Matana Roberts Coin Coin :: 21 maart 2012, Bimhuis

Weinig platen zorgden de voorbije jaren voor zo’n stomp in de maag als Coin Coin, Chapter One: Gens de Couleur Libres, een briesende brok exorcisme die niet alleen een excentrieke genremix presenteerde, maar ook een complexe uitvalsbasis waarin de bredere geschiedenis en het kleine, persoonlijke verhaal samen kwamen in een tumultueuze plaat die kinderlijke naïviteit koppelde aan ongemakkelijke intensiteit en een diepe duik in de roots. Het was dan ook uitkijken naar een uitvoering van het tweede deel in de cyclus, Mississippi Moonchile. Die lag voor een stuk in de lijn van de voorganger, al ontbrak er wel een component om opnieuw diezelfde kopstootimpact te hebben.

Maar toch: wat een figuur, die Matana Roberts. Rijzig, gekleed in een lange zwarte jurk, de dreadlocks gedrapeerd op een halfgeschoren kop, voorzien van een resem tattoos en piercings en met priemende, gitzwarte ogen die een hart niet zomaar kunnen breken, maar in een beweging ook vergruizen en wegblazen. Een intense presence die elke ruimte gevuld krijgt. Blues shouter, soul sista en avant-garde kamikaze in één. Haar zo zien doet je beseffen dat dat bescheiden crossover succes helemaal niet zo vreemd is. Roberts is een al edge, en die is van alle genres en tijden. Maar Roberts’ visie is ook totaal uniek, iets dat al duidelijk werd vanaf de eerste noot van haar soloset.

Ze ging het eerst op haar eentje doen en daarna haar nieuwe band erbij roepen (het weerhield een ongeduldige toeschouwer er niet van om tijdens het vragenrondje lullig te polsen of de bandleden aan het staken waren). De vier stukken, samen goed voor een half uur, gaven al een vrij mooi, maar verre van volledig beeld van Roberts’ talent. De soul, die zit er altijd in. Net als pakweg Darius Jones, maar dan met een iets minder snerpende en klagerige toon, lijkt de vrouw altijd met een been in de klei van het veld te staan, heeft elk solomoment iets van een monoloog op het spreekgestoelte, nu eens bluesy badinerend en dan weer rumoeriger, met onderhuids knetterend vuur.

Hoewel de stukken gaandeweg aan intensiteit wonnen, viel wel meteen op dat ze — al dan niet bewust — voortdurend inspeelt op de menselijke stem. Haar organische intonatie lijkt voortdurend de cadans van de gesproken dialoog te volgen, waarbij vloeiende bewegingen soms abrupte versnellingen of treuzelmomenten krijgen, alsof er eerst nog iets bedacht of verduidelijkt moet worden. Het miste de focus die we verwachtten, maar was niettemin een mooie aanloop naar het vuurwerk dat ons beloofd werd in de tweede set. De intentie om dat waar te maken was er ongetwijfeld, maar die belofte werd niet helemaal ingevuld.

Nochtans had Roberts zich omringd met een stel prima muzikanten, waarvan er geen enkele te horen was op Chapter One: pianiste Shoko Nagai, trompettist Jason Palmer, bassist Thomson Kneeland, drummer Tomas Fujiwara en zanger Jeremiah Obadiah. Vooral die laatste vervulde een opvallende rol, door het niet te gaan zoeken bij blues of gospel (wat je op basis van de rootsgebaseerde muziek zou verwachten), maar in het operarepertoire. We zagen de klassiek geschoolde vrouw van Jason Moran ook eens (met succes) een vergelijkbaar iets doen, maar dit was van een heel andere aard. Obadiah werd voortdurend gestuurd en bijgestuurd door Roberts, die het heft in handen nam met eenvoudige handbewegingen.

De ingrediënten waren vergelijkbaar met die van Chapter One: onversneden free jazz en avant-gardetactieken, maar net zo goed soul, gospel en blues. Zo was er een knappe passage die expliciet naar de New Orleans-stijl knikte en waarmee het sextet zo in eender welke bluesclub in het zuiden van de VS aan de slag had kunnen gaan. Maar meestal gebeurde het op een diffuser manier, waarbij het spelen met vaak erg eenvoudige elementen en terugkerende riedels centraal stond. Opnieuw viel ook op dat Roberts een charmante, kinderlijke charme in haar muziek kan stoppen, niet enkel door het integreren van melodieën die rechtstreeks uit slaapliedjes lijken te komen, maar ook door het voorlezen van stukjes tekst die telkens gebracht werden in een soort spreekzang die je hoort bij kinderen die niet beseffen dat ze geobserveerd worden.

Roberts deed met andere woorden wat we verwachtten, al kende deze muziek minder extreme pieken en dalen: hier geen bonkende, denderende, om zich heen maaiende Mingusgrooves of onthutsende schreeuwtherapie, maar een iets vlakker, iets minder excentriek parcours. Dat had voor een stuk zeker te maken met de functioneel spelende band. Hoewel elke muzikant (al konden we Nagai amper horen) wel mooie dingen liet horen, ontbrak het hen aan begeestering en de onbedwingbare drang om een verschil te maken. Roberts is één en al buikgevoel en expressie en dat leidt steevast tot imponerende resultaten die je confronteren en/of bij de lurven grijpen (heel knap was zo ook de manier waarop traditional “Sometimes I Feel Like A Motherless Child” in het slot verwerkt was). Die innerlijke furie ontbrak bij de band, die nooit echt op datzelfde instinct kon teren.

Het zorgde er enerzijds wel voor dat Roberts de ster van de avond kon zijn, maar tegelijkertijd werd de performance zo ook wat afgeremd en geraakte ze nooit écht tot op het niveau dat binnen bereik lag. Het was een ongewoon, bewogen en organisch vloeiend concert (een gezongen Aaahhmmmm-stuk, waarvoor ook het publiek werd ingeschakeld, fungeerde vaak als scharniermoment), waarbij eenvoud, expressie en experiment mooi hand in hand gingen. De klets die je definitief van je stoel zou kwakken, die bleef echter uit. Misschien iets voor de volgende keer. Kan ze meteen ook nog eens natrappen om helemaal orde op zaken te stellen.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

achttien − 15 =