Pitchfork Music Festival 2013 :: 19 – 21 juli, Chicago

Eind juli ging in Union Park, Chicago het Pitchfork Music Festival door, in de Verenigde Staten de jaarlijkse hoogmis voor muzieknerds en één van de betere en meest eclectische line-ups die dit jaar te bespeuren viel. Jonge bands vonden er zichzelf voor het grootste publiek dat ze ooit onder ogen kregen, oudere bands kwamen tonen waarom ze nog steeds relevant zijn, en slechts een enkeling ging er volledig de mist in.

Wie denkt aan de derde grootste stad in de VS, denkt misschien aan magnifieke wolkenkrabbers, aan de maffiosi uit The Untouchables en Kuifje in Amerika of — meer recent — aan de beruchte South Side. Naar verluidt is Chicago gevaarlijker om leven dan Fallujah, maar ook een broedplaats voor enkele van de beste hedendaagse hiphopacts. Niets van dat alles echter op de terreinen van het Pitchfork Festival, dat plaatsvindt in een gezellig, groen park en in het geval van de Blue Stage zelfs letterlijk onder de kerktoren. Hoewel de line-up behoorlijk indrukwekkend is, blijkt het festival zelf bijzonder compact: het kost maximaal vijf minuten om van het ene podium naar het andere te geraken. Ideaal voor een festival waar zo veel te ontdekken valt.

Vrijdag 19 juli

Met zijn aanstekelijke surfrock mag Mac DeMarco wat ons betreft zowat elk festival openen. De man neemt niets of niemand — en dan vooral zichzelf niet — al te serieus, en nummers als “Cooking Up Something Good” en “Freaking Out The Neighborhood” gaan dan ook naadloos over in speelse covers van “Enter Sandman” of Clapton’s “Cocaine”. Een ander artiest verdenk je dan al snel van onnodige ironie, maar DeMarco staat er met zijn brede grijns duidelijk enkel en alleen om ons en zichzelf te entertainen. Op ‘s mans 2 van vorig jaar kabbelden de nummers dan wel iets te gezapig, DeMarco demonstreerde wel dat hij weet hoe een straffe popmelodie te schrijven, en live krijgen de nummers de nodige energieboost. Zo eindigt het akoestische “Still Together” live in een massieve sing-along, waarbij de muzikant halverwege het nummer zijn liefje op het podium roept en haar in zijn nek hijst.

Woods is daarna een groep folkies uit Brooklyn die met bijzondere regelmaat zowat elk jaar een excellent album blijven uitbrengen, waarvan het vorig jaar verschenen en drastisch onderschatte Bend Beyond het meest recente is. De groep blijft dan ook gestaag zijn fanbase uitbreiden en boetseert zijn intieme, lo-fi folkrock ietwat meer naar de zomerfestivals met tonnen reverb en fuzz. De nummers monden vaak uit in psychedelische jamsessies. Die zijn niet altijd even interessant, maar hé, de zon schijnt en dan klinkt alles al snel onverdeeld fantastisch.

Op naar Mikal Cronin, die met MCII — twentysomething groeipijnen in tien aanstekelijke powerpopsongs — de zomer al bijzonder veel kleur gaf, en dat trucje nu ook eens live mag overdoen. Zijn band ziet er uit als een beginnend groepje grungerockers uit het begin van de jaren negentig, en raast met een bijpassende attitude, ogen stevig gefixeerd op de eigen sneakers, door de set. Waar het album iets gepolijster klinkt dan we van een Ty Segall-kompaan en fuzz-fanaat gewoon zijn, worden de songs live alsnog onder een behoorlijke dosis noise bedolven. Dat gaat gelukkig meestal niet ten koste van de melodieën, en zo zet Cronin de strakste set van de dag neer. U daar in België weet wat u te doen staat: de man niet missen op Pukkelpop.

Met die drievuldigheid van ontspannen, lo-fi indierock is de dag meteen perfecte gestart, maar de echte sterren zijn natuurlijk Joanna Newsom en Björk, twee vrouwen uit een eigen onwerelds universum, en met elk een compleet uniek repertoire. Alleen blijkt Björks act een pak beter te werken op een festivalpodium dan die van Joanna Newsom: de 31-jarige Amerikaanse schrijft nummers van een buitenaardse schoonheid, waarbij ze zichzelf enkel begeleidt op piano of harp. Haar arrangementen zijn weelderig en complex, haar stem op z’n minst een acquired taste te noemen, en de lyrics nemen een prominente plaats in haar nummers. Ze verdient dus beter dan een half luisterend publiek en een geluid dat zachtjes alle kanten uitwaaiert. Hoewel ze vooral oudere nummers speelt (“No one comes out for the new songs”, zegt ze zelf), smokkelt ze ook een paar nieuwe songs de set in. Trouwe fans mogen gerust zijn: een koerswijziging zit er niet meteen in.

