Els Vandeweyer + Anthony Braxton :: 20 oktober 2012, AMUZ (Antwerpen)

Naarmate Anthony Braxtons leeftijd stijgt en zijn discografie overgaat van kolossale naar gargantueske proporties, is zijn status als de absolute koning van de bufferzone tussen jazz en avant-garde enkel nog versterkt. Anno 2012 is het werk van de man de onbetwiste mindfuck van de denkende muziekminnaar, wat bewezen wordt door een klein, maar loyaal leger dat de stappen van de meester met maniakale verbetenheid volgt. Dat heel de waas van intimiderende ondoordringbaarheid een beetje buiten proportie geblazen is (maar niet helemaal), werd bewezen met een zeldzaam, en naar verluidt laatste, soloconcert voor altsax.

Drieëneenhalf jaar geleden leerden we Els Vandewyer kennen, toen ze een set speelde met een paar leden van The Vandermark 5. We spraken toen van een jong talent om in de gaten te houden en bijna schreven we nu hetzelfde. De redenen? Jonge gezichten zie je nu eenmaal niet zo vaak binnen de werelden van vrije improvisatie en avant-jazz, maar het feit dat Vandeweyers discografie zo beperkt is, zal er ook iets mee te maken hebben. Ze maakt al even deel uit van de Berlijnse scène, speelde al een paar samen met Fred Van Hove (en volgende week nog eens op het Follow The Sound festival) en we zagen haar deze zomer op het Konfrontationen festival nog in de weer met Ute Wasserman en Aleks Kolkowski, maar het is nog altijd moeilijk om uit te maken waar Vandeweyer nu eigenlijk voor staat.

Het was dan ook een kleine verrassing om haar te zien uitpakken met een drie kwartier durende set die uitblonk in coherentie en dosering van ideeën. Deze keer dus geen grillige interventies en nadruk op schijnbare chaos, maar een erg geslaagd samengaan van doordachte, soms bedwelmende composities, met ongebruikelijke technieken. Daarvoor was Vandeweyers vibrafoon gepimpt met doosjes, had ze een paar cimbalen erbij gehaald en een tafeltje vol stokken en andere hulpstukken. Doorheen haar set zou ze dat materiaal allemaal gebruiken. Soms iets te dwangmatig, want de continuïteit van haar stukken aanvankelijk niet altijd ten goede kwam, maar steeds inventief.

Zo kwam ze al de sacristie uit gewandeld met een paar metalen stokjes, waarmee ze vooral ritmisch in de weer kon zijn. Voor Vandeweyer is de vibrafoon dan ook een zeer percussief instrument, dat op de meest uiteenlopende manieren betimmerd kan worden. Dan lijkt ze op een drummer in een wereld van klankkleur. Het eerste stuk aan het instrument startte met weldadige sustain, die daarna gebruikt werd in een stuk dat opviel door zijn directheid. Geen bruuske intervalsprongen, maar rollend verkeer over het metaal. Voor een tweede stuk, “The Predator”, haalde ze inspiratie bij The Thing. Daarop volgde niet de krachtpatserij die je zou verwachten, maar de openheid.

Vandeweyer ging zich opnieuw te buiten aan ritmische spelletjes, raasde de vibrafoon op en af, gebruikte geblutste blikjes en zette het op een semihysterisch hinniken. Het leek even alsof Shelley Hirsch en Diamanda Galas van de partij waren. Bezorg een opname aan Zorn en die is vast geïnteresseerd. Gaandeweg ging ze haar focus vernauwen, wat de performance een meer geconcentreerde intensiteit gaf. Met een stuk waarin ze gebruik maakte van een soort parelsnoer, creëerde ze onheilspellende soundtrackachtige atmosfeer (live begeleiding bij Hitchcockfilms is een optie!), terwijl ze in het slotstuk zat te rotzooien met kettingen in een Quality Street-doosje. Het was ook daar dat ze de meest minimalistische aanpak hanteerde.

Er waren momenten van vrije improvisatie – inclusief de fascinatie voor vreemde geluiden en materialen – maar die werden ingezet in een stuk dat vooral uitblonk in melodische en harmonische rijkdom, met een indrukwekkende dynamiek. Je ging je afvragen wat een effect het zou hebben gehad als Vandeweyer achter een gordijn stond. Het haast serene einde was bloedmooi. Een knappe bonus was het ‘liedje’ dat ze speelde met haar intussen befaamde handschoentjes: een dartel swingend stukje Monk dat al net zo probleemloos overtuigde als de set ervoor. Daar werden zieltjes gewonnen.

