Pukkelpop 2011 – het verhaal van enkele medewerkers




Tine Maesen – Club

Een
ontelbaar aantal keren was ik de trap terug opgerend om vergeten
spullen bij elkaar te rapen. Oordoppen! Pleisters! Zakdoek!
Regenjasje! Het gewirwar van onze acties die voormiddag zorgden
ervoor dat we alleen nog maar het laatste nummer van Edward Sharpe
& The Magnetic Zeros in de Club van Pukkelpop konden meepikken,
terwijl het zweet zich een weg baande in de holte van de rug.
Jammer dat het zo kort was, maar er zouden nog genoeg leuke
concerten volgen die dag, nietwaar?

Rond 17u stuurde ik nog een sms naar een vriendin om te zeggen dat
het ‘zo meteen wel met bakken uit de lucht zou vallen, maar dat ik
op alles voorbereid was’… Hoe ironisch klonk dat niet, nog geen
twee uur later?

De lucht werd gitzwart alsof iemand net het licht had uitgeknipt en
gezeten tegen het beschuttende reclamepaneel naast de Humo-stand
zagen we mensen als gekken richting de Club lopen, gillend en
lachend om de koude regen die hen teisterde. Skin van Skunk Anansie
keelde nog steeds over de wei terwijl de weergoden hun spierballen
pas echt lieten rollen. Misschien moesten we toch maar eens gaan
schuilen? We wurmden ons door de mensenmassa in de Club, hadden een
ietwat vreemde conversatie met de meneer naast ons over onze
‘afkomst’ terwijl er gejuich oprees toen het eerste deel van het
natuurspektakel zich ontplooide. De anders zo vrolijk wapperende
vlaggen boven de wei, plooiden dubbel onder de kracht van de wind.
‘Kijk, kijk!’ Het was wonderbaarlijk om waar te nemen dat er
hagelbollen ter grootte van eieren uit de lucht konden vallen en
dat de wei herschapen werd in een mistige massa. Het hoofdpodium
was zelfs niet meer zichtbaar vanuit de Club.

En dan begon de tent als een gek heen en weer te schudden. Een hoop
mensen hadden als instinctieve reactie ‘weg hier’ en stoven ons
voorbij, maar ik kneep nog steviger in de hand van mijn vriend en
we schoven ietsje verder weg van de palen. Angstvallig keken we uit
naar vluchtwegen… die er niet waren. We zaten als ratten in een
val als hier iets zou gebeuren. De twee torens die voor de club
stonden, stortten als kaartenhuisjes in en gegil steeg op. “Stond
die man er nog op? Zou hij oké zijn? Stond er nog iemand naast die
torens? Hopelijk geen gewonden?”

De grootste windstoten verdwenen even snel als ze gekomen waren en
terwijl het zeil begon te kreunen onder de hoeveelheid water, kwam
Miles Kane handjes schudden op de eerste rij en zich
verontschuldigen dat hij niet kon optreden. Enkele minuten laten
werden we door de security verzocht om de tent te verlaten.

Er hing een vreemde soort rust over de wei; het was gestopt met
regenen en wadend door de plassen water checkte ik snel of er
niemand onder de toren terecht was gekomen. Ik kon niet meteen een
slachtoffer ontdekken en zag geen hulpdiensten dus slaakte
(onterecht misschien?) een zucht van verlichting. Mensen haalden
massaal hun camera’s boven om foto’s te maken van alles dat niet
meer rechtstond. Instinctief verplaatste de massa zich richting
uitgang. En naarmate we korter bij die uitgang kwamen, onthulde
zich een grotere ravage…. Een afgeknapte boom had het
Proximustentje te grazen genomen, afgewaaide takken lagen gezaaid
over de wei en dan doemde uit het niets die ingestorte Chateau-tent
op. Ik zag politieagenten voor wat ooit de ingang was geweest
staan, maar er liepen geen paniekerige mensen rond en heel even
dacht ik nog – in een vlaag van naïviteit – dat iedereen wel op
tijd buitengeraakt was. De ingang die ons een paar uur eerder nog
met vrolijk blinkende Pukkelpopletters had welkom geheten, lag
volledig tegen de grond… Het was alsof iemand me een blank
kleurboek gegeven had dat ik nu langzaam kon beginnen inkleuren. De
omvang van dit natuurfenomeem begon me te dagen en ik haalde m’n
gsm boven om mijn vrienden en ouders te bellen.

