Neurosis :: Honor Found In Decay

Neurosis beluisteren en bespreken, dat is zweten. Wikken en wegen, en vervolgens opnieuw beginnen. Het is, kortom, werken. Niet dat het te veel gevraagd is, want bands van dit kaliber kom je maar een keer per generatie tegen. Een belevenis is zo’n nieuwe plaat sowieso, ook met deze tiende, al is de overdondering net wat minder dan bij Given To The Rising, intussen al vijf jaar geleden.

Vanaf de wedergeboorte van Souls At Zero, dat volgde op twee eigenzinnige hardcoreplaten, kan je Neurosis’ songs (eigenlijk stuk voor stuk epische veldslagen die net zo goed eeuwen verder kunnen leven in een of andere orale traditie) indelen in grofweg twee categorieën: trage tot midtempo beukers die je met je hele hebben en houden tegen de muur kwakken en een bulldozerdans op je gebroken ledematen doen, of trage tot mid-tempo rockers die je met je hele hebben en houden tegen de muur kwakken en daar gewoon achterlaten. Dat is, een atmosferisch of folkachtig overgangsstukje daargelaten, de voorbije twintig jaar nooit anders geweest en dat zal vermoedelijk ook niet veranderen, zolang de heren hun nevenprojecten hebben om andere dingen mee uit te halen.

Zowat elke plaat sinds Soul At Zero klokte af op zestig à zeventig minuten, met songs die zelden onder de vijf minutengrens duiken en vaak flirten met proglengtes. Het verschil is dat Neurosis het, ondanks die ronduit debiel zware geluidsmuren, doorgaans redelijk eenvoudig speelt. Er bestaat een recept waar ze zich doorgaans aan houden en dat structurele bombast resoluut kortwiekt. Het is zo al genoeg om deze songs met die waanzinnige intensiteit te brengen. Mastodongefriemel zou daar ongepast zijn. En met de zeven songs van Honor In Decay, stuk voor stuk stappen op weg naar een nieuwe Apocalyps, is dat niet anders. Ondanks een hele resem kalmere passages, die meer dan ooit gekleurd worden door toetsenman Noah Landis, is dit weer een plaat met gargantuesk gewicht.

Het kwintet mag dan wel een stuk minder agressief en lelijk klinken dan het deed ten tijde van Enemy Of The Sun en Through Silver In Blood (leg ze nog eens op en de gemene verbetenheid komt aan als een schok), maar de maturiteit, sterkere innerlijke rust (alles is relatief) en ervaring doet het klinken als een meer geoliede, majestueuze kolos die weet dat er niets in zijn weg gelegd zal worden. Minder spannend, maar meer efficiënt. In de meeste gevallen leidt het tot prachtsongs die je zelfs na tien beluisteringen opnieuw en opnieuw wil beluisteren, nog steeds in ongeloof, maar een paar keer kregen we wel het déjà-entendu-gevoel of werd er gewoonweg te lang voortgedenderd.

Neem nu “My Heart For Deliverance”, dat na een aanloop van twee minuten losbarst in die typische Yeti-metal. Het klinkt allemaal overtuigend en oprecht (dat doet het altijd), maar je kan je niet van de indruk ontdoen dat die combinatie van primitieve impact en heimelijke melancholie iets te lang uitgemolken wordt. En dan kan zelfs zo’n catharsismoment geen soelaas brengen. Idem voor “Casting Of The Ages”: een lange intro (die verdacht veel weg heeft van “Origin” uit Given To The Rising) en tergend traag gezwalp met gepijnigde zangpartijen en religieuze allure, maar ook net iets te veel corpulente Wagnerambitie om te blijven boeien. Het is op zo’n momenten dat je begrijpt waarom sommige mensen moeite blijven hebben met de epische donderpreken van een band die zelden een glimp daglicht toelaat in zijn muziek.

De rest van de songs haalt echter moeiteloos het verwachte niveau. Opener/hoogtepunt “We All Rage In Gold” valt op door z’n rollende, bijna aanstekelijke ritme; een botte, maar efficiënte dodenmars die de koppen nogal op en af zal doen gaan bij de volgende liveronde. En Scott Kelly, die raast er maar op los, het ene couplet na het andere brullend over die traditionele ingrediënten natuurelementen, bloedverwantschap en de dood. De spirituele reizen van Neurosis lijken steeds opnieuw inspiratie op te doen bij primitieve stammenculturen, heroïsche oorlogsverhalen en Griekse mythologie, wat nog eens ondersteund wordt door die tribaal bonkende ritmesectie en het uitgebreide, soms versmachtende, maar net zo vaak strelende klankenpalet van Landis, die deze keer echt een centrale rol speelt.

“At The Well” sluit dichter aan bij het solowerk van Von Till en Kelly en labelgenoten U.S. Christmas, die ook al zo’n combinatie van verweerde roots en pompende slugde maakten. Die huilende gitaren, getormeerde zang en het stampende ritme zorgen voor een enorme dynamiek, die voor een groot stuk weer te danken is aan het fenomenale werk van Steve Albini (die intussen voor de halve discografie achter de knoppen stond). Buitenbeentjes “Bleeding The Pigs” en “All Is Found… In Time” vallen ook op: de eerste door een gemene onderhuidse spanning (zelfs naar Neurosisnormen) en een werkelijk verbluffende explosie/kopstoot, de tweede door een spetterende, stuwende oerkracht die nog eens bevestigt hoe opwindend Neurosis kan zijn als hij soms eens uit die ultralogge ritmes komt.

In vergelijking met een paar oudere albums bevat Honor Found In Decay eigenlijk minder vulsel en tussenstukjes die het soms nog minder verteerbaar maken dan het al was, maar anderzijds heb je toch ook een paar keer het gevoel dat de band misschien iets té sterk terugvalt op een paar van zijn kernkwaliteiten. Daardoor is het album wel een heel samenhangende en zelfs opmerkelijk toegankelijke plaat — opnieuw, naar Neurosisnormen — maar mis je een “Water Is Not Enough”, een “The Doorway” of een “Locust Star”: songs die ook buiten albumcontext verbluft naar adem doen happen.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

vijftien + 20 =