Björk heeft dan weer meer dan genoeg ervaring met festivals en schuwt de grote gebaren niet. Met een drummer, DJ, magnifieke visuals en een voltallig vrouwenkoor dat rond haar cirkelt als de kosmische hoogpriesteres die ze lijkt te belichamen, is er alvast meer dan genoeg gaande op het podium. Haar set drijft vooral op nummers uit haar laatste (sterk elektronische) album Biophilia, maar ook oudere nummers (een magnifiek “Hidden Place” en “Army Of Me”) krijgen de electropopbehandeling, en zo zorgt Mvr. Gudmundsdottir voor een onverhoopt feest aan de Main stage. Vier nummers voor het einde van haar set wordt ze bruusk van het podium geroepen, wegens een oprukkende storm (“In Iceland this would be nothing!”), en zo komt er veel te vroeg een einde aan een eerste, geslaagde dag.

Zaterdag 20 juli

Als er op dit festival één zaak opvalt, dan is het wel de programmatie van een hele resem straffe, vrouwelijke artiesten. Daar rekenen we graag Julia Holter bij, die vorig jaar hoge ogen gooide met haar tweede album Ekstasis, maar ook zij is jammer genoeg in hetzelfde straatje als Joanna Newsom beland. Hoewel de kleine, schaduwrijke Blue Stage haar wat meer intimiteit biedt, heeft haar concert te kampen met serieuze geluidsoverlast van de andere kant van het terrein, waar hardcore band Pissed Jeans het luidste van zichzelf aan het geven is. De experimentele elektronica van deze singer-songwriter verdient een perfecte akoestiek, en die krijgt ze dus helaas niet, al helpt het ook niet dat ze zelf de hele tijd stokstijf en schijnbaar wat onwennig achter haar keyboard blijft staan. Geen geslaagd optreden, maar we geven haar graag spoedig nog eens een tweede kans.

De jongens van Parquet Courts moeten dan weer bijzonder weinig moeite doen om het publiek aan het begin van deze tweede, verstikkend hete festivaldag aangevuurd te krijgen. Met Light Up Gold! toonde de band zich dit jaar niet als grote vernieuwer, maar wel als het soort gitaargroepje dat oprechtheid koppelt aan uiterst makkelijk meebrulbare melodieën. De slacker-mentaliteit die ze zo graag etaleren in hun songs (“Stoned And Starved”) zet zich jammer genoeg live iets te duidelijk door. Waar het publiek van bij de eerste noten uitgelaten staat te pogoën, tonen de heren zelf heel wat minder energie, en glijden ze net iets te routineus door de set. In elk geval klinken “Master Of My Craft” en “Borrowed Time” zelfs op automatische piloot als regelrechte anthems.

En zo zijn we alweer opgewarmd voor Savages, een volledig vrouwelijke post-punk band die met slechts een album en amper een jaar touren onder de arm al het hoofdpodium van dit festival mag sieren. Een flauw Siouxsie and the Banshees doorslagje volgens de één, dé revelatie van het jaar volgens de ander; en wijzelf vallen daar ergens mooi tussenin. Live is deze band echter een heuse pletwals. Frontvrouw Jenny Beth blaast, briest en schreeuwt zich met stijl én attitude een weg door een set waarin ze bewijst dat Savages van weinig meer ervaren bands nog lessen te leren heeft. De set is zowel broeierig intens als strak gefocust, en doet ons opnieuw beseffen dat er dit jaar weinig straffere nummers zijn uitgebracht dan “She Will”.

Als u het echt van ons wil weten: een van de moeilijkere taken in het zware leven van een muziekreporter is het recenseren van DJ-sets. We willen u echter jong talent Ryan Hemsworth niet onthouden. In zijn mixes koppelt de Canadees graag hiphopbeats en indiepop aan melancholische, elektronische soundscapes en ook in Chicago blijft hij trouw aan dat recept. De beats blijven downtempo, maar zijn melancholische kant wordt in die korte set grotendeels aan de kant geschoven om de dansers op zijn hand te krijgen, wat meer dan aardig lukt met remixes van onder andere Kanye West en Disclosure.