Van de klaagzangen over te weinig informatie en het gezwetst dat er
algehele chaos en paniek heerste, word ik zeer kwaad. Ik stond zelf
tussen duizenden mensen die sereen en zonder dat daartoe opgeroepen
was de festivalweide verlieten. Elke gezond denkende mens snapte
toch de omvang van deze ramp? Nog kwader maken de berichten op
verschillende fora de dag nadien me. Een moeder (!!) die zich
afvraagt of ze haar geld van het ticket nog terugziet en een
vergoeding zal krijgen voor een tentje?…

Ik wens de nabestaanden sterkte toe, de gewonden de kracht om te
herstellen en dit te kunnen plaatsen, Chokri Mahassine en zijn
medewerkers de moed om door te kunnen gaan en de muziek een nieuwe
Pukkelpop volgend jaar… Pukkelpop is altijd mijn hemel op aarde
geweest en in een hemel verwacht je de hel niet.

Kristof Vande Velde – Chateau

Er
is niets nieuws aan het verhaal dat ik vertel. Ik heb stijve
spieren, af en toe een lichte hoofdpijn, mijn geld ligt te drogen
en ik zie de beelden telkens wanneer ik mijn ogen sluit.
“Waar was jij toen het gebeurde?,” is de tweede vraag die
Pukkelpop-gangers aan elkaar stellen of stelden. Ik had net beslist
om met mederecensent Steven en vriendin Kristin van de Club, waar
we even voor de regen hadden geschuild, richting Chateau te
vertrekken. Het was hevig aan het waaien en het begon licht te
regenen toen we binnen gingen. Ik spotte Goddeau-collega M – zijn
verhaal hier – en ging achter hem en zijn vriendin
zitten, pal in het midden van de tent. Toen Smith Westerns tien
minuten later hun eerste nummer inzetten, wees ik mijn metgezellen
naar buiten, waar het zo hevig aan het regenen was alsof er een
grijze muur voor de uitgang stond. We hadden medelijden met onze
vrienden aan het hoofdpodium en prezen ons gelukkig dat wij droog
stonden. Denken aan veiligheid kwam niet in ons op. Tot mijn
vriendin ons wees op de grote luchters die langs alle kanten
begonnen te bewegen. Het videoscherm dat naar beneden donderde, heb
ik niet opgemerkt. Wel zag ik regen binnen de tent stromen, rechts
vooraan. Er was nog helemaal geen paniek. Die kwam er een seconde
later toen links vooraan het tentzeil volledig losscheurde. Dat
beeld is onbeschrijfelijk. Het was alsof een gigantische waterval
binnen de tent stapte. Ik heb het intussen al honderden keren
gezien.

Wat ik me daarna herinner, zijn enkel nog flarden. Ik volgde de
massa naar achteren, temidden een immens geschreeuw. Ik wist niet
waar ik naartoe liep. Kristin nam me stevig bij mijn pols en
loodste me al kruipend tussen de omvergewaaide stellingen naar
buiten – en dit weet ik enkel uit haar mond. Alles lijkt slow
motion. Zoals de aluminium balk die ik naar mijn hoofd voel komen
maar me totaal geen pijn doet. Het is enkel een waas die voor mijn
ogen hangt. In een volgende flits zie ik meisjes voor me op de
grond liggen, links van de ingang. Het is wellicht daar dat ik
gewoon stil stond, zoals mijn vriendin me achteraf zei. Geen idee
waarom maar ik blokkeerde. Ik weet zelfs niet meer of ik recht
stond. Ze zei dat ik mijn handen voor mijn gezicht hield om me
tegen de hagel te beschermen, maar die voelde ik niet op dat
moment. Ik herinner me hoe Steven een stap achteruit zette en me
bij mijn arm meesleurde.

Pas toen ik onder de tribune stond met Kristin en Steven naast me,
begon ik terug helder na te denken. Vanaf hier werkt mijn geheugen
weer zoals het hoort. Ik kreeg de hagel vooral op mijn hoofd en
rug. Een meisje zat voor ons gehurkt, om bescherming te zoeken. Een
man stelde voor om elkaar vast te pakken, om niet onderkoeld te
raken. Links zag ik dat de Goddeau-collega het had gehaald. Rechts
zag ik J van een platenlabel, ook ontredderd onder de tribune. Het
was onwezenlijk om de tent daar te zien liggen. Daar moesten nog
mensen onder liggen.

Mijn vriendin stuurde onmiddellijk een bericht naar mijn en haar
directe familie dat we ongedeerd waren. Een veiligheidsagent riep
ons dat we daar zo snel mogelijk weg moesten. Nog goed dat
gsm-operatoren in het begin nog gedeeltelijk werkten want dankzij
ons bericht aan onze vrienden dan we achterin de Marquee stonden,
konden we ze na een klein uur terugvinden. Dat was het enige wat
telde, in de armen vallen van mensen die je graag ziet en zien dat
het goed met hen gaat.

