door signalen die hen deden variëren met densiteit en rust, lage en hoge tonen, krachtige en rustgevende dynamiek. Door de combinatie van akoestische en elektronische elementen had het geluidspalet soms iets van Vandermarks latere Territory Bands, maar vertrok het dan vanuit een compleet andere ideologie. De tactieken herinnerenden ook meer dan eens aan die van Zorn (een bewonderaar van Morris die ook meespeelde op diens cruciale plaat Current Trends In Racism In Modern America (1985)), baadden nu en dan in Stalling-gekte, worstelden opruiend als het Chicago Tentet of een compleet doorgeslagen variant op “Parisian Thoroughfare”.

Hoewel deze aanpak vooral verwachtingen van ondoordringbare chaos en willekeur met zich meebrengt, was het bereik behoorlijk indrukwekkend. Er zaten daadwerkelijke stukken in met een gekmakend klokkenwinkelkabaal vol aan Stockhausen herinnerene plof-, ratel- en knetterelementen, maar daar bleef het gelukkig niet bij. Een duopassage voor Honsinger en Buck werd gebracht met clowneske anarchie, de drie drummers werden hier en daar aangestuurd als één ritmische machine (Buck, Drake én Lovens samen, stel je voor!), links mocht het opnemen tegen rechts, en hier en daar viel er zelfs een brokje melancholie te rapen (een lyrische stukje trompet van Albee in het bisnummer). Oorspronkelijk was het eerbetoon van Deane en co. bedoeld als afsluiter van de festivaldag. Wegens logistieke rompslomp was het een verstandige zet om dit concert te gebruiken om het boeltje op gang te brengen. Zo kon het festival ook op z’n derde dag beginnen met een topper.

En die derde dag zou nog heel wat moois in petto hebben, want ook het duoconcert van Mats Gustafsson en pianist François Tusques was er eentje om in te lijsten. Nadat er al een van de pioniers van de Britse improvisatie gepaseerd was, verscheen er nu ook een icoon van de Franse improvisatie op het podium, een man die er bij was toen er zich iets begon te roeren in het midden van de jaren zestig en die later zou spelen met naar Europe uitgeweken vaandeldragers als Don Cherry en Anthony Braxton. Het was vooral de vraag wat dit zou opleveren: Gustafsson is wel vaker te vinden voor allerhande duosettings, maar dikwijls gaat het dan om muzikanten die al net even hard van leer kunnen trekken als hem, die al net zo sterk aangetrokken worden door de uitersten van expressie of fysieke mogelijkheden. Wat ging dat geven met de eerder ingetogen spelende Tusques?

Heel simpel: Gustafsson was zichzelf, maar liet onder de invloed van Tusques toch ook een andere, meer ingetogen kant naar de voorgrond treden. De pianist speelde erg lyrisch, soms op het romantische af, met dartele arpeggio’s en stukken die haast weggeplukt leken uit de pop- en standardstraditie, maar Gustafsson greep de uitdaging aan zonder daarom meteen uit te halen met die vermorzelende power. Zowel op tenor- als baritonsax was hij zichzelf, maar dan iets minder woest. Het emotionele geschreeuw bleef nochtans een terugkerend iets, met soms een toon die jankte als die van Baars, en frequent ronkte en piepte. Het leek wel alsof z’n mogelijkheden en feilloze instinct nu sterker dan ooit in de verf gezet werden. Extra verrassing was het gebruik van zijn vers aangeschafte bassax (een gevolg van zijn samenwerking met Colin Stetson?), die natuurlijk zorgde voor een machtig ronkend effect. Hij zakte door de knieën, boog voor- en achterover, sluipte rond als een roofdier, maar de dominantie werd wat getemperd, waardoor de cruciale bijdrage van Tusques mooi ondersteept werd. Een uitstekend, soms zelfs bij de keel grijpend concert.

