Swans :: 30 maart 2013, Trix

“Monolithisch. Cathartisch. Visceraal. Intens. Luid.” Of nee, wacht: OORVERDOVEND LUID. Wie van plan is om naar Swans te gaan kijken, die wordt op voorhand gewaarschuwd. Swans doet immers niet aan half werk. Trix doet zelf ook een duit in het zakje door elke bezoeker te waarschuwen voor het extreme volume en gratis oordopjes in handen te duwen. Die waren nodig, al voelden we ons achteraf niet helemaal een ander mens. De motor van het afbraakteam sputterde hier en daar.

Maar eerst Jamie Stewart, al jarenlang de bezieler van de duiventil genaamd Xiu Xiu en nu de uitverkorene om de misviering af te trappen. Dat deed hij alleen, in maatpak en das, en met een gitaar omgegespt. Deze keer dus geen uitgebreide arrangementen, weldadige instrumentatie of kitscherige elektro, maar een half uurtje ongemakkelijke gospelsongs met een pervers randje. Vogelgeluidjes ondersteunden Stewarts hymnes, die vooral leken te gaan over religie en geweld. Z’n merkwaardig onbewogen présence was op het akelige af en die recente samenwerking met Eugene Robinson van Oxbow (als Sal Mineo) leek plots weer te kloppen.

Deed Stewart het ene moment denken aan een combinatie van Chris Isaak en Scott Walker, vooral door die theatrale trilling in z’n stem, dan schoot hij nu en dan uit in een hoger register, om te klinken als het halfbroertje van Feargal Sharkey. Het had allemaal boeiend kunnen zijn, ware het niet dat de eenvormigheid er een stokje voor stak. De compacte songs werden na een paar stuks inwisselbaar, iets waar het weinig geïnspireerde gitaarspel geen verandering in kon brengen. Anderzijds: waarom zou je over monotonie klagen als er nog twee uur en veertig minuten gedaver te wachten staat?

Sinds z’n pioniersdagen in de vroege jaren tachtig is Swans immers berucht om z’n genadeloze volume en idioot monotone kastijdingen. Het was het minimalisme van Suicide en de industriële kilte van Einstürzende Neubauten, maar dan in een no wave-saus gegoten: gemeen beukend, gewelddadig en ijs-, ijskoud, met Michael Gira’s grafdelversstem die woorden blafte, fluisterde en spuwde over seks, dood, religie en walging. Een paar stappen voorbij het kolderieke van de death metal en grindcore. Gaandeweg liet Swans meer licht toe in z’n oeuvre, iets dat ook verdergezet werd na de comeback van een paar jaar geleden, met de majestueuze rockopera The Seer (2012) als voorlopige culminatiepunt.

De hardcore fans zullen het misschien niet graag horen, maar die plaat blonk soms ook uit in subtiliteit, vooral dan door de rijke instrumentatie en zeer uitgekiende opbouw van de epische stukken. Daar bleef nu echter weinig van over. Alles stond in het teken van het kolossale volume, dat elke nuance overboord kieperde (je zag percussionist Thor Harris nu en dan wel naar een klarinet of trombone grijpen, maar veel viel daar niet van te merken) en vooral op de fysieke sensatie mikte. Met de aanzwellende opener “To Be Kind” (net als een paar andere stukken nog niet op album verschenen) zat het wel meteen goed. Het sextet pakte uit met een granieten grandeur en lompe oerkracht, terwijl Gira met de armen zwaaide als de bastaardzoon van Glenn Branca en een personage uit een roman van Harry Crews of Cormac McCarthy.

Van “Mother Of The World” werd een galeienritme gebruikt om minutenlang genadeloos in te hakken op het publiek, al verzandde de song snel in een overgang die ongeïnspireerd werd uitgewerkt. En dat was meteen ook het grootste struikelblok. Het is misschien wat lullig om te vragen naar wat afwisseling tijdens een concert van Swans, maar het is opmerkelijk dat de band anno 2013 voortdurend de geluidsmuur dichtplamuurt. De geluidsgolven blijven pieken en pieken en pieken, met technieken en klanken die net zoveel gemeen hebben met de wereld van de drones en postrock, maar dat zorgt voor een vlakke dynamiek die na een tijd erg plomp wordt. Daarom was het sobere geweld van “Coward” ook zo effectief. Dàt was de Swans van de agressie, van de haat, van de pijn. Elke collectieve slag was een bloederige muilpeer. Meteen ook het hoogtepunt van de avond.

De band hanteert altijd een beperkte setlist (wat wil je ook, als je nummers rond de 15-20 minuten duren), varieert daar wat op en schaaft wat bij van avond tot avond. Deze keer viel er ook redelijk wat nieuw materiaal te horen (er passeerde alleszins heel wat muziek die niet op de albums staat) en leek het erop dat ze het monumentale “The Seer”, waar ze hun publiek al mee verlamden lang voordat de song op een album verscheen, gingen achterhouden. Uiteindelijk haalden ze het toch boven, maar dan zaten ze al 1u45 minuten ver in de set. Dat sluitstuk is van een verlammende monotonie en wordt doorgaans uitgebreid met een paar coda’s die langer duren dan een gemiddeld punkconcert. Om dat tot een goed einde te brengen moet je alles in de strijd gooien, moet je je bewegen op het scherp van de snede en dat mankeerde nu. Het herhaalde blaffen van “TOUSSAINT LOUVERTURE” was niet indringend of intens, maar theatraal en pompeus. Swans klonk in z’n finale zwaar en luid, maar vooral log. Corpulent log. En helaas ook: ongevaarlijk log. Als een gevaarlijk sterke tegenstander die zo traag is dat hij je niet kan raken.

En laat dat nu net zijn wat ons oorspronkelijk aantrok in Swans: de ziedende bezetenheid, de misselijkmakende intensiteit, het gevoel dat je op elk moment iets onherstelbaar gaat overkomen. Het mes op en eventueel door de keel. Dat ontbrak nu, waardoor je nog steeds sufgebeukt werd, maar onderging op een onverschillige manier. Swans live was ook nu een belevenis, maar vooral door het volume. Bij een concert van Swans willen we pijn voelen, geconfronteerd worden met angsten en gewurgd worden, maar deze houdgreep had, ondanks het oorverdovende volume en het haast groteske gewicht van de muziek, te weinig overtuigingskracht om 160 minuten te rechtvaardigen.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

10 − negen =