SPOT Festival :: 3-4 mei 2013, Arhus

Spotfestival is achter de rug en we hebben gezien dat het er goed is. Elke burgemeester van de tweede grootste Deense stad Aarhus wordt blijkbaar al eeuwen geselecteerd op liefde voor muziek en concerthallen, want je kon nergens lopen of je botste op een gebouw met een podium. Of een gebouw met vijf podia. De Denen houden van muziek in fatsoenlijke spotlights, dat is een feit.

Misschien houden Denen zelfs zo veel van muziek dat ze er meer respect voor hebben dan wij, en bijgevolg ook minder hard zijn voor hun bands als wij voor de onze. Zo zagen we bijvoorbeeld Alina Devecerski als een bokser rondjes lopen op haar podium toen de laptop uitviel en haar twee vriendinnen — één achter drie versterkte bongo’s en de andere achter een drumstel — niet meteen wisten wat beginnen om de stilte op te vangen. Het publiek wachtte braaf tot de technische problemen werden opgelost, ze bleven naar het podium kijken, er werd niet gefluisterd, niet gelachen, en niet gebabbeld. En toch hing er geen loodzware afkeurende sfeer. Natuurlijk stond de stoere dance rapster te sterven op het podium, maar ze liet zich niet uit het lood slaan, bleef boksrondjes lopen en zette daarna haar act even stoer verder. Check “Flytta på Dej” als u ook wilt horen dat haar refrein ons in de oren klinkt als frieten, frieten, frieten. We horen ook ergens mosterd en snacks. Voor de rest was haar act vooral visueel interessant omdat ze stond rond te maaien met haar armen in een zwart bomberjack waarin ze bijna verzoop. Erg on-Deens als u het ons vraagt — ze komt dan ook uit Zweden.

Laten we voor de verandering eens beginnen met twee dingen waar we iets van verwachtten maar die vies tegenvielen. Vergeet de laatste naam die we tipten in onze voorbeschouwing van Spotfestival: Turboweekend had het publiek weliswaar al plat nog voor de eerste noot; het kreeg een opgeklopt, doldriest, hol klinkend en veel te luid welkomstgebral van het publiek, waardoor ze zelf ook een beetje geïrriteerd waren, kregen we de indruk. Het applaus en gejoel klonken namelijk niet warm en liefdevol, maar eerder leeg en opgefokt, zoals om te bewijzen dat de toffe nonkel weer in town is en dat het zeker een goed feestje wordt. Het bracht een vreemde sfeer in de zaal nog voor de eerste noot. En zelfs na de laatste noot begrepen we niet waarom de Denen overstag gingen voor iets waar zo’n harteloos gevoel achter zit.

Het is trouwens vreemd hoe een schouwburghal objectief gezien steeds dezelfde hoop stenen blijft, maar op elk moment totaal van uitzicht en sfeer kan veranderen, naargelang het licht en wie er op het podium staat. CTM‘s synthesizermuziek was zo snerpend, koud en kil dat Musikhusets enorme schouwburgzaal met balkon en zijloges al na enkele minuten leeg druppelde tot het na drie kwartier echt een lege koelhal leek. Misschien beter in een kleine club met cool volk, maar dit was echt een ramp.

Een dag later zagen we in dezelfde schouwburgzaal Marie Key, een bescheiden, rustig meisje met een poedelkapsel en een bril, iemand die het niet van haar looks moet hebben, maar wat kon ze mooi zingen. Bij haar leek de nochtans moderne strakke schouwburg een warme, houten boot op de zee. Na elk nummer werd het applaus van de bomvolle zaal dankbaarder tot ze tijdens het refrein van het laatste nummer langzaam rechtstonden als of ze traag werden omhoog geduwd door de stuwende onderstroom in Marie Keys rustige, eerlijke stem. Op een youtubefilmpje van het festival, en die zijn eerder schaars, kan u dit magische moment zelf zien (Marie Key – Uden Forsvar Spot festival 2013).

Als u dat filmpje checkt, hoort u ook meteen hoe de meeste artiesten de zaal overgieten met informatie in het Deens. Deense groepen zijn zo zot van de interactie tussen muziek en publiek, dat ze niet professioneel nadenken en vergeten dat er een duizendtal internationale bookers en recensenten in de zalen zitten, die deze extra informatie graag verder zouden verspreiden, als ze het ten minste zouden kunnen verstaan. Nu, het is ook charmant om ondergedompeld te worden in een vreemde taal. En wie zijn oren spitst hoort er wel van alles in: we gokken dat ze zich verontschuldigt dat ze geen saxofoonspeler bijheeft, maar we weten niet zeker of het klopt.