De Oostenrijke trompettist Franz Hautzinger, afkomstig van de streek, kon zelf een band samenstellen voor het festival en kwam op de proppen met een kwartet met daarin bassiste Rozemarie Heggen, cultpianist John Tilbury en drummer Hamid Drake. Een merkwaardige combinatie, maar wel eentje die leidde tot misschien wel de mooiste verrassing van het festival. Hautzinger is dan ook een speciale figuur, die ooit van start ging met vrij traditionele jazz, maar gaandeweg steeds nauwer aansloot bij de avant-garde, een sleutelfiguur werd binnen de Oostenrijkse improvisatie en zowel verwant lijkt aan Bill Dixon als Axel Dörner. Met dit kwartet leidde tot een concert dat uitblonk in spaarzaamheid en gebruik van vrij eenvoudige, maar efficiënte ideeën.

Net als pakweg Dörner of Nate Wooley is Hautzinger ook sterk geïnteresseerd in texturen en ongebruikelijke technieken, wat vaak leidde tot gebruik van ruisklanken en een voortdurend afwisselend gebruik van een demper en ‘zuivere’ sound. Zijn kompanen deelden die geduldige aanpak: Drake door soms enkel gebruik te maken van z’n blote handen, Heggen door droneregioenen op te zoeken en Tilbury door donkere clusters af te wisselen met het open- en dichtslaan van zijn klavierdeksel. Klonk hij nu eens als een Keith Tippett in het donderende lage register, dan kreeg soms ook zijn vertrouwdheid met componisten als Cornelius Cardew of Mortyon Feldman de bovenhand. Het verleende het geheel een donker en mysterieus tintje. Een soloshow zou het echter nooit worden.

Het concert focuste regelmatig op de kleine details – amper hoorbare variaties in Hautzingers spel, Tilbury’s vingers die een fluisterdansje uitvoerden op de toetsen -, maar het resultaat was een immens coherente luisterervaring, bedwelmend in z’n doeltreffende uitvoering en nergens vergezocht. Zelfs het nachtelijke klokkengelui leek net op het gepaste moment erbij te komen. Dag 3 leek goed op weg om de voorgaande dagen te overvleugelen.

Maar om 1u25 moest het beukkwartet Braaz, eigenlijk gepland als eerste band van de dag, nog beginnen aan z’n set en het niveau van de voorgangers was net iets te hoog gegrepen. De lange aanloop met zingende bas leek vooral bedoeld om de nietsvermoedende luisteraars op het verkeerde been te zetten, want al snel werd volumineus uitgehaald met tierende skronkjazz die soms wat herinnerende aan Cactus Truck of Lean Left, met een gitarist (Gigi Gratt) die in de weer ging met de schroevendraaier van Terrie Ex en friemelde en ratelde als Jasper Stadhouders. Saxofonist Werner Zangerle pompte een aardig stukje mee, maar miste daarbij wel de woeste furie van een John Dikeman, waarmee hij het zootje helemaal over de rooie zou kunnen doen gaan.

Het kwartet bewees wel dat het geen one trick pony is, want soms werd ook de nodige subtiliteit en afwisseling aan de dag gelegd, ging Gratt experimenteren met zijn bugel en loops, kwam bassist Marcus Heimer erg inventief uit de hoek, en vond het verkeer plaats in een eerder minimalistische zone. Die rustiger momenten zorgden er echter voor dat de aandacht danig verslapte en maakte duidelijk dat de band niet sterk genoeg was (toch niet in vergelijking met het voorgaande) om voor de volledige lengte te boeien. Wat nogmaals bewijst dat grove uithalen, ook al worden ze afgewisseld met alarmerende stilte, zelden volstaan om te kunnen spreken van een artistieke triomf. Of was het weer de vloek van de ondankbare slotpositie?

Terwijl half België massaal als een sensatiegeile, geïndoctineerde bende schapen voor de tv hing om te zien hoe een onbeholpen, 53-jarige hansworst koning werd omdat zijn papa dat toevallig ook was, was het sidderen tijdens het traditionele concert in de Evangelische Kirche van Nickelsdorf. De Franse klarinettiste/zangeres Isabelle Duthoit was er intussen ook al een paar keer bij op Konfrontationen en ging deze keer een duoconcert spelen met frequente partner trompettist Franz Hautzinger. De term ‘zangeres’ wordt hier alleszins losjes gebruikt, want je kan Duthoit net zozeer beschouwen als een stemkunstenares, een artieste die net als een Phil Minton het volledige bereik en de mogelijkheden van mond en keel lijkt te willen benutten. Dat ging erg ingetogen van start met amper waarneembare keelgeluiden die vanuit een ongekende diepte leken op te borrelen en mooie gereflecteerd werden in het al even ongemakkelijke ruisen van Hautzingers trompet.

