de portables :: 14 maart 2013, STUK

“Wij Belgen groeiden niet op met The Beatles of The Stones; wij hadden platenwinkels”; het moet zowat de meest geciteerde uitspraak van Mauro Pawlowski zijn, maar geen band belichaamt het idee beter dan de portables. In hun zeventienjarige carrière hebben de groepsleden ongeveer elk muzikaal genre wel eens aangepakt, en telkens weer met sprekend gemak en grote kunde die vlotjes achter nonchalance werden verstopt.

Vreemd dus dat de groep in kunstencentrum STUK na de afgelasting van Say Say plots in het café moet spelen. Met voor hun neus een paar Carcassonne-spelende meisjes, en her en der een meer in streekbieren geïnteresseerde ouderling. Het deert de groep niet echt; die heeft al gekkere watertjes doorzwommen, dit kan er nog wel bij.

Opener “The Final Arrangement” is al meteen een lo-fi indiepopparel die meteen de sterktes en zwaktes blootlegt. Jürgen De Blonde is nog steeds geen geweldige zanger, maar wel een songschrijver van hoog niveau. De andere groepsleden kleuren kundig in en vullen aan met schone samenzang. /p>

Volgt “Breasts”; een ritmische track van op de oude EP Cherubijn. De groep laat het hoekige nummer gieren, maar brengt het in een nodeloos lang durende outro ook pingelend bijna tot stilstand. Waarna het tijd is voor een eerste half grapje-maar-niet-heus. “Regenbomen” mag dan immers niet meer lijken dan een West-Vlaamse onnozeliteit, het wordt ook gedragen door een bloedmooie melodie van gitarist Wio. Terecht een single dus. Zelfs al duurt ie maar krap twee minuten.

Ooit was er het idee, of de grap om van laatste plaat It’s Time To Leave This World Behind een concept-LP te maken. Veel blijft daar niet van over of het moet het psychedelische vierluik “Space” zijn, waarvan de groep vanavond delen I en III brengt. De Blonde laat zijn gitaar oploeien als ware hij Neil Young en de band bouwt een epische track uit die je alle sterren van de hemel doet zien, vooraleer dat tweede deel de dronerock van The Velvet Underground in herinnering brengt.

In de laatste beweging wordt nog even gegraaid uit John Terra, hun vorige plaat. “Een ode aan de beste intro aller tijden, die van “De dag dat het zonlicht niet meer scheen””, zo kondigt De Blonde de titelsong aan, een rammelende en stampende instrumentale verkenning van het Queens Of The Stone Age-geluid. Want ze willen toch alles eens geprobeerd hebben. “Camper”, dat alweer, maar deze keer een andere Neil Young in herinnering brengt, is dan weer gemoedelijke folkrock om de bergen van het Massif Central op te doorkruisen.

Eindigen doen de portables in stijl; met een uitzinnige, epische cover van Marco Borsato’s “Rood” die het schlagernummer tegelijk door de geïnverteerde hardcoremangel van Slint haalt en het moeiteloos paart aan de fascinatie voor trance van de groepsleden. Het is een triomfantelijk “zie eens wat wij kunnen en durven” dat charmeert. De biscover “Wild Horses Couldn’t Drag Me Away” — een oude kraker van Gino Vannelli — voelt nadien zelfs wat gewoon aan.

Elke keer opnieuw die vraag: moeten we de portables nu nog maar eens “het best bewaarde geheim van België en bij uitbreiding Europa” noemen? En telkens kunnen we niet anders. Dat een groep van dit kaliber voor een slechts half geïnteresseerd café moet spelen, het is van een onbegrijpelijkheid die zelfs Fransciscus I niet aan de duivel zou durven wijten. Nog maar eens dus? Vooruit dan maar: check die portables uit. Nù.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

elf − 6 =