Weer tijd voor wat gitaargeweld op het hoofdpodium waar The Breeders hun essentiële Ohiopopalbum (ja, ook dat was ooit een genre) Last Splash spelen. De geluidsmix is echter een rommeltje bij de eerste nummers en de compleet onzinnige bindteksten van frontvrouw Kim Deal doen ons vermoeden dat er niet enkel tabak in haar sigaretten stak. Zo mist grootste hit “Canonball” de nodige punch en gaat ook de rest van de set al snel de mist in. Geef ons dan liever Solange: ze blijft misschien wel voor altijd het kleine zusje van Beyoncé, maar op dit festival toont ze alvast dat er geen reden is voor haar om in die schaduw te blijven. Met haar funky, soulvolle indiepop is ze duidelijk van plan van haar concert het soort zingt-en-danst-allen-mee! event te maken dat zelfs een festival als Pitchfork meer dan nodig heeft. Van “Losing You ” — beste single van 2012, zonder meer, en ook live een voltreffer — tot oude favoriet “Sandcastle Disco” zorgt Solange voor wellicht het meest oprecht vrolijke concert van het festival.

Een perfecte opener voor headliner Belle and Sebastian, dus, dat live nooit minder dan uitstekend is. Met een voltallige band, inclusief blazers, mochten de meer melancholische nummers waar de Schotse tweepoppers bij velen nog bekend voor staan, plaats ruimen voor de meer orchestrale, upbeat songs. Bovendien heeft de groep deze keer geen nieuw album te promoten, waardoor de setlist een echte Best Of wordt, met onder andere “I’m A Cuckoo”, “Piazza New York Catcher” en, als perfect bisnummer, “Get Me Away From Here I’m Dying”. De zomerregen die ondertussen met bakken uit de lucht valt, slaagt er niet in de fans weg te jagen. Waardoor de critici die graag beweren dat het Pitchfork-publiek enkel nog op ironische wijze van muziek kan genieten met Solange en Belle And Sebastian alvast sterk terecht werden gewezen.

Zondag 21 juli

Geen betere manier om een derde dag in de brandende zomerzon te spenderen dan bij Autre Ne Veut, né Arthur Ashin, die zijn existentiële angst omzet in prachtige, experimentele R&B-anthems, zo dachten we. Het wordt echter de eerste teleurstelling van de dag. Zijn unieke falset en ietwat bombastische maar perfect uitgekiende productie zijn de twee zaken die Anxiety zo bijzonder maakten, en net die gaan bij dit concert wat verloren. Ashin is niet al te goed bij stem, haalt vaak de hoge noten niet of wordt overstemd door zijn eigen achtergrondzangeres of drummer. We geven hem wel graag tien op tien voor overgave: Ashin meet zich de manieren van een stadionperformer aan, en zingt met haast intimiderende intensiteit. Hij lijkt bovendien oprecht onder de indruk om voor zo’n (relatief) groot publiek te mogen spelen, en geeft nog eens alles bij wereldnummer “Counting”, een onverhoopt orgelpunt voor een eerder matige set.

Killer Mike is een vaste waarde in Atlanta’s hiphopmiddens en bracht met R.A.P Music een van de beste albums van 2012 uit. Rap-acts op festivals stellen vaak teleur, en beperken zich tot playback of wat dronken gewauwel, maar niets van dat alles bij Killer Mike die de energie van zijn muziek ook live weet over te brengen. Voor hij aan z’n rapcarrière begon, was hij een sociaal assistent, en dat engagement zet hij volledig door in zijn act. Hij verlicht ons over de oorzaken van gang violence in Chicago, draagt “Ghetto Gospel” op aan zijn mentor (“It broke her heart when I started rapping”) en een snoeihard “Ronald Reagan” aan Edward Snowden (waarbij het voltallig publiek “I’m glad Reagan dead!” mee scandeert). Hard, intens, bijzonder oprecht en een van onze favoriete acts dit weekend.