We besloten te gaan kijken naar onze slaaptenten, als die er nog
waren, om de schade op te meten. Wat volgt is een vreemde mix van
blije mensen en ontredderde gezichten. De camping bleek een minder
groot slagveld dan we hadden gevreesd. Mijn tent had het begeven
maar lag er nog. Alles erin was nat, maar dat was niet belangrijk.
Dat zoveel juichten toen werd omgeroepen dat het festival door zou
gaan, konden we niet begrijpen. Wij waren enkel dankbaar dat wij
het geluk hebben gehad dit nog te kunnen navertellen.

Vincent Van Peer – Chateau

Wanneer
Smith Westerns iets voor half zeven aan hun set beginnen, zijn er
nog enkele technische problemen die het geluid van de jonge snaken
in de war stuurt – dat, of de geluidsman ligt te pitten. Zanger
Cullen Omori gaat al tijdens het openingsnummer even naar de kant
om wat instructies te geven aan de technici en wij hopen dat het
snel betert. Slecht geluid of niet, ik ben gebiologeerd aan het
kijken – mijn verwachtingen liggen hoog – en heb niet door dat het
buiten pijpenstelen regent. Een vriend van me geeft aan dat de
regen in slierten van de tent gutst en, nog geen minuut later, dat
de impressionante discobollen en luchters in de nok van de Chateau
het op een shaken hebben gezet. Daarnet druppelde het, en ik kijk
er tegenop om straks helemaal richting Dance Hall te sjokken in de
regen. Katy B gaat er spelen, en ik zal me nog moeten haasten om
daarna een goeie plek te pakken te krijgen in de Marquee, vooraleer
James Blake er een horde bakvissen zal verrassen met de openbaring
dat hij nog meer nummers heeft gemaakt dan ‘Limit To Your Love’.
Voor de duidelijkheid: die nummers zijn even mooi.

Ondertussen begint het mij te dagen dat er iets niet pluis is. Op
de plekken waar de palen het tentzeil omhoog houden, begint het
binnen te regenen. Wanneer ik in de richting van de uitgang kijk,
zie ik horizontale strepen water de bruingroene lucht doorklieven,
net als de bijna onophoudelijke bliksemregen. Er is dan toch een
onweer tot op de weide van Kiewit geraakt. De metalen constructies
in de nok van de Chateau beginnen een eigen leven te leiden en de
eerste mensen haasten zich richting uitgang. Mijn maat maant Julie,
mijn vriendin, en mij aan om al richting uitgang te trekken en de
mensen die onder de zwevende gevaartes staan, deinzen uniform
achteruit. Ik blijf nog even staan, zo erg is het niet. Ondertussen
regent het ook op het podium en staat Smith Westerns er
schaapachtig bij, terwijl Cullen enkele ongemakkelijke opmerkingen
geeft die – door het galmeffect op de microfoon – verloren gaan aan
een publiek dat haar aandacht elders heeft gericht. De tent lijkt
te bewegen.

Wanneer het scherm boven het podium naar beneden dondert en ook de
eerste gilletjes hun weg doorheen het geroezemoes vinden, gaat het
plots snel. Ons bevriende koppel is, zo vermoed ik, al richting
uitgang gesneld, maar ik ben er even niet bij. Ik zie de wind
tekeergaan, de discobollen swingen en voor het eerst word ik
ongerust. Wij moeten hier buiten, of toch op z’n minst die richting
uit trekken. Overreageren we niet? Twee passen hebben we gezet als
ik opkijk naar het podium en de Apocalyps haar intrede doet. Het is
een beeld dat ik nooit zal vergeten. Het tentzeil van de Chateau
wordt van achter het podium opengereten – weg gekatapulteerd – en
de hele boel stuikt in elkaar terwijl het door mijn hoofd flitst
this shit is biblical“. Grootser, indrukwekkender dan
alles wat ik ooit heb gezien. Als het Sublieme bestaat, dan heb ik
het toen gezien; prachtig en verschrikkelijk tegelijk. Palen vallen
om, glas knettert uit elkaar en mensen stuiven als een kudde op hol
geslagen stieren naar de uitgang. Er heerst oprechte paniek en de
goedmoedige festivalsfeer van enkele ogenblikken geleden – piepende
speakers, lacherige frontmannen, gitaargepingel, achtergrondlawaai
– wordt omvergeblazen. Het geluid maakt nog het meeste indruk. Even
hoor ik niets, dan is er de onhoudbare watermassa die zich in mijn
gezicht mept, de gierende wind, donder en bliksem die elkaar
trachten te overtroeven, en de hagelbollen die als kogels uit de
regen komen geflitst.