Van de AACM-kliek, met daarin o.m. blazers als Roscoe Mitchell, Henry Threadgill, Joseph Jarman en Fred Anderson, stuk voor stuk figuren die niet alleen verder bouwden op de jazztraditie, maar vaak ook werkten aan de integratie van ideeën uit de moderne klassiek in hun muziek, is er geen die zo dicht bij de traditie van de Westerse gecomponeerde muziek is gaan staan als Anthony Braxton. Dat is ongetwijfeld een van de redenen waarom de muziek van de improviserende componist afschrikt door zijn cerebrale gewicht en waarom hij altijd de lieveling is geweest van Europese intelligentsia. Braxton kan je, zeker als je z’n composities voor grotere bezettingen en opera onder de loep neemt, zonder dralen indelen bij de hoek van de avant-garde, maar dan wel met de bedenking dat de jazz bijna altijd een constante factor blijft. Hij is vermoedelijk zowat de enige die Duke Ellington, Charlie Parker, John Cage én Arnold Schoenberg wist (of durfde) te synthetiseren.

De manier waarop hij dat doet is echter uniek en daar klopt het wel dat Braxton een van de meest originele denkers binnen de muziek is. Hoewel hij in staat is tot vurige vrije improvisatie (een mooi bewijs daarvan kan gevonden worden op Beyond Quantum uit 2008, met William Parker en Milford Graves) en nog steeds diep geworteld is in de jazztraditie (zie daarvoor de talloze albums en box sets die de voorbije jaren gevuld werden met standards), is zijn aanpak soms zo analytisch, zo geobsedeerd door structuur en gefascineerd door de bestanddelen van muziek, tot op microniveau, dat hem aan het werk zien iets heeft van een rondleiding door een nucleair laboratorium: de zorgvuldigheid en procedures staan centraal.

Soms geeft dat een heel merkwaardig effect binnen zijn muziek, zoals in het eerste stuk dat hij liet horen. Het was het meest traditionele, dat vertrok van uit een lyrische aanzet, ronddrentelde op balladeterrein en vervolgens overgenomen werd door die kenmerkende meesterlijke controle, die de melodie compleet ontrafelde en toonladders op en af joeg. Er zaten decennia traditie in – zo leek het even bijna een Lester Young-hommage te worden en werd meer dan eens aangeleund bij het messcherpe werk van Jackie McLean -, maar Braxton slaagt er soms in om minutenlang te soloren in een jazztraditie zonder de blues, zonder de spiritualiteit en rauwe randjes. Vuur en snelheid zijn zeker niet afwezig, maar fungeren voortdurend in een gecontroleerde omgeving.

Nochtans was ook in deze set aardig wat variatie te bespeuren. Vanaf het tweede stuk ging de man meer ongewone technieken verwerken, en dat gebeurde nooit gratuit. De circulaire ademhaling werd in het ene stuk voortdurend voorzien van vuile uitschieters, het opduiken van de stem in het instrument, en haast etherische golven waarmee hij op het meditatieve terrein van Philip Glass-saxofonist Dickie Landry leek te komen. Die zweverige geluiden weden dan weer aangevuld met reutels en hyperintense notenslierten die soms een parodie op bij Rimski-Korsakovs “De vlucht van de hommel” leken. En maar op en af en op en af, nu en dan piekend in het hoge register van Colin Stetson en nog eens herhalend waar figuren als John Zorn en Tim Berne een deel van hun mosterd vandaan haalden.

Slechts een keer was er het gevoel dat de man te ver ging in de staalkaart van zijn kunnen, toen hij binnen een stuk zoveel routes uitprobeerde – het verwerken van klassieke crescendo’s, heftig kleppengetrek, staccato reeksen, laag geronk, hysterisch gepruttel, hijgerige tongue slapping, etc – dat het vooral iets weg had van een overmannende demonstratie. Even indrukwekkend als vermoeiend. Net als Vandeweyer ging Braxton naar het einde van zijn set iets minimaler spelen, de ene keer nog maar eens met vliegenvlugge riedels die de onwerkelijke snelheid van Johnny Griffin en John Coltrane nog eens verdubbelde, daarna met meer ingetogen koers en tenslotte een geluidsexploratie met soms dierlijke erupties, die aan het werk van geweldenaar Mats Gustafsson herinnerden. De stoombootsound (op altsax!) galmde machtig door de Sint-Augustinuskerk.

Speelde Braxton een indrukwekkend concert? Zeker weten. Het deed goed om hem te horen binnen de context die hem definitief op de kaart zette (zijn For Alto was het eerste solosax album), al bevestigde het ook voor een stuk dat ’s mans kunst niet voor iedereen weggelegd is. Jarenlange obsessie voor de muziek als wetenschap (of de wetenschap in muziek) – iets dat zich uit in vaak onbegrijpelijke, muziektheoretische teksten als kader voor zijn werk, zelfontworpen multi-dimensionale methodologieën, en composities en albumtitels vol nummers, namen en locaties – hebben van Braxton een technisch superieur, intellectueel overweldigend muzikant en componist gemaakt die vooral impact heeft op het hoofd (hij wordt niet zomaar de James Joyce van de jazz genoemd). Dat is iets dat ook vaak voorkomt bij Braxton alumni als Mary Halvorson, Jessica Pavone en Taylor Ho Bynum. We missen daarin soms het hart en het primitieve instinct van een Joe McPhee – een muzikant die met één ingeving, één simpele noot, je hart uit elkaar kan rukken -, al kan je niet anders dan bewondering hebben voor de onverzettelijke toewijding van de professor.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

17 − een =