ParaNorman

De laatste jaren van de vorige eeuw. Na een onafgebroken hegemonie van zo’n zes decennia komen er barsten in de scepter waarmee Disney sinds Snow White and the Seven Dwarves de plak heeft gezwaaid in animatiefilmland. Met The Prince of Egypt deed DreamWorks een gooi naar de macht, maar Disney had dan zelf al een opvolger naar voren geschoven, en met de hattrick Toy Story, A Bug’s Life en Toy Story 2 besteeg Pixar Animation Studios de troon. In de schaduw van de grote spelers is er altijd een derde categorie geweest die koppig zijn eigen zin bleef doen, en daar steeds meer en meer krediet voor kreeg: stop motion-animatie werd al gebruikt in de jaren ’20, en leidde vooral de afgelopen twintig jaar tot een aantal films die kwalitatief gezien de output van DreamWorks ver plegen te overtreffen en zich nu en dan zelfs met de Pixarparels konden meten – denk The Nightmare Before Christmas, Chicken Run, Corpse Bride, Wallace & Gromit: The Curse of the Were-Rabbit of The Fantastic Mr. Fox. Met Aardmans Pirates!, de horrorkomedie ParaNorman en Tim Burtons Frankenweenie op het programma, en een tweede ‘misser’ op rij van de kant van Pixar (hoewel dat relatief blijft: Brave torent, vooral op visueel vlak, nog steeds boven alle concurrentie uit, maar dit geheel terzijde), leek 2012 een overwinning voor de stop motionambacht te worden. Dubbel jammer dus dat ParaNorman eigenlijk een stevige teleurstelling is.

De ParaNorman uit de titel heet eigenlijk gewoon Norman Babcock: een op het eerste gezicht normale jongen van een jaar of elf met weerbarstig piekhaar en flaporen. Norman heeft echter een nerdy fascinatie voor het type B-horrorfilms met hersenetende zombies in de hoofdrol, én kan daarenboven ook met overleden mensen praten, iets wat hem weinig populair maakt bij zijn ouders en zijn oudere cheerleaderzus, en nog veel minder bij de andere leerlingen op school. De enige die het wel met Norman kan vinden (meer dan dat Norman het met hem kan vinden, overigens) is Neil, omwille van zijn vetrolletjes, sproeten en rosse haar zo mogelijk een nog dankbaarder mikpunt voor pesterijen. Zijn lichtjes gestoorde Uncle Prenderghast, voorzien van de titel van dorpsidioot en van dezelfde gave als Norman, draagt hem op om de vloek te breken die een jonge heks driehonderd jaar geleden over het dorp uitsprak, om te vermijden dat zeven ondode 18de-eeuwers hun graven verlaten en de boel op stelten zetten.

Je kan ParaNorman natuurlijk geen horrorfilm noemen, maar het groezelige sfeertje dat de film zich in navolging van de Tim Burtongerelateerde animatiefilms aanmeet, blijft behoorlijk zeldzaam en misschien net daarom uiterst plezierig voor het animatiegenre. Regisseurs Chris Butler en Sam Fell zullen zelf ook wel zo’n ouderwetse zombiefilm kunnen appreciëren, en de ondoden die ze tevoorschijn toveren – mompelend, kreunend en strompelend, de armen vooruitgestrekt – ademen dan ook plezier uit. In hetzelfde opzicht is trouwens ook de proloog geweldig: een fragment van een van Normans favoriete horrorprenten, waarin een kruising tussen het monster van Frankenstein en een Romero-creatuur op zoek gaat naar de schedelinhoud van een krijsende jonge vrouw wiens schoenen al stevig met hersenen besmeurd zijn. Om maar even te zeggen: onze sympathie had ParaNorman vanaf minuut één te pakken.

En toch, en toch: we zouden liegen mochten we zeggen dat de film dat niveau aanhoudt. Vooreerst is daar een plot die eigenlijk weinig uitstaans heeft met kitscherige horror en deels uit een oude papiermand met vergeten levenslessen lijkt gehaald, waarvan ze nauwelijks de moeite hebben genomen die deftig af te stoffen. Oké, pestkoppen zijn verkeerd, en je mag mensen die ‘anders’ zijn niet veroordelen – een moraal die aan het einde weinig subtiel wordt duidelijk gemaakt in een metafoor die er eigenlijk geen is. Dat soort opgestoken wijsvingers kunnen dan misschien wel opvoedkundig verantwoord zijn, maar ze doen stevig wat afbreuk aan de pret die de film zou moeten bieden, en staat bovendien haaks op het Hammersfeertje dat ParaNorman probeert te verwerven. Bovendien had het verhaaltje op zich wel wat extra stuwkracht kunnen gebruiken, en mist de op de emoties mikkende climax totaal zijn effect.

Jammer genoeg durven de makers op humorgebied niet echt de kaart van eigenzinnigheid en over-the-top-humor te trekken die wij met zeven op hersens beluste zombies associëren, en wordt de komische verantwoordelijkheid vooral bij de personages gelegd, die echter, op z’n zachts uitgedrukt, van een weinig memorabel niveau zijn. Ondanks een uiterst adequate stemmencast – Kodi Smit-McPhee, John Goodman, Casey Affleck, Anna Kendrick en Christopher Mintz-Plasse – zijn sommige sidekicks – we denken dan vooral aan Normans zus Courtney en Neils broer Mitch – hemeltergend cliché, zowel qua vormgeving als qua handeling en dialoog. Neil heeft dan weer wel zijn momentjes (qua uiterlijk lijkt die trouwens voor de volle 100 procent geïnspireerd op zijn stemacteur, Tucker Albrizzi), en vooral pestkop Alvin schiet soms vol in de komische roos, wat grotendeels op het conto van stemacteur Mintz-Plasse – voor één keer niet de gepeste nerd – mag geschreven worden.

Het is dus niet allemaal kommer en kwel, hoewel we het ook wel een klein beetje betreuren dat ParaNorman zich voor een stopmotionfilm behoorlijk veel op computereffecten baseert. Natuurlijk, heksenvormige wolken en groenige, doorschijnende geesten laten zich niet meteen in klei of poppetjes vormen, maar de kracht van stop motion lijkt ons net het gevoel dat die figuurtjes allemaal fysiek aanwezig zijn in de decors – let maar eens op de prachtige scènes in Normans kamer – waardoor die meteen ook authentieker aanvoelen dan computergeanimeerde varianten, en zich bovendien op een voor animatiefilms ongeziene diepte kunnen beroepen – de duidelijk vanuit commercieel oogpunt ingestelde 3D voelde dan ook compleet overbodig aan.

Er schort dus toch wel wat aan ParaNorman: de film heeft zijn kwaliteiten, maar die komen veel te weinig aan de oppervlakte en kunnen het dan ook niet echt halen van de talrijke mankementen. Het had vast en zeker geen kwaad gekund mochten de makers meer zijn trouw gebleven aan de premisse van hun proloog – een foute horrorkomedie! opengespatte hersens! old school zombies! – en zich niet zoveel hadden aangetrokken van wat het de 21ste-eeuwse elfjarige van animatiefilms verwacht: een gepast onderdeel ‘foute B-filmhorror’ in de opvoeding kan ons inziens immers nooit kwaad.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

4 + 11 =