Blood Orange, alias Dev Hynes, heeft een nieuw album in de steigers, en boekte met Pitchfork alvast zijn (voorlopig) enige solo-optreden van het jaar. Zijn aanstekelijke indiepop met disco, soul en funk-invloeden maakt hem alvast tot de ideale festivalact, en als er één “kleine” act is dit weekend waar we nog grootse dingen van verwachten, is hij het wel: de man is een natuurtalent, met een extreem goed oor voor uitstekende popmelodieën. Zo pende hij verschillende nummers voor Solanges laatste EP en schreef het gewéldige “Everything Is Embarassing” voor Sky Ferreira, dat hij zelf ook live brengt. De man is één levende brok charisma die — durven we het zeggen — bij momenten zelfs aan Prince doet denken, en hij krijgt ook met gloednieuwe nummers het publiek onmiddellijk aan het dansen. Laat die nieuwe plaat maar komen.

Waxahatchee, solo-project van Katie Crutchfield, die vorig jaar debuteerde met American Weekend maar dit jaar pas goed in het oog sprong met het uitstekende Cerulean Salt, is een van de ontdekkingen van het jaar. Met haar lo-fi, getormenteerde indiepop valt ze ergens midden tussen PJ Harvey en The Breeders. Op plaat klinkt ze bijzonder breekbaar, met nadruk op haar openhartige teksten, maar live gaat ze wat meer met fuzz en reverb aan de slag en komen vooral haar sterke melodieën zeer goed uit de verf. Zo speelt ze “Coast To Coast” als een krachtige powerpop anthem en snijdt ze met “Misery Over Dispute” ook live door merg en been. Nog eentje die u in de gaten mag houden.

Ondertussen heeft er zich al een massa volk verzameld voor rapper en vleesgeworden internetmeme Lil B, aka Based God. Het “fenomeen” Lil B is onmogelijk in enkele woorden samen te vatten (Dit artikel kan misschien wat opheldering bieden), maar hij trekt alvast het meest diverse én enthousiaste publiek van het hele weekend aan. Honderden hip-hop heads en internetnerds met roze bandana’s springen, zingen en schreeuwen bij elk woord van ‘hun’ Based God, die het publiek meermaals “I LOVE LIFE” laat scanderen. Muzikaal schippert de set dan weer tussen matig/bizar (hij rapt tijdens het concert onder andere over Rihanna’s “We Found Love” en Drowning Pool’s “Let The Bodies Hit The Floor” heen) en geniaal (“Wonton Soup”!) De jonge rapper heeft dan ook al letterlijk duizenden tracks uitgebracht, en dat laat zich soms ook merken aan de kwaliteit en inventiviteit van zijn rhymes. Niet dat iemand zich dat aan het hart laat komen: een Lil B-concert is één en al positiviteit, en alvast de meest unieke ervaring van het festival.

Hip-hop beats van een heel andere orde vinden we iets later bij Evian Christ, de 24-jarige DJ die wel eens de Britse Clams Casino genoemd wordt. Met zijn industriële beats en duistere hip-hop samples maakt hij niet het soort muziek dat goed gedijt bij daglicht. Christ lijkt zich dan ook wat onwennig te voelen in deze festivalsetting, en houdt zijn ogen stevig gefixeerd op het mengpaneel. De set is eerder een slow burner, maar het publiek slaat uiteindelijk toch aan het dansen en barst in gejuich uit zodra “I’m In It” — de track die hij producete voor Kanye’s laatste album — passeert. Jammer genoeg valt nét op dat moment het geluid plots weg, maar dan slaagt Christ er in het nummer opnieuw te laten beginnen op het moment waarop Kanye “Picked up where we left off” rapt. Timing is alles voor een goeie DJ, niet waar?

R. Kelly werd door velen aanzien als een ronduit “ironische boeking” van Pitchfork. Met zijn gladde R&B en zeemzoete soulballads is hij inderdaad de vreemde eend in de bijt op het programma, maar anderzijds speelt hij voor een weide vol twentysomething muziekfanaten die opgroeiden met “I Believe I Can Fly” en het geniale “Ignition (Remix)” woord voor woord kunnen meezingen. Een ding staat vast: de man is een rasperformer, en zijn concert wordt één geweldige mix van medleys en hits. Bij een over-the-top nummer als “Sex In The Kitchen” of wanneer hij van zijn bindteksten a capella R&B-nummers maakt (“I’m swea-a-a-ating. Can someone get me a to-o-o-o-wel”) flirt hij met de zelfparodie — maar hé, het is op z’n minst goed entertainment! Een passende afsluiter dus voor een festival dat zowat alle kanten van het muzikale spectrum opzocht.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

4 + zeven =