WERCHTER 2012 :: Freggles, bikini’s en Iets Enorm Idioot

Dag drie :: Meeslepend gezapig

De derde dag, dan raakt een festival gerodeerd. De spieren mogen stram zijn, de benen stijf, met de ochtendkoffie van onze (mvs) achter de kiezen, is enola klaar voor een nieuwe etappe in deze muziekmarathon.

Winnaars op Werchter:
Wie meer Werchterverslag wil, klikt voor de langere verslagen van de tien beste concerten hieronder.

En we zijn duidelijk niet alleen. Het is opvallend hoeveel volk James Vincent McMorrow in de prille voormiddag aantrekt, want het is niet dat de Ierse singer-songwriter bij ons al zulke adelbrieven kan voorleggen. Een beetje Patrick Watson in zijn timbre, een beetje Fleet Foxes in de samenzang, een beetje Iron & Wine in de baard met houthakkershemd, een beetje Ryan Reynolds in het gezicht, en heel wat gedreven songs die de Marquee sfeervol doen ontwaken. Toppunt daarvan bewaart McMorrow tot het slot van zijn set met “If I Had a Boat”, dat de Marquee voor het eerst in welgekomen vlammen zet.

Plots lijkt dan ook alles in zijn plooi te vallen. Het eerste pintje is besteld, de zon doet zijn werk en in De Schuur staat jong soultalent. Revelatie Michael Kiwanukazorgt voor een zowel gezapig als meeslepend concert. Dit is muziek om te ondergaan onder de zon die genadeloos op Werchter brandt. Het is bakken in De Schuur, maar met nummers als “I’ll Get Along” doet Kiwanuka de geest van Sam Cooke door de tent waaien en als Jimi Hendrix’ “Waterfall” langskomt, lijkt het er sterk op dat de zomer eindelijk gestart is.

De doortocht van Alabama Shakes pal na Kiwanuka kon dan ook niet beter getimed zijn. Ook deze jonkies missen hun entree niet, al kan de band zijn snedige start niet volhouden. Met single “Hold On” zit het er knal op en is het eerste feestje van deze dag een feit, maar net zo goed kan de groep rond Brittany Howard zichzelf verliezen in langdradigheid, die in een hete Marquee bijna dodelijk is. Gelukkig zijn er nummers als “I Ain’t The Same” om, met emotionele vocale uithalen, voor een nagenoeg perfect festivalmoment te zorgen.

Met een smile op het gezicht richting Schuur dan maar, waar Noah And The Whale aan een halve noot genoeg heeft om het publiek volledig mee te krijgen. Toegegeven, het eerste nummer “Life Is Life” staat er nog wel en speelt de band uit als een zomers feel good anthem. Maar vanaf “Just Me Before We Met” zie je de eerste gezichten al wat vertwijfeld kijken, een beetje in contrast met de zelfvoldane houding van frontman Charlie Fink. Wat we krijgen is een eerder gezapige set, waarbij De Schuur enkel opleeft wanneer het tempo wat de hoogte in gaat. Met de (relatief) populaire singles “L.I.F.E.G.O.E.S.O.N.” en “5 Years Time” proberen de Britten op het einde de meubelen nog te redden, maar op dat moment waren wij al bezig met omstaanders aan te klampen om te vragen of het wel degelijk 2012 is.

Op het hoofdpodium is namelijk Wolfmother aangetreden, een stel Australiërs dat er uit ziet en klinkt alsof het nog steeds 1972 is. Frontman Andrew Stockdale verdenken we er van op een doos afgekeurde ideeën van Led Zeppelin gestoten te zijn en daar vervolgens doodleuk een band rond opgebouwd te hebben. Voor even is dit testosteronfestijn geinig: “Woman” is een catchy song, dat kan niet ontkend worden. Maar dubbelnekgitaren, ‘oh yeah’s’ en de bierbuikrock van de harige rockers volstaan niet om een wei in vuur en vlam te zetten. Als soundtrack om een portie friet te gaan halen daarentegen, kan Wolfmother er nog net door. Enola is met andere woorden klaar voor het vervolg van de dag.

Misrekening van jewelste, zo blijkt amper een minuut later. Onderweg naar de Schuur belanden we in een volksverhuizing die we niet hadden verwacht. Zit er echt zoveel volk te wachten op nog maar eens Simple Minds, een oude glorie die ondertussen elke pensenkermis heeft aangedaan en de wegenkaart van Vlaanderen kan dromen? Ja, zo blijkt, maar de heren maken er een erezaak van om toch minstens een half uur lang iedereen naar huis te spelen met holle bombast vooraleer de eerste echte hit mag passeren. De tent reageert navenant en druppelt met de regelmaat van een Chinese marteling leeg.