In het mooie glazen Musikhuset ligt ook een gezellig schouwburgzaaltje met rode pluchen zetels: daar zagen we het laatste nummer van Einar Stray uit Noorwegen; een grotendeels akoestische folkpopgroep met een cello en piano. We sloegen onszelf voor het hoofd dat we de rest gemist hadden, want wat we hoorden was magistraal. Wat zouden we die fout graag herstellen en deze groep in België bewonderen. Check bijvoorbeeld het mooie “Chiaroscuro” uit hun gelijknamige eerste album en hun EP For the Country.

Alsof ze nog niet genoeg concerthallen hebben, verstopte men onder het Raddisson Blue hotel (dat op het Wijnegem Shoppingcenter lijkt) een gigantische beurshal met parketvloer waar voor Spot twee afwisselende podia (This/That) naast elkaar stonden. En ongelofelijk maar waar: elke groep — en dat waren er 124 — begint exact, exact op tijd. Daar kan men in België nog een puntje aan zuigen. Op Spotfestival drinkt men trouwens bier, sapjes in flesjes of cocktails uit stevige grote plastieken bekers en frisdank uit blikjes (ja, dat hoort u goed, en die mag men zelf nog openen).

Tussendoor krijgt u nog wat algemene lessen die we hebben getrokken:

  • Denen zingen ALLEMAAL, groepen hebben VEEL micro’s nodig.
  • De meeste Deense artiesten hebben geen peper in hun gat, acts met veel testosteron op het podium zijn eerder schaars. Oordopjes zijn altijd aangeraden, maar in het brave Denemarken niet echt nodig omdat het geluid op één uitzondering na, volgens onze gevoelige oren, altijd veilig werd afgesteld. Iemand wist ons te vertellen dat je moet oppassen als je ergens komt waar ze met vrijwilligers achter de bar werken, want dan gelden de decibelwetten niet: de bescherming zijn er immers niet voor het publiek, alleen voor wie er werkt.
  • Dit festival is 100 % moshpitvrij en ook veilig voor frêle meisjes, oma’s en nerds. Al zie je alleen maar knappe, hippe, doch zeer welopgevoede, jonge mensen in de fleur van hun leven.
  • Denen sorteren ook op een festival en geven desnoods blikjes door aan vreemden die dichter bij de vuilnisbak staan zodat alles netjes blijft. Op Spot zie je geen biervlekken op de vloer en er wordt niet geduwd en gelald. In dat opzicht lijken Denen op bejaarden (behalve het lallen).
  • Als een groep begint te spelen, gaat alle aandacht naar het podium. Denen komen echt voor de muziek. In dat opzicht lijken Denen op… niemand. In andere landen komt het publiek, met uitzondering van muziekrecensenten, vaak ook gewoon voor bier en om tussen volk te staan dat niet moet werken die dag.
  • Het Spotfestival is visueel interessant op biologisch gebied: de mannen konden niet geloven hoeveel knappe vrouwen ze zagen, de vrouwen konden niet geloven hoeveel knappe mannen ze zagen.
  • Denen tolereren de geur van worst in een verder ontzettend geschikte festivalhal onder een sterrenhotel. Sommige Belgen vinden dat de worstenlucht naar muffe scheten ruikt en worden er een beetje onpasselijk van. In dat opzicht, en enkel in dat opzicht, lijken Denen op Duitsers.

Penny Police, die lijkt op Drew Barrymore, werd een beetje gehinderd door een betonnen stutpaal in het hoekje van de enorme foyer van het Musikhuset waar ze geprogrammeerd stond samen met haar rechtstaande drummer, accordeonspeler en toetsenist. Dat het publiek bij de rustige nummers op de grond wou zitten als betoverd en dat er volk toestroomde op een nabijgelegen trap, is ook een goed teken. Na twee nummers sprak ze haar genietend publiek toe, en vroeg ze het vriendelijk om rechtop te staan voor de dansbare nummers. Penny Police beheerst de kunst om hemelse autoharpklanken te produceren en een publiek te verleiden met een geheimzinnige rust.

City Syd was de beste popgroep die we hebben gezien op Spot. Ze zingen in hun eigen taal. Hun mix van Abbapop, indie, Supremessoul en jaren 80 synths was verfrissend. De taak van leadsinger werd afwisselend (maar even subliem) uitgevoerd door de bassist, die vooraan in het midden stond, door een kerel met een bles en een wit kostuum uit de Duitse jaren 80 die vooral synth speelde maar ineens onverwacht een saxofoonheld bleek te zijn, en ten slotte door een blonde schone achter een synth die kon zingen als de Pointer Sisters en af en toe steels naar het publiek keek. Tussendoor zongen ze samen de mooiste backings die we het hele weekend gehoord hebben. Check “Rejsefeber” en “Forelsket”.

