Sigur Rós :: Kveikur

Heavy shit, dat is Kveikur, de nieuwste van Sigur Rós. Het is een plaat van een geamputeerde groep die zijn metalinvloeden omarmt, en niet bang is om opnieuw post-rock te zijn. Daarmee bent u meteen weer mee, maar sta ons toe nog even uit te weiden.

Neen, een zoveelste etherische, bevlogen recensie moet u van ons deze keer niet verwachten. Kveikur is er de plaat niet naar om natuurvergelijkingen te maken, met metaforen te goochelen; dit is een ruwe schets van wat in het verleden van engelenvleugeltjes en glitterstof voorzien zou zijn. Op zijn zevende klinkt Sigur Rós voor het eerst als een gewone rock- en popgroep, maar vooral: als muzikanten van vlees en bloed en niet langer als elfjes.

Die pluim mag Kjartan Sveinsson op zijn hoed steken. Net als R.E.M. op Up een nieuwe band moest worden na de gouden handdruk van Bill Berry, zo noopte het vertrek van de voormalige toetsenist Sigur Rós tot een koerswijziging: bruter, zwaarder, minder afgerond zou het worden. Al moet u nu ook niet de meest dichtsbijzijnde oordopjes gaan opzoeken. Het valt allemaal wel mee.

Toch zit er een directheid in het geluid. Bas en drum zoeken nadrukkelijk de voorgrond op en ook Jónsi, voormalig frêle nimf, trekt opnieuw zijn keelgat open zoals God dat bedoeld had. “Stormur” doet zo zijn naam eer aan en baant doorstampend zijn pad met een ritmesectie die het kennelijk zeer goed met elkaar en een elektronische beat kon vinden. Elders wordt dan weer met overtuiging van rockband gedaan.

Single “Brennisteinn” heeft u ongetwijfeld al gehoord; een meeslepend af- en aanzwellend lawaainummer dat helemaal aan het begin de agenda meteen duidelijk maakt. Jónsi mag in de brug dan even angeliek zingen, zijn ritmekompanen komen al snel over hem heen gemarcheerd om de boel finaal met een dwars geluid (denk: “Oei, iemand heeft per ongeluk de stekker uit de bas getrokken”) de stilte in te trekken. De titelsong is een half album later een nog duisterder beest dat oprijst uit een poel elektronische noise en woest hamerende drums. Als wilde de groep deze keer zonder aanloop in de apocalyptische finale van “Popplagið” duiken; flink luid af te spelen voor maximaal effect.

Ook wanneer Sigur Rós meer melodieuze paden bewandelt, blijft dat het advies. “Rafstraumur” klinkt alsof de groep debuutplaat Vón en popplaat Með suð I eyrum við spilum endalaust tegelijk heeft laten opstaan tijdens de middagpauze en het resultaat toevallig is opgenomen. Bassist Georg Holm legt er in de finale een loeier van een baslijn onder en de groep bouwt een climax die zegt dat er eindelijk geen schroom meer is: ja, dit is nog steeds een post-rockgroep.

Helemaal pop dan weer, maar dan niet op de akelige Viva La Vida-manier van dat makke Með suð, is “Hrafntinna”, dat verre triomfantelijke trompetjes meekrijgt. “Isjaki” is zo goed als perfect: belletjes, bloedmooi refrein en een opbouw die naar euforie leidt. “Bláprádur”, het voorlaatste nummer voor klassieke pianoballad “Var” mag afsluiten, is vintage Sigur Rós: een feest van dravende drumclimaxen, falsetuithalen, en gitaren die de hoogste toonregionen opzoeken.

Er hoeven echter geen doekjes om gewonden te worden: Kveikur is stiekem een warboel. Een hoop ideeën die samen geen coherente plaat willen vormen, behalve dan rond het idee “jongens, laten we ‘t er gewoon eens uithameren”. Bij een mindere groep was het op een ramp uitgedraaid, maar hier volstaat het; dit is de plaat die Sigur Rós op dit moment moést maken, een overgangsmoment om een nieuw samenleven met zijn drieën te vinden, dat op zijn minst nieuwsgierig maakt naar waar het nu heen moet, live en in de studio. Wordt vervolgd, hopen we maar.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

5 × drie =