Het hélpt ook niet dat we bij Jim Kerr elke keer het opgeblazen gezicht van Walter Grootaers zien opdoemen; éénzelfde in zielloosheid gemarineerd “professionalisme” dat op B-festivals allerhande lege dozen als “Love Song” blaat. Wat overheerst is echter een doordenderende mechanische groove zonder variatie, overwoekerd door blèrende synths. Hoogst irrelevant, en je vraagt je af wanneer Herman Schueremans dit collectief eindelijk eens zal loslaten.

Ook op de Main Stage is het droefenis troef. Was Kasabian vorig jaar een aangename verrassing, dan valt het Britse gezelschap vanmiddag een klein beetje door de mand. Goed, af en toe bereiken ze aardige anthemhoogten, en songs als “Days Are Forgotten” en “Where Did All The Love Go?” worden enthousiast onthaald, maar al snel valt de eenvormigheid op, en ook de lusteloosheid. In hun thuisland mogen de heren dan al van bij hun debuut de lucht zijn ingeschreven als de nieuwe Oasis, songs van het kaliber “Don’t Look Back In Anger” hebben ze vooralsnog niet mee. Het is pas met een daverend “Club Foot” dat er toch een beetje pit in de set komt, maar dan is het al veel te laat. Volgende keer beter, jongens!

Terug naar de Marquee dan maar, waar jonge knaap Ben Howard van over het kanaal naar ons is gekomen om zijn fingerpicking en fantastische timbre op Werchter los te laten. De 25-jarige heeft nog heel wat te bewijzen, maar mag sinds vandaag Rock Werchter als uitstekende referentie op zijn cv schrijven. In al zijn eenvoud en bescheidenheid tovert de Brit de Marquee om in een uitgelaten, meejoelende mensenzee. Vroeg hoogtepunt is single “Only Love” waarop Howard bewijst dat hij een festivalpubliek kan bespelen alsof hij het al zijn hele leven doet. Vele van zijn songs zijn met hun climaxopbouw dan ook gemaakt voor dit soort evenementen. Het duurt bijgevolg niet lang vooraleer hij met afsluiter “The Wolves” voor een van dé meezingmomenten van deze Werchter-editie zorgt. Kippenvel.

Een gevoel waar we nog een uur mee blijven zitten, want My Morning Jacket mag als volgende het podium op. De band speelde afgelopen winter een drie uur durend concert in Trix en verveelde toen geen seconde, een prestatie die weinig bands gegeven is. MMJ staat dan ook sterker dan ooit met hun op americana gefundeerde rock. Met “It Beats For You” wordt een eerste keer zwaar uitgehaald. Hier heerst opeens kilte op een hete zomerdag, maar dan -en daarin schuilt het geniale van deze band- lijkt Crazy Horse plots door Werchter te galopperen. Zelfs in het nonsensicale “Holdin’ On To Black Metal” is de intensiteit bijna tastbaar. Tot en met afsluiter “One Big Holiday” — perfectie? Perfectie! — is dit een schoolvoorbeeld van waarom een mens zich op een festival uit het gras verheft en naar optredens gaat kijken. Een hoogtepunt.

Waarna we iets Enorm Idioot doen: we gaan eens kijken hoe het nu eigenlijk zit met die hele Marcus Mumford. Sommigen mogen in Mumford & Sons dan de blauwdruk van een generatie zien, wat ons betreft zegt dat veel over die jeugd. Lààt het dus maar, dat hersenloze stompen op altijd maar weer diezelfde banjoriedel. Wij steken de wei door naar M83, dat de Pyramid Marquee diep de ruimte in katapulteert met epische synthrock. Shoegaze voor gevorderden, was het ooit, maar na de nachtelijke koortsdroom die Before The Dawn Heals Us was, schoof Antony Gonzalez meer en meer op richting jaren tachtig. Op Werchter schipperde hij tussen die twee uitersten, wat een erg schizofrene, maar enthousiast onthaalde set opleverde.

Kon van The xx maar hetzelfde gezegd worden. Dit is een groep die teert op verwarring. Het in 2009 verschenen debuut xx is een plaat waar we nog altijd niet van bekomen zijn. Maar vreemd genoeg deed de band ons live niets. Toen niet, en nu jammer genoeg evenmin. Het pleit natuurlijk niet in het voordeel van The xx dat de band to-taal geen moeite doet om enige interactie te voorzien met het publiek. Goed, pakweg Mark Lanegan staat evenmin bekend als spraakwaterval, maar die man heeft een attitude die spreekt. The xx echter, slaagt er zowaar in nog ongeïnteresseerder over te komen dan Robert Smith.

