Jon Irabagon Foxy Trio :: 14 juni 2011, Hnita-Jazz

Saxofonist Jon Irabagon tekende met Foxy – een kolossale, ononderbroken blaaspartij van achtenzeventig minuten! – voor een van de meest opvallende jazzalbums van 2010. De hamvraag was dan ook of de Hnita zich ook aan zo’n staaltje forsbollerij mocht verwachten.

Het pianoloze saxofoontrio werd op de kaart gezet door Sonny Rollins, toen die even na zijn klassieker Saxophone Colossus besloot om verder te werken zonder pianist, wat destijds zeer ongebruikelijk was. In tweede helft van de jaren vijftig was Rollins de onbetwiste Tenorkoning, waardoor trioplaten als Way Out West (leg ‘m maar eens naast Foxy), de tweedelige liveklassieker A Night At The Village Vanguard en The Freedom Suite behoorden tot de meest vernieuwende en invloedrijke platen van hun tijd, dominant tot Coltrane het overnam en alles aan flarden speelde met een al even magistraal overwicht. Maar heel even, pakweg in de periode 1956-’58, was Rollins heer en meester, en het is die aanpak waar Irabagon een heropfrissing van maakte op z’n plaat.

Hij werd daarvoor bijgestaan door de jonge bassist Peter Brendler en veteraan Barry Altschul op drums. Met die laatste had hij een knaller van formaat in huis gehaald die zowel binnen de traditie als de avant-garde aan het werk geweest was. Hij was onderlegd in swingende ritmes, maar speelde net zozeer aan de zijde van volk als Anthony Braxton (en o.m. op Dave Hollands klassieke Conference Of The Birds). Wie vreesde dat de intussen bijna zeventigjarige drummer het tempo van z’n jonge collega’s niet meer zou aankunnen, werd ongetwijfeld verrast door Foxy. Deze mepte er op los met een indrukwekkende vitaliteit, iets dat ook het geval was op het Hnita-podium.

Altschuls gretigheid werd ook nu duidelijk van zodra hij het podium op stapte. Irabagon had z’n sax nog niet omgegespt of de drummer was bezig aan z’n intro. Al snel was de trein vertrokken om pas drie kwartier later tot stilstand te komen, want wie hoopte op een herneming van Foxy, kreeg ook waar hij om vroeg. En opnieuw kreeg je hetzelfde gevoel als bij het beluisteren van het album: een vertrouwd aanvoelende aanpak, die eerst zorgt voor herkenning, maar snel daarna plaats maakte voor een steeds stijgende verbazing. De drie werkten immers opnieuw aan een slingerend parcours dat zich een weg baande via bluesy gebeuk, swingende hardbop en de occasionele momenten van ontspanning.

Iragabon slaagt er daarbij in om, net als Rollins in z’n hoogdagen, een indrukwekkende instrumentbeheersing te koppelen aan een immense bagage en melodisch vernuft. Z’n eindeloze solo miste dan misschien wel het overkoepelende verhaal dat Rollins in z’n langere solo’s wist te stoppen (getuige daarvan het werk op de klassieke liveplaat of “The Freedom Suite”), maar dat verving hij door een ketting van licks en thema’s aan elkaar te rijgen waar eindeloos op gevarieerd kon worden. Daarbij vond hij een mooi evenwicht tussen de brallende blues van David “Fathead” Newman en de iets subtielere aanpak van een Hank Mobley.

De drummer volgde intussen met de brede grijns, met vooral veel aandacht voor z’n cimbalen, terwijl ook Brendler een paar keer opviel door de immense drive die hij in het spel wist te stoppen. Een paar keer leek het alsof het trio aan het meanderen zou slaan, maar dat werd telkens opgelost door een nieuw energieshot, dat hen uiteindelijk ook over de eindmeet zou stoten. De eerste set was behoorlijk afmattend, maar ook een straf staaltje van aangehouden samenspel op hoog niveau. De tweede set werd anders aangepakt, met een handvol gebalde composities waarvoor Irabagon minder dominant was. Die set was gevarieerder en toegankelijker, maar ook iets onevenwichtiger.

Altschuls ballad “Irene” zorgde voor een zijdezachte start met een mooi staaltje retrojazz, al zouden de weerhaken snel opduiken. Zo was er een netjes in elkaar hakende interactie van Altschul en Brendler in een sterke uitvoering van Dave Hollands “Four Winds” en werd Irabagons “The Stateman’s Song”, een compositie die hij pende voor Wayne Shorter, een huzarenstukje van plagerige ideeën en hoekige tempowisselingen. Een tweede stuk van Altschul voelde echter aan als een veredeld samenraapsel en kreeg af te rekenen met wat timingproblemen. Ook het bisnummer, een ontrafelde, vrije versie van “I’m A Fool To Want You”, Irabagons favoriete Sinatra-song, was eerder geinig dan echt memorabel.

Naar het einde toe verloor het concert wat te veel spankracht om te kunnen spreken van een legendarische passage, maar jazzfans – zowel de liefhebbers van het traditionele als het meer uitdagende werk -, kwamen zeker aan hun trekken. Het was bovendien fijn om te zien dat dit trio, dat nog maar één album heeft opgenomen en geleid wordt door een aanstormend talent, toch een vol huis wist te trekken. De aanwezigen waren getuige van een sterke performance van een trio dat zich met stijl en panache een weg baande door een rijke geschiedenis. En die Irabagon is duidelijk nog lang niet uitverteld. Dat belooft.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

19 + 12 =