Jammer dat we een bezoekje aan de nieuwste zaal, Godsbanen, tot het allerlaatste moment uitstelden. Het was tot voor kort een goederenpakhuis: een hangarachtig gebouw op een zanderig strookje berm bij drie slapende treinen met brandende koplampen. Vanbinnen is het erg eigenzinnig gebouwd met betonnen stutpalen en een industrieel hoog plafond dat in rare driehoekige punten schuin afloopt. Het doet een beetje aan MOD in Hasselt denken.

De activiteiten voor de dag waren net afgerond, dus het was bijna leeg. Er stonden oude loungezetels, een minipodiumpje waar een traditionele folkband (violen, accordeon) een klein boombal op gang trok voor nog ongeveer 5 plaatselijke danslustigen. Als ware Belgen zetten we ons er even neer om de boel in ons op te nemen. Tegen een wand stond een oude ghettoblaster met cassettedek, twee koptelefoons en twee krukjes. Daar gingen twee Deense meisjes op staan dansen. Een privéshow was dat, en een voorbeeld van hoe de bedeesde Denen zijn als ze wat gedronken hebben.

Als afsluiter van het festival zagen we de supervette disco, die af en toe heerlijk omsloeg in akoestische techno, van Vinnie Who. Deze hoogst androgyne jongeman die een foute jaren 90 jeans had opgetrokken tot onder zijn magere oksels, wist de zaal tot dansen te brengen en te hypnotiseren met zijn rustige sierlijke zwaaibewegingen en slow motion kushandjes. Nog nooit hebben we een vrouw zo zacht en vrouwelijk staan doen op een podium, en vertraagde kushandjes zien werpen naar het publiek, en dit is technisch gezien een man. Niemand anders komt hier mee weg, maar hij wel, want hij is volkomen echt en zijn muziek is ronduit geweldig. Vinnie Who mag dan nu nog volslagen onbekend zijn, dit is gewoon een ster.

We zagen een soundcheck van Bloodgroup die puur op het gehoor super klonk van sound: live cello, blikkerige triphop in de stijl van Portishead. Maar er ontbrak toch iets onderweg van oor naar lijf en hart. Want hoewel we vanaf het cafégedeelte, dat afgescheiden was door een toog van de wederom erg toffe vierkante zaal VOX (met staand balkon) alles konden horen, keek niemand op of om. We zeiden nog tegen enkele Nederlanders, die van ongelofelijk kraagloos plat bier nipten en de vermoeidheid uit hun ogen wreven, dat een meisje op het podium met aandachttrekkende zang als Portishead normaal gezien wel mannenblikken moest lokken, dus dat er iets mis was. Ze keken even over hun schouder om wat er op het podium aan de gang was te monsteren en zuchtten eens diep en ongeïnteresseerd. Les: als je sirene-achtige muziek maakt, moet je ook een Lorelei zijn, want anders loopt er ergens iets scheef tussen groep en publiek.

Flødeklinikken overdonderde ons dan weer wel, met hun vette hiphop met live drum, een rapper, een zanger, af en toe een stukje reggaedancehall , techno, een old school scratchende dj, en een zangeres achter een synthesizer die er een aantal maten sexy triphop van maakt als dat even zo uitkomt. Dankzij hun vele verrassende wendingen hebben wij in elk geval ons gat eraf gedanst. Laat ze los in Petrol in Antwerpen, of op eender welk podium waarvoor je kan dansen en springen, en we zijn er zeker van dat het dak eraf vliegt.

Jonas Alaska brengt uptempo countryfolk en ook een paar gevoelige solonummers op akoestische gitaar. Zijn nummers zijn OK, en hij brengt ze zeker goed, maar we zijn er toch niet wild van. Het lijkt alsof hij een band op sleeptouw heeft die wel de juiste klank tovert, maar die qua uitstraling niet bij hem aansluit. Alsof hij al ster is en de band straalt nog niet; dat ziet er raar uit.

Wat wel leuk was om naar te kijken: een seminarie waar Keith Harris, de manager van Stevie Wonder, vertelde over zijn ervaringen in de muziekindustrie. Waar krijg je nog de kans om zo iemand te horen? Spotfestival is gemoedelijk, verzorgd, loopt over van goede wil en draait echt om het ontdekken van nieuwe groepjes. Dat er dan hier en daar iets wat flauwer gekruid uitvalt dan gedacht, is niet erg. Dan hop je gewoon naar een andere onbekende groepsnaam, er zit nergens een zwart gat in de programmatie, je kan op elk moment verschillende keuzes maken en zoals gezegd: je struikelt er bijna over de podia.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

een × een =