Het resultaat? Juweeltjes als “Islands” en “VCR” die van hun sterkte ontdaan zijn en het effect hebben van een flinke lading Valium. Het is moeite doen om niet al rechtstaand in slaap te vallen. Hier en daar houdt een hook en een groove in de nieuwe nummers ons min of meer alert, maar toch kan daarmee niet voorkomen worden dat we blijven denken dat als The xx hier en nu enige kans op slagen wilde, de Britten in de Marquee hadden moeten staan. Voorlopig zullen wij onze liefde voor deze band dan maar thuis in de sofa beleven, met de lichten gedimd.

Wanneer we vervolgens effectief naar de Marquee wandelen, worden we geconfronteerd met een contrast om U tegen te zeggen. Als een keizerin wordt Regina Spektor onthaald wanneer ze zorgeloos en breed glimlachend het podium van de Marquee opwandelt. Ze moet nog maar een wenkbrauw bewegen of het voornamelijk jonge, vrouwelijke publiek duwt de decibels nog wat de hoogte in. Om maar te zeggen dat de Amerikaanse Russische nog steeds aan populariteit aan het winnen is. En toch, onze beste vriendin was het al niet en is het nog veel minder na deze performance. Te braaf, te proper en songs die uitpuilen van de clichés waarmee de Flair wordt volgeschreven. Belerende verhaaltjes waarin Regina ons eens komt vertellen hoe het nu eigenlijk in elkaar zit. Het meisje kan zingen, daar niet van, ze kan piano spelen en het zelfs perfect combineren. Maar verrassen in songopbouw of lyrics? Neen, tenzij je haar beatboxen verrassend vindt. Erin slagen om met een song een gevoelige snaar te raken? Nog veel minder. Regina Spektor heeft leuke melodietjes en een leuke stem maar daar houdt het ook bij op.

Editors bestaan tien jaar, en dus was er een feestje nodig. Herman gebeld, podium geboekt, en zie: daar staat een toekomstige supergroep even te tonen dat zelfs het verlies van je gitarist te overleven is. Met een greatest hitsset pakt de groep de headlinersstatus die hen binnen enkele jaren op elk festival te beurt zal vallen, een drietal nieuwe nummers tonen dat de toekomst verzekerd is. Maar laat ons alstublieft Jason Callewaert opsluiten als ze nog eens komen spelen. En dat ze dat zeiknummer (hoe heet het ook weer? “They Stood Up For Live”?) for Gods sake thuis laten. Dan komt alles goed, vuurwerk nog aan toe. Editors wordt de volgende U2: schrijf het op, u zult ons later gelijk geven. En fuck Chris Martin.

Een optreden als dit is een energiestoot die uw dienaren wel konden gebruiken. We besluiten dus nog niet onder de lakens te kruipen, maar opnieuw de wei op te spurten. Met een autoritair “hop!” stuurt (mvs) (jvb) richting Paul Kalkbrenner, zelf komt hij niet verder dan Chase & Status die op het podium “live” en “in Belgium”, zoals herhaaldelijk wordt benadrukt, de boel doen ontploffen. Tiens, was dit trouwens niet aangekondigd als een drum-‘n-bassgroep? Dan toch één die eieren voor zijn geld heeft gekozen en met volle goesting op de dubstepkar is gesprongen. Ons niet gelaten, we smijten ons gelaten bij de drop, en gaan vervolgens loos op de, dan toch, knetterende drum-‘n-bass van hitje “End Credits”. Hell, wanneer de groep zich waagt aan een cover van “Killing In The Name Of” laten we ons ook niet kennen. Dat Editors ons dus energie had gegeven.

Een kale Duitser die de boel in lichterlaaie komt zetten? Het klinkt beangstigend, maar vanavond is de blitzkrieg waarmee Paul Kalkbrenner uitpakt eentje waardoor je je met plezier laat overrompelen. Kalkbrenner zweept de massa moeiteloos op met compromisloze beats die een zuiders tintje meekrijgen en er voor zorgen dat wat een uur eerder nog een vermoeiende dag leek, het begin zou kunnen zijn van een feestelijke nacht in de stijl van I Love Techno. Het mag echter niet zijn. Een half uur voor de laatste beat verstomt, doen de drankstanden aan de Marquee doodleuk de deuren toe. Gelukkig is Kalkbrenner het soort dj op wie je in zo’n geval kan rekenen: de set bouwt zorgvuldig op naar de euforische ontlading van hitje “Sand And Sky”. “I found myself alive”, klinkt het uit duizenden kelen en daar is geen woord van gelogen. Een betere einde van deze dag is moeilijk denkbaar. Dit is de uitputting opzij zetten en doen alsof alles nog mogelijk is. Laat maar komen die vierde dag.

1
2
3
4

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in