Alsof de slotmomenten uit Lars von Triers ‘Melancholia’ zich plots
manifesteren op de Hasseltse heide. Dit kan niet, denk ik
nog, dit is surreëel. Heel eventjes woont iedereen op Pukkelpop in
een tornado. In de eerste momenten schiet ik net als iedereen naar
de uitgang. Twee seconden later denk ik aan mijn vriendin. Bij
elkaar blijven! Wat je ook doet, blijf altijd bij Julie. Ik keer
om, zie niets van mijn omgeving, registreer alleen haar,
tussen de menigte en klamp haar vast om haar niet meer los te
laten. Op dat moment eist de paniek haar tol en gaat de massa als
een domino half tegen de grond. Doodsangst is er niet, maar ik
realiseer me wel dat dit een situatie is waarin het snel kan gaan.
Ik grijp Julie vast, roep haar een aantal keren toe “Blijven
rechtstaan! Niet vallen! Blijven rechtstaan!” en probeer haar mee
overeind te helpen. Het lawaai is oorverdovend en ik kan maar aan
één ding denken: get the fuck out of here. Het gevallen
zeil giert nog in de wind wanneer Julie en ik over enkele vormloze
obstakels klauteren, over een dranghek en dieper de
ondoordringbare, vuile lucht in, face to face met de
hagel, de regen, de modder, de lichtflitsen en het geschreeuw. Ik
besef plots, de Chateau bestaat niet meer. Pandemonium
heerst.

Op geen enkel moment denk ik eraan om achterom te kijken. Dat er
nog mensen vast zouden kunnen zitten, komt niet eens in mij op. Het
is niet relevant. Wij zijn de tent uit, wij zijn veilig, is alles
dat ik kan denken. De angst ebt weg en ik zie dat de festivalweide
herschapen is in een postapocalyptisch slagveld. Dit is Pukkelpop
als Roland Emmerich de locatie zou gebruiken als filmset; ik
verwacht elke moment een tsunami die aan alles een eind komt maken,
of een grote blauwe planeet die ons komt opslokken, maar alles dat
we kunnen zien, zijn verre lichten, rennende mensen en een
spookachtig mistgordijn. Huilende mensen zitten gevangen in de
chaos, maar niemand die ze kan horen. We moeten zien dat we in een
huis geraken. Veilig, omringd door stenen muren, weg van het gegil
en alles dat door de lucht vliegt, van tentpalen tot hagelbollen.
Niet een keer draai ik mij om als Julie en ik – elkaar nog steeds
stevig vastgrijpend – onze weg banen, half-lopend half-strompelend,
door de tot kleuterzwembad herleidde weide. Alles dat achter ons
ligt, wil ons doden of is kapot.

Palen moeten ontweken worden – alles dat nog rechtop staat is een
potentieel gevaar – we klimmen over de ijzeren constructie die ooit
trots de letters “P U K K E L P O P” droeg – nu liggen ze op de
grond, gebroken en overwonnen als een finaal statement; het
droevigste beeld dat ik die avond heb gezien – en ik ontwijk zo
veel ik kan de plaatsen waar mensen samengetroept zitten – de
tribune, de eettentjes, de plakkaten met een terreinoverzicht.
Niets is hier nog veilig, alles kan van de ene moment op de andere
uit de grond getrokken worden, in de lucht vliegen, mensen
verwonden. Ik begrijp niet waarom de mensen bijeen getroept staan
onder de gigantische hoofdingang. Die gaat instorten, niks
staat hier straks nog rechtop. Jullie zijn niet veilig, denk ik
nog, maar ik zwijg, ik wil zo snel mogelijk weg. Het lijkt wel
middernacht. Ik kijk rechtdoor, naar Julie en naar nergens anders.
Waar onze vrienden zijn, daar heb ik geen idee van. We passeren de
hoofdingang. Bijna niemand staat nog op het verzopen grasplein dat
ooit de ingang van een feesttempel droeg.

De straten staan onder water. Niet treuzelen. De wind en de
regen slaan ons nog steeds om de oren, maar we voelen het nog
amper. Bomen liggen op de weg. We helpen er eentje versleuren, we
lopen voort. Niet in het water staan. Niet veilig. Blikseminslagen.
Verder gaan. Rondkijken. Er niks van geloven. Verder gaan. James
Blake zal vanavond niet meer spelen. Vijf mensen zullen nooit horen
dat hij ook nog andere nummers heeft gemaakt dan ‘Limit To Your
Love’. Zullen nooit meer muziek luisteren. En toch moeten we verder
gaan.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

9 + 11 =