De lichaamstaal van Duthoit leek afwisselend uit de yoga en de gevechtskunst te komen en straalde een ijzeren discipline en focus uit. Dat moet ook wel, want het keelgeklik, gehijg en gereutel werd met een onwaarschijnlijke controle uitgevoerd. Er zijn natuurlijk verwante artiesten als Shelley Hirsch en Diamanda Galás, maar Duthoit heeft een volstrekt eigen aanpak, waarbij een doodszucht net zozeer een plaats krijgt als demonisch gekrijs en een piepende, schurende, ingetrokken adem die eindeloos bewerkt werd. Ook al was haar mimiek – van orgastische extase tot heroïsche euforie en onheilspellend wenkbrauwengefrons – iets waar je je ogen niet vanaf kon wenden, toch had je dit net zo goed met gesloten ogen kunnen beluisteren. En je vervolgens afvragen wat er in hemelsnaam gaande was. Hautzinger varieerde mooi met lucht en ritmisch gebruik van de kleppen, maar speelde dit keer tweede viool in een performance die werd gedomineerd door een artieste die de volledige aandacht opeiste (en slechts even de klarinet hanteerde). Het kan dan ook geen toeval zijn dat de zatlap die in het gangpad tussen de kerkbankjes lag te snurken plots achterover keilde en zichzelf ei zo na een schedelbreuk bezorgde op de stenen kerkvloer. “What an excellent day for an exorcism”.

De dag werd verdergezet buiten de regionen van de jazz en de klassieke vrije improvisatie. Rozemarie Heggen, ooit nog bassiste bij The Ex, stond er opnieuw, deze keer met haar kwartet Lysn. Zodra het geroezemoes afnam was duidelijk dat het concert eigenlijk al even bezig was met brommende golven. Met elektrische gitaar en bas, synthesizer en elektronisch bewerkte trombone werd nog eens gewerkt aan muziek die zich nergens echt te buiten ging aan de ritmische onvoorspelbaarheid of ontoegankelijke dissonantie die vaak met de vrije muziek geassocieerd wordt. De trombonestoten werden lang gerekt, de gitaar creëerde een vaag Oosterse, Alice Coltrane-achtige sfeer en het was opnieuw het geduld van The Necks dat hier terugkeerde. Erg spontaan ontwikkelende muziek die harmonieus klonk zonder te verzanden in maniertjes of nietszeggendheid.

De synth van Patrick Pulsinger klink hier en daar wat artificieel en neigde meer dan eens naar de wat verouderde klanken van de kosmische school, maar lag mooi ingebed in het groepsgeluid, dat erg visueel was en beelden van vergezichten en andere etherische panorama’s opriep. De trombone van Hilary Jeffery stond centraal, maar het was soms lepe muziek, die je langs een soms lawaaierig parcours voerde of je zonder het te beseffen betrok in een enorm meeslepend, ritmisch verhaal vol rollende grooves, noisy gitaar (Alfredo Genovesi) en trombonelagen. Net toen je het gevoel kreeg dat de band z’n set zou afronden op een gepast ogenblik werd er nog een heel stuk extra aan gebreid. Dat werd wat iets lang gerokken, al liet het je wel inzien dat ook drummer Steve Heather (bijna) onopgemerkt een prachtperformance neergezet had.

Het trio Noid/Kazu Uchihashi/Tamara Wilhelm zorgde vermoedelijk voor de luidste soundcheck van alle bands, maar echt extreem zou het nooit worden. Toch werd hier onvervaard in de nieuwe muziek gedoken met cello, elektronica en gitaar op een zeer desoriënterende manier, waarbij bleeps en schijnbaar achterwaarts afgespeelde klank bij momenten behoorlijk agressief klonk en centraal stond in het groepsgeluid. Uchihashi was van zijn kant dan weer in de weer met een strijkstok en een vreemdsoortig (zelfgebouwd?) toestel waar hij de vreemdste klanken uit perste en zo nog een extra laag op de plinkeplonkeknettergolven deed. Soms kwam er haast chaotisch industrieel gedruis en geruis van en dan weer daverende, trillende en kletterende klanken. Tussen avontuurlijke exploratie en in zichzelf gekeerde introspectie.

De ruisende elektronica werd op een gegeven ogenblik haast overstemd door het indrukwekkende volume van de krekels in Nickelsdorf, wat leidde tot een elektroakoestische variant die er zelden gehoord was. Het was een concert dat de volle aandacht opeiste. Had je er dat niet voor over, dan waren de vreemde technieken en geluiden, inclusief tandartsgeboor, mogelijk ronduit irriterend, maar wie bij de les bleef werd getrakteerd op een door en door hedendaags geluid dat paste in een traditie die op het festival nauw in het hart gesloten wordt. En misschien was dit ook wel een gepaste aanloop naar het compleet verschillende derde concert.

Het Schlippenbach Trio. Alexander von Schlippenbach, Evan Parker en Paul Lovens. Al meer dan veertig jaar vaandeldragers van de vrije muziek, met een resem klassieke albums en een concertreputatie van-heb-ik-jou-daar. Schlippenbach leek wat op de sukkel (door de wandelstok) en Parker nadert intussen ook stilaan de zeventig, maar wie dacht dat dit trio stilaan klaar is om de handdoek in de ring te gooien, kreeg lik op stuk zoals dat zelden nog gebeurt. Wat een concert was dàt immers!? De bevlogenheid, inventiviteit en ja, zelfs energie, waar deze drie mee speelden, dat was die van een stel jonge Turken op de piek van hun kunnen. Zelden hebben we zo verbluft naar een performance zitten kijken, werden we overrompeld door een concert dat geen spoor leek te vertonen van verminderde overgave of creativiteit.

En dit was geen show voor die buitensporig ontwikkelde techniek van Parker (ook werd je voortdurend met de neus op ’s mans meesterschap gedrukt), noch voor het potten- en pannengeluid van Lovens of de tussen traditie en radicale vernieuwing swingende stijl van de pianist. Dit was samenspel, muziek spelen, spelen met muziek van het hoogste niveau, een eindeloze stroom van ideeën, een stream-of-consciousness van impulsen en reacties, waarin wel solomomenten verstopt waren, maar de eenheid voorop stond. In het hoge register van de tenorsax doet Parker soms wat denken aan de latere Coltrane, maar die kringelende, eindeloos rondcirkelende saxriedels zijn compleet sui generis. Butcher ging breder en klonk excentrieker, maar deze nerveuze focus was onwaarschijnlijk. En kokend intens.

Lovens (wit hemd en das, of wat dacht u?) was natuurlijk weer in de weer met die schoteltjes, maar kon net zo goed een draai geven met één welgemikte slag op die snare drum, net zoals Schlippenbachs gedender eruit gulpte met een vulkanische kracht om ten gepaste tijde weer een glimp van ingetogenheid te laten doorschemeren. Ragfijne uitwisselingen en telepathie, maar de indruk die nazinderde was toch die van een trio dat nog een rekening te vereffenen had. Er moest orde op zaken gesteld worden. Met dit monolithische blok op soms duizelingwekkend hoog niveau durft er dan ook geen mens meer aan twijfelen dat deze versie van het trio minstens even sterk overtuigde als de versie die in 1980 op de eerste editie van het festival stond. Een festivalhoogtepunt.

Enkele uren voor het slotconcert van het Fire! Ensemble ineens wat opschudding. Bassist Johan Berthling, lid van het trio Fire! en eens essentiële schakel in het groepsgeluid, was tijdens de soundcheck onwel geworden, wat betekende dat er een licht gewijzigde rolverdeling van moest komen. Gitarist David Stackenäs viel in, waardoor Andreas Söderström overbleef als enige gitarist. Pianist Sten Sandell werd dan weer vervangen door de gretig invallende Chino Shuichi. Was de line-up van het Butch Morris Orchestra al behoorlijk omvangrijk, dan stond er nu nog meer volk op het podium. En wat voor volk: zangeressen Mariam Wallentin en Sofia Jernberg, saxofonisten Anna Högberg (eentje om in het oog te houden, zoals ons vooraf al ingefluisterd werd), Mats Gustafsson en Martin Küchen, trompettisten Niklas Barnö en Goran Kajfes, basklarinettist Christer Bothén, trombonist Mats Äleklint, tubaspeler Per Åke Holmlander, bassist Joel Grip en drummers Raymond Strid en Andreas Werliin.

Er zijn veel overeenkomsten tussen de aanpak van de kleine en de grote versie van Fire! Je hebt die momenten van openheid, van vrije improvisatie – en ook nu ging het allemaal van start met geklik, tongue slapping en gekletter -, maar er zijn ook volop groepsmomenten waarin de bezetting als een kolossale machine voortdenderend in de regionen van de jazz-, seventies- en krautrock, drijft op ultravette grooves en samenspel dat qua volume enkel het Chicago Tentet naast zich moet dulden. Op die momenten regeert het collectieve, al blijft niet iedereen voortdurend in het gareel. Het speelt zich af met een soepele, soms wat rommelige schwung, waarbij buikgevoel overheerst. Het was dan ook mooi om te zien hoe Shuichi zich volledig te buiten kon gaan aan excentrieke bijdragen, ratelend op die toetsen, geschift opwippend en als een zot hamerend met het pianodeksel.

Naast dat collectieve machtsvertoon was er ook wat ruimte voor individuele schittermomenten, al heb je met zoveel volk op het podium natuurlijk ook wat beperkingen. Jammer, want sommige van die muzikanten hadden best wat meer tijd mogen krijgen. Dan werd ook snel duidelijk dat Gustafsson als bandleider en ‘arrangeur’ niet de man van de verfijnde ideeën is. De composities hebben soms een vrij rudimentaire aanpak en teren eerder op energie en groove dan op verfijning en variatie. Daarmee vindt hij dan ook een evenwicht tussen de Europese improvisatie en de Amerikaanse fire music van de jaren zestig en zeventig. De bezielde zangpartijen van Wallentin en Jernberg en de opzwepende ritmes misten hun impact niet en belandden uiteindelijk net naast het terrein van de chaos. Maar die ‘net naast’ maakt het natuurlijk net zo fascinerend.

Een knappe, wat onverwachte vondst was het wat pastoraal aandoende einde, waarvoor basklarinettist Bothén de doussn’gouni (een zeldzaam Afrikaans snaarinstrument) bespeelde. Veel volk betekent niet noodzakelijk betere muziek, want de indruk die het Schlippenbach naliet was net iets groter, maar met zijn gul bruisende en lillende composities was dit Fire! Ensemble wel een knappe afsluiter voor een festival dat zijn gelijke nog altijd niet kent.

Rest enkel nog de vraag of Konfrontationen geen slachtoffer van z’n eigen succes gaat worden. Op vrijdag en zaterdag zat de achtertuin overvol, waardoor de spontane charme bijna overmeesterd werd door drukke nervositeit, en zorgde de – irritante – gewoonte van het plaatsen reserveren met dekentjes (soms al de dag voor een concert) voor aardig wat gemor. Anderzijds is deze grotere opkomst net wat dit festival kan gebruiken om te kunnen overleven. Geen makkelijke evenwichtsoefening, maar hopelijk eentje die in de toekomst niet voor problemen gaat zorgen. En het slotverdict over de muziek: Konfrontationen blijft een topper onder de festivals. De festivalslogans “Dance first – think later, it’s the natural order” (S. Beckett) en “No boundaries, no borders, no limits” worden nergens zo mooi, zo spontaan (met dat onmisbare randje anarchie erin) en zo passioneel ingevuld. Het blijft een belevenis.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